Zombie

Als ik even opkijk, zie ik een zombie langs fietsen. Tergend langzaam fietst ze me voorbij, haar ogen gefixeerd op het kleine scherm voor haar neus. Ze fietst net snel genoeg om niet te vallen.

Een klein stukje verder buigt de weg scherp naar rechts. Daar is alleen het terrein van de plaatselijke voetbaltrots, vooral in het weekend het doelwit van voetbalpappa’s en –mamma’s, die hun nakomeling(en) afzetten of ophalen. En van liefhebbers die zelf graag tegen een balletje trappen, natuurlijk.

De bocht was tot voor kort een gevaar. Het fietspad gaat rechtdoor, auto’s kunnen alleen rechtsaf of rechtsomkeer maken. Menig automobilist heeft wel eens een fietser over het hoofd gezien, die rechtdoor ging. Met alle noodlottige gevolgen van dien. De oplossing: een verkeersbord die de automobilisten er alert op moet maken dat er wel eens een fietser rechtdoor wil.

Het meisje fietst gestaag door, nog steeds in bedaard tempo. Langzaam maar zeker komt de bocht dichterbij. Net als ik denk ‘schiet maar op, dadelijk komt er een auto aan’, komt er dus een auto aan.

De automobilist lijkt aanstalten te maken om de zombie in te halen, en nog voor haar rechtsaf te slaan. Ik houd mijn adem in, het zal toch niet?

Inderdaad, het zal niet. De automobilist remt op tijd af, de zombie slaagt er zowaar in niet uit de bocht te vliegen, met enig kunst en vliegwerk, haar ogen nog steeds als vastgelijmd aan het kleine scherm.

Het lijkt alsof de rest van de wereld niet bestaat voor haar, niet meer is dan achtergrondgeluid. Een vage ruis, ergens ver weg. Wat is er zo belangrijk dat ze ziet op dat kleine, felverlichte scherm, dat ze de rest van de wereld vergeet? Dat ze geen acht slaat op de prachtige wolkenhemel boven haar, of op het verkeer om haar heen?

Is ze aan het snapchatten met haar vriendinnen? Of met haar vriendje? Is snapchatten nog populair onder de jeugd van tegenwoordig? Had ik maar kinderen, dan kon ik het ze vragen. Waarop ze me ongetwijfeld met een wanhopige blik aan zouden kijken, hun ogen ten hemel zouden slaan om te verzuchten: ‘pap!’ Nee, een hippe, moderne vader zou ik niet zijn geweest, denk ik.

De auto staat nog steeds stil. Dan komt er een jongen aangelopen, van de school iets verderop. Hij stapt in, zijn vader keert de auto en rijdt weg, in de tegenovergestelde richting.

De zombie stopt bij haar huis, net op de hoek, een stukje verderop. Ze haalt zowaar even haar ogen van het schermpje. Even, net lang genoeg om de poort te openen en haar fiets weg te zetten. ‘Dag schat!’ zal haar moeder gezegd hebben, ‘Hoe was je dag?’ ‘Prima hoor’, zal de zombie geantwoord hebben. Om even later op de bank neer te ploffen, haar ogen weer gefixeerd op dat vermaledijde schermpje.

Spring naar toolbar