Samenscholing verboden

Julius Caesar, wie kent die naam niet? Julius Caesar, de beroemde Romeinse generaal en dictator, die toen hij op 15 maart 44 v.Chr. de Senaat betrad, omringd werd door senatoren, die de republiek in ere wilden herstellen. ‘Tu quoque, fili mi’, kermde Julius tegen Brutus, zijn protegé en een van de samenzweerders, terwijl hun dolken zich in zijn lichaam boorden.

Ik moest aan de arme Julius denken, toen ik ’s avonds aan de wandel was en verderop een groepje mensen zag. Ik weet niet hoe u er over denkt, samenscholingen van mensen geven mij een zeker gevoel van onbehagen. Al zien ze er nog zo vriendelijk of onschuldig uit, al hebben ze meer aandacht voor elkaar of voor wat de ander te vertellen heeft dan voor mij, al is het nog zo gezellig, ik vertrouw het niet.

Wie kent ze niet, de groepjes jongeren die aan het ‘chillen’ zijn (heet dat nog zo?) op de hoek van de straat, bij een cafetaria of in het park. Denkt u dan ook ‘die hebben vast niet veel goeds in de zin’? Ook al is er geen aanleiding toe, toch denken we dat.

Soms, een enkele keer, komen die bange voorgevoelens uit. Verbale plaagstoten, een petje dat van je hoofd gerukt wordt en dat je vervolgens nooit meer terug ziet, of nog erger. Het gebeurt, maar minder vaak dan we wellicht denken.

Julius Caesar dacht wellicht dat het wel mee zou vallen, op het moment dat de moordlustige senatoren hem omringden. Pas toen de messen zijn lichaam perforeerden en het leven langzaam wegvloeide, wist hij wat er aan de hand was. Maar toen was het al te laat.

Daarom mijd ik waar mogelijk samenscholingen. Daarom vind ik dat samenscholingen van meer dan vier personen verboden moeten worden, met onmiddellijke ingang. De avondklok moet weer ingevoerd worden, als groepjes onverlaten zich er niet aan houden, moeten ze uiteengejaagd worden door de Mobiele Eenheid, met wapenstok en traangas. Geen genade!

Zodat eenzame mensen, of mensen alleen, weer veilig over straat kunnen. Evenals ouden van dagen, en vrouwen alleen.

Als Julius Caesar samenscholingen had verboden, had hij allicht langer geleefd. Wie weet hoe de wereld er dan uitgezien zou hebben.

Je kunt natuurlijk ook gewoon een straatje omlopen, als je het niet vertrouwt. Zo kom je nog eens ergens anders, het is niet verkeerd soms van de vertrouwde paden af te wijken.

Misschien had de ouwe Juul dat ook beter kunnen doen, een straatje omlopen.

Hongerige ogen

 

Ritmisch en gestaag beuken de golven op de rotsen. Het lijkt bijna een liefkozing, zij het een hardhandige. Alsof de zee wil laten zien aan het land wie de baas is.

Er is geen ontsnapping voor de rotsen, gelaten ondergaan ze hun lot. Langzaam afbrokkelend, tot er niets meer van over is. Niets meer dan zand, aangespoeld op het strand.

Golf na golf rolt het strand op. Net als de ene golf terug wil keren naar de zee, komt de volgende er al aan. Ongedurig, ongeduldig en onstuitbaar.

Verderop is het kalm, op de open zee. Op het strand is het rustig, hier en daar zaten wat mensen. Even verderop oefende een jongleur, om klaar te zijn voor de zomer. We zochten en vonden een mooi plekje om te lunchen, met uitzicht op zee. Gratis en voor niets!

Ik pakte mijn lunch box, en pakte één van mijn zelf gesmeerde broodjes. Ik voelde twee paar hongerige ogen, gebiologeerd starend naar mijn broodje. Ik voelde de twijfel, ‘zal ik dichterbij gaan, of niet?’ Hij wilde dolgraag het broodje uit mijn handen grissen, maar miste het lef om het daadwerkelijk te doen. Of misschien was hij niet hongerig genoeg.

Ik liet me niet van de wijs brengen. Hap na hap verdween het broodje in mijn mond, op weg naar mijn maag. Het was lekker brood, ik was zelf zo mogelijk nóg hongeriger, en niet bepaald van plan te delen.

Eerst waren ze met z’n tweeën, zijn maat gaf het al snel op. Die had in de gaten dat er niets te halen viel! Maar hij liet zich niet van de wijs brengen. Zijn blik blééf gefixeerd op mijn broodje, ook toen de laatste hap in mijn keel verdween.

 

 

Na een slok water om het broodje weg te spoelen, pakte ik het tweede broodje. Mmm, net zo lekker. Vers brood, krakelend iedere keer als ik kauwde. De smaak van het brood, de boter en de gerookte Spaanse ham vermengden zich in mijn mond, mijn smaakpapillen kietelend.

De hongerige ogen bleven me aanstaren. Bijna wanhopig, nu ook dit tweede broodje dat zo overduidelijk heerlijk smaakte aan zijn neus voorbij dreigde te gaan.

Niet dat ik een sadist ben, die plezier beleeft aan het lijden van een ander levend wezen. Integendeel! Ik had het harder nodig dan hij, hij kon makkelijk elders aan de kost komen, zónder te schooien.

Uiteindelijk gaf hij het op. Uiteindelijk zag hij in, dat hier niets te halen viel. Uiteindelijk besefte hij, dat ik niet zou delen met hem.

Na een laatste, verontwaardigde blik ontvouwde hij zijn vleugels, en vloog weg.

 

Spring naar toolbar