Spring naar toolbar

Echte helden

Afbeelding van PublicDomainPictures via Pixabay

‘Zit niet in over mij’, schreef Hendrik Veeneman vanuit kamp Vught aan zijn gezin. Hendrik Veeneman zat in het kamp, omdat hij als waarnemend burgemeester van Son en Breugel niemand aan wilde wijzen voor dwangarbeid voor de bezetter. Hij werd gesommeerd om zich te melden in Vught, op 6 juli 1944 stapte hij op zijn fiets om naar het station in Best te gaan, om de rest van de reis per trein af te leggen.

Hij moet geweten hebben wat hem waarschijnlijk te wachten stond. Wat er door zijn hoofd ging, onderweg naar Vught, weet ik niet. Blije gedachten zullen het niet geweest zijn. ‘Ben je op tijd thuis voor het eten?’ vroeg zijn vrouw, voordat hij ging. ‘Natuurlijk’, had Hendrik geantwoord. De volgende dag zou hun zoon drie jaar worden. Zijn vrouw was op dat moment in verwachting van hun derde kind, een dochter die haar vader nooit zou zien. Uiteindelijk kwam Hendrik terecht in Mauthausen in Oostenrijk, waar hij op 24 april 1945 bezweek, kort voor het einde van de oorlog.

Ondanks de verschrikkingen die Henk ongetwijfeld meegemaakt zal hebben in de kampen stuurde hij optimistische berichten naar zijn gezin, om ze gerust te stellen. Of hij zijn principiële keuze betreurd heeft, we kunnen het hem niet vragen. Afgaand op de verhalen die over hem verteld worden, waag ik het te betwijfelen. Dat hij de ultieme prijs heeft betaald, een vreselijk hoge, dat is zeker.

Weten wat je te wachten staat, dat je afscheid moet nemen van alles dat je lief is, dat je het niet zult overleven, en toch zo’n keuze maken, dat maakt je een held. We hebben helden nodig, om te bewonderen, om tegenop te kijken, om te dienen als voorbeeld. Mensen die iets uitzonderlijks presteren verdienen zeker waardering. Ze inspireren, geven moed om vol te houden en wijzen ons de weg, als we die zelf een beetje kwijtgeraakt zijn.

Voetballers, atleten en acteurs worden vereerd als helden, soms krijgen ze een bijna goddelijke status. Hoe goed ze ook zijn, hoe charismatisch of aantrekkelijk ze ook moge zijn, hoezeer ze zich inzetten voor goede doelen, het maakt ze geen helden. Als je offers brengt, willens en wetens, en toch volhoudt, zoals Hendrik Veeneman, dan ben je pas een echte held.

Of het een troost is voor Lisette Veeneman, die geboren werd toen haar vader in Vught zat en negen maanden oud was toen hij overleed, weet ik niet. Ik hoop van wel.

Spinnen zijn monsters

Fotograaf: Gineke de Laat

Ineens zag ik ze, drie joekels van spinnen, tegen de muur waar ik een hoop planken tegenaan had staan. Toen ik de planken weghaalde, kwamen ze tevoorschijn. De spinnen bewogen niet, alsof er niets aan de hand was bleven ze zitten. Even later was er één weg, opgegeten of gevlucht, ik weet het niet. Spinnen zijn voor veel mensen enge beesten, monsters zijn het! Dankbaar maken makers van horrorfilms of -boeken gebruik van de angst die veel mensen voor deze beestjes hebben. Ze zien er zo anders uit, ‘alien’ bijna, met hun acht poten en acht ogen. Lange, dunne poten, harige lijven en monsterlijke kaken, als je ze uitvergroot ziet. Het is om bang van te worden.

Hoe gevaarlijk ze ook ogen, de meeste spinnen zijn het niet. Spinnen zo groot als die in de Lord of the Rings trilogie zijn er gelukkig niet, anders was het een ander verhaal. Sommige spinnen zijn wel gevaarlijk, die zijn uiterst giftig. Al komen fatale spinnenbeten zelden voor, sowieso niet in Nederland, waar geen spinnen voorkomen die giftig zijn voor de mens.

Spinnen, ze lijken slachtoffer te zijn van een slechte publiciteitscampagne. Ze hebben een slechte reputatie, veel mensen zijn bang voor ze en durven ze niet aan te raken. Spinnen zijn uiterst nuttig, veel insecten waarvan we niet eens weet hebben dat ze in onze huizen rondwaren worden door spinnen gevangen. De webben die spinnen bouwen, zijn kunstwerken op zich. Perfect symmetrisch, en gemaakt van ongelooflijk sterke zijde, die de mens niet na kan maken. De natuur overtreffen of zelfs evenaren, is soms moeilijker dan het lijkt.

Natuurlijk, het is vervelend als je een spinnenweb in je gezicht krijgt, als je even niet uitkijkt. Op drukbevaren routes houden de webben niet lang stand, in vergeten hoekjes floreren ze. Niet alle spinnen bouwen webben, sommige spinnen zoals de wolfspin besluipen hun prooi, net zoals een kat. Het zijn intelligente wezens, die uiterst precies de perfecte route uitrekenen om hun prooi te kunnen benaderen. Prooien, die wij nog minder graag zien als spinnen zelf, zoals zilvervisjes, muggen en vliegen.

Misschien jaag ik u de stuipen op het lijf: het schijnt dat er honderden spinnen door uw huis kruipen, terwijl u dit leest. Het zijn er zoveel, en ze zijn zo taai, weg krijgen we ze niet. Willen we dat ook wel, nuttig als ze zijn?

Spinnen zijn geen monsters, niet meer dan u of ik.

Paniek in de VS

Afbeelding van Shutterbug75 via Pixabay

Er heerst paniek in de VS. Het is vreselijk, het fundament van de beschaving staat onder druk, dreigt te worden weggevaagd. Niet vanwege overvolle IC-afdelingen. Niet vanwege het almaar stijgende aantal mensen die overleden zijn als gevolg van corona. Zelfs niet omdat alleskunner Trump aanraadt om jezelf te injecteren met ontsmettingsmiddel, tegen corona. Nee, het is erger. Véél erger.

De hamburgers dreigen op te raken. U leest het goed: het land van McDonald’s en Burger King, het mekka van fastfood, dreigt het zonder dat platte stukje vleesachtige substantie te moeten doen. Net nu het barbecueseizoen aanbreekt, dreigen de Amerikanen het te moeten doen zonder de halve koe op de barbecue, om het langzaam te laten garen. In het vleesland bij uitstek moet menig hamburgerrestaurant het zonder doen, de supermarkten stellen een maximum in aan de hoeveelheid vlees die iedere klant mag kopen. Of ze willen of niet, tot augustus moeten de Amerikanen op dieet. Het zal wennen zijn!

Wat is de reden? Amerika is het land van onbegrensde mogelijkheden. Je kunt het ver schoppen, van krantenjongen tot mediamagnaat. Dat is slechts voor een enkeling weggelegd, de meeste Amerikanen moeten hard werken om het hoofd boven water te houden. Immers, geen werk betekent geen inkomen. Geen eten, geen dak boven je hoofd en al helemaal geen ziektekostenverzekering. Dan pak je alles aan wat je kunt, ook werk in een vleesverwerkingsfabriek, waar je schouder aan schouder staat met je al even laagbetaalde lotgenoten. Zonder enige bescherming, ziekmelden is er niet bij. Uit angst hun baan (en dus inkomen) te verliezen, werken de immigranten door. Met als gevolg dat het coronavirus vrij spel heeft, sommige slachterijen hebben onder druk van lokale overheden en vakbonden de deuren gesloten.

President Trump, betrokken als hij is, heeft de vleesverwerkers opgedragen te blijven draaien. Om dat doel te bereiken heeft hij een oude oorlogswet van stal gehaald, die de mogelijkheden beperkt om bedrijven aansprakelijk te houden als werknemers ziek worden of overlijden. Trump wil dat de vleesfabrikanten hun productie opschroeven. Volgens mij is hij bang het zonder zijn favoriete voedsel te moeten doen.

Om afstand te kunnen houden, en vanwege ziekteverzuim, draaien de slachthuizen maar op halve kracht. Goed nieuws voor de dieren, zou je denken. Niet helemaal, sommige boeren zijn ertoe overgegaan hun dieren te ruimen, nu de slachtcapaciteit is afgenomen.

Paniek omdat er minder vlees is, het is wat. Misschien eens een Vega burger proberen?

D’n contente mens

Door Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=24251045

Er zijn mensen die van drukte houden. Ze hebben reuring nodig, er moet wat te doen zijn, wat te beleven. Cafés, vol gezelligheid en muziek, en restaurants, een snelle hap of uitgebreid dineren. En terrassen, om naar de andere mensen te kunnen kijken, als ze al stil kunnen blijven zitten. Ergens naartoe, iets doen. Stilstand is voor hen achteruitgang.

Er zijn ook mensen die van rust houden. Grote mensenmassa’s, luide muziek, het is een marteling. Cafés, prima, maar dan als het niet te druk is, zodat je nog met elkaar kunt praten zonder stemverheffing. Restaurants, gezellig, maar dan wel met een rustgevende ambiance, en weer: niet te druk. Liever zijn ze in de natuur, luisterend naar vogels die zingen zoals ze gebekt zijn. Een hutje op de hei, dat klinkt voor deze mensen zo gek nog niet.

Het is een kwestie van twee uitersten, zo lijkt het. De drukke stad, of een rustig dorp. Zelf heb ik vrijwel mijn hele leven in de stad gewoond, nooit is het in me opgekomen dat ik iets anders zou willen. Ik ben een stadsmens, dacht ik, ik wil een supermarkt op loopafstand, het centrum en alle winkels binnen handbereik, ik wil mensen om me heen. Dat dácht ik. Want eigenlijk heb ik een hekel aan grote mensenmassa’s. Het klinkt gezellig, met z’n allen bij elkaar. Ik heb het meteen al gehad, zou het liefst gelijk rechtsomkeer maken. Maar om de stad te verlaten, dat ging me te ver.

Tot ik mijn lief ontmoette. Mijn lief, een rustige, lieve schat, die je echt niet gelukkig maakt tussen al dat beton en baksteen, in een flatje met een klein balkon (waar ik woonde) of in een huis zonder tuintje. Gehecht als ze is aan haar geliefde dorp, kwam het niet eens in me op om ook maar te proberen haar weg te halen uit haar natuurlijke omgeving. Dus werd deze stadsmens een dorpsmens.

Nu, als ik weer eens in de stad kom, weet ik niet hoe snel ik weer terug moet. Weg van die drukte, de herrie, de onrust. Terug naar mijn rustige dorp, waar ik weer tot rust kom. Waar ik, langzaam maar zeker, veranderd ben in een contente mens.

In Eersel staat een beeldje van d’n contente mens, op het marktplein. Zo’n beeld zou in elk dorp in Brabant moeten staan, als eerbetoon aan het mooie, heerlijke dorpsleven.

Vooruit dan, ook buiten Brabant.

Bevrijding – een moment van dankbaarheid

Afbeelding van Myriam Zilles via Pixabay

 

Het is jammer dat we er maar één keer per jaar stil bij staan. Dit jaar is het 75 jaar geleden, bijna net zo lang als een gemiddeld mensenleven. Voor we het weten, is er niemand meer in leven die het heeft meegemaakt, de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. De bezetting, de vernietigingskampen, het enorme verlies aan mensenlevens. Dat allemaal vanwege de grootheidswaanzin van Hitler en zijn trawanten, die zich onoverwinnelijk en onkwetsbaar achten. Gelukkig waren ze dat allesbehalve.

Ik ben dankbaar voor de vrijheid waarin in leef. Dankbaar dat ik mag gaan en staan waar ik wil, zij het niet in grote groepen. Dankbaar dat ik dit stukje mag schrijven, zonder te vrezen voor die klop op mijn deur, die een enkele reis naar een vernietigingskamp betekende. Of een langdurig verblijf in een cel, om te eindigen voor een vuurpeloton, ergens in de bossen. Dankbaar dat miljoenen soldaten van de geallieerden zich opgeofferd hebben voor die vrijheid, van de stranden van Normandië tot de oevers van de Wolga. Om niet te spreken over de vele verzetsstrijders, mensen zoals Hendrik Veeneman, waarnemend burgemeester van Son en Breugel, die omkwam in een kamp omdat hij geen mensen wilde leveren die moesten werken voor de Nazi’s. Waar ik misschien nog wel het meest dankbaar voor ben, is dat ik leef in een land dat al 75 jaar geen oorlog meer heeft gekend, niet hier in onze eigen rivierendelta.

Als je je probeert voor te stellen hoe het is om te leven in een land dat bezet wordt door een vreemde mogendheid met een waanzinnige, allesvernietigende ideologie, of hoe moedig de mensen geweest moeten zijn die zich daartegen verzetten, dan klaag je niet over lockdowns. Alleen onze bewegingsvrijheid is ingeperkt, maar niet geheel en op vrijwillige basis. Er is geen censuur als het gaat om nieuws, we kunnen tv kijken, series bingewatchen of elk boek lezen dat we willen. Iedereen is vrij om te zeggen of denken wat hij of zij wil, om te zijn wie hij of zij is. We hebben voedsel in overvloed, daar konden ze in de hongerwinter alleen maar van dromen.

We hebben genoeg om dankbaar voor te zijn, ook in deze bijzondere, uitdagende tijden. Hoewel elke vergelijking met de Tweede Wereldoorlog mank loopt, is er wel één overeenkomst. Op het moment dat het allemaal achter de rug is, een moment van dankbaarheid, zal het voelen als een bevrijding.

Een doffe knal

Afbeelding van Alexas_Fotos via Pixabay

Met een doffe knal stootte ik mijn hoofd. De knal dreunde secondenlang na in mijn hoofd, voordat ik kon reageren. Wat er gebeurd was? Het begon die middag, of eigenlijk daarvoor al. Onze stofzuiger begon mankementen te vertonen. Het volume nam straaljager-proporties aan, zonder dat het zuigvermogen toenam. Tot overmaat van ramp wilde het snoer niet meer automatisch oprollen. Dat was de druppel!

‘Zullen we gaan shoppen?’ vroeg mijn lief, toen de ergernis over de stofzuiger een hoogtepunt bereikt had. Dat hoeft ze sowieso maar één keer te vragen. Een bezoek aan het mini-warenhuis in het centrum van ons dorp leverde een blits, blauw model op. Vol verwachting snelden we naar huis, waar onze aanwinst al snel uit de verpakking gehaald was. Alle onderdelen waren aanwezig, het was eenvoudig in elkaar te zetten, ook zonder de handleiding te raadplegen (tja, wat kan ik zeggen, ik ben een man). Hij was klaar voor actie, het enige dat nog nodig was, was de stekker in het stopcontact doen. Vlug stak ik mijn hoofd om de hoek, deed de stekker erin en trok mijn hoofd even snel weer terug. ‘Doenk’ klonk de doffe knal, toen de deurstijl de terugtrekkende beweging van mijn hoofd ruw onderbrak. Even keek ik verdwaasd voor me uit, om vervolgens vrolijk verder te gaan, alsof er niets aan de hand was. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg mijn lief verschrikt, bij het zien van de ravage op mijn voorhoofd. ‘Je bloedt als een rund!’ Juist ja. Dat het geen handige actie was, wist ik zelf ook wel.

Ontkennen had geen zin, ik vertelde haar precies wat er gebeurd was. ‘O schatje!’, zei ze bezorgd. Met een pleister op de wonde was alles weer in orde, op mijn geschonden eer na. Tot ik mijn collega’s weer onder ogen moest komen. Vruchteloos zocht ik naar een geloofwaardig verhaal, spannende scenario’s van een heldhaftig afgeslagen aanval van een grote overmacht aan struikrovers waren bij voorbaat kansloos, in deze tijden van zelfisolatie en verlaten straten. Geen alternatief kwam in me op, alles wat ik had, was de waarheid. ‘Tegen de lamp gelopen’, probeerde ik nog. Kansloos was het.

Dat die doffe knal een litteken opleverde, vind ik niet erg. Iedereen doet wel eens onhandig, ik zeker. Dat ik er niet eens een mooi verhaal van kan maken, dat steekt!

Wat heb je aan een litteken, als je er niet eens een mooi, stoer verhaal over kunt vertellen?

Piraterij

Afbeelding van Felix Lichtenfeld via Pixabay

Denkt u bij het woord ‘piraterij’ ook aan mannen met woeste baarden, oorringen en hoeden met een veer? Ze landen met een zwierige zwaai op het dek, een sabel in de hand en een mes tussen de tanden. Dit romantische beeld past bij de piraten die in de 16e en 17e eeuw de Caribische Zee onveilig maakten, piraten zijn echter van alle tijden. In de oudheid hadden ze er al last van, in sommige gebieden maken nog steeds piraten de zeeën onveilig. Al bedienen ze zich van moderne schepen en automatische wapens, in plaats van pistolen en sabels.

Hun werkterrein beperkt zich allang niet meer tot zeeën en oceanen. Op het internet zijn ze ook te vinden, ze kapen pc’s, mobiele telefoons of computersystemen, in plaats van schepen. Langs slinkse wegen achterhalen ze onze wachtwoorden en/of pincodes, kraken de zwaarst beveiligde systemen en gaan er vandoor met hun buit. Nog steeds laten ze rokende puinhopen achter, een spoor van gezonken digitale schepen.

Er is een vorm van piraterij die begaan wordt door wezens die zo klein zijn, dat we ze met het blote oog niet kunnen zien. Ze zijn bezeten door de drang om hun genen door te geven aan volgende generaties, ze dringen de cellen van een gastheer binnen en dwingen de cel om hun eigen DNA te reproduceren. Met als gevolg dat hun gastheer ziek wordt. Het lijkt niet in het belang van het virus, maar hoe succesvoller een virus is in het vermenigvuldigen, hoe desastreuzer de gevolgen voor de gastheer.

Piraterij, je komt er nooit vanaf. Als veel oplevert, zijn er altijd wel opportunisten die hun kans wagen, hoe groot ook het risico. Sommigen eindigen aan de galg of in het gevang, anderen worden schathemeltje rijk. Als helden worden ze ingehaald, in mijn jeugd zongen we nog over Piet Hein en menig kind had een zilvervlootrekening. Standbeelden werden opgericht, mooie huizen werden neergezet van de opbrengsten.

Steden als Amsterdam, Londen en Parijs staan vol met prachtige gebouwen, gebouwd met de inkomsten van schatten, geroofd uit voormalige koloniën, dat kun je ook als een vorm van piraterij zien. Er zit dus ook een mooie kant aan piraterij, al is die niet voor iedereen zichtbaar en niet voor iedereen mooi. Zoals in het geval van het coronavirus, al stelt dat ons wellicht in staat onze maatschappij en onze manier van leven opnieuw in te richten.

Piraterij, is het een zegen of een vloek? Misschien wel allebei.

Buikdansen

Afbeelding van Silke Schäfer via Pixabay

Voorzichtig deed ik de deur open, en keek naar binnen. Mijn lief heeft sinds kort een nieuwe passie, naast mij. Zachtjes wiegden haar heupen naar links en naar rechts, zonder dat haar schouders meebewogen. Dat is makkelijker geschreven dan gedaan, zoals ik even later aan den lijve ondervond. ‘Sorry, ik wilde je niet storen’, zei ik. Voordat ik de deur weer dicht kon doen, zei mijn lief: ‘Wil je meedoen?’. Het zag er prachtig uit, aanstekelijk zelfs. Zonder iets te zeggen ging ik achter haar staan, en probeerde haar na te doen. Probeerde. Zo eenvoudig als het eruit ziet als je ernaar kijkt, zo lastig is het om te doen. Hoofd stil, schouders ook, de heupen al wiegend. Ik geef het u te doen. Of met de buik achtjes draaien, zonder verder iets te bewegen.

Mijn lief is begonnen met buikdansen. Buikdansen? Is dat leuk? Jazeker! Het is sowieso leuk om het enthousiasme van die lieve stuiterbal van me te zien, met blinkende ogen die me vol passie aankijken. Met een brede lach op haar gezicht, die ze niet kan onderdrukken, als ze dat al zou willen. Met een swing in haar stap, nog gracieuzer en lieflijk als ze al was. Het is ook nog eens goed voor haar, niet alleen is het een goede manier van lichaamsbeweging, het traint ook nog eens de buik- en andere spieren. Menig bierbuik die met wellustige blik naar buikdansers kijkt heeft meer buik dan de danseres, maar daar zit veel minder beweging in. Hoewel de buiken in kwestie het wel kunnen gebruiken.

Het is opmerkelijk hoe verschillend gereageerd wordt, als mijn lief vertelt over haar nieuwe passie. Sommigen van u zullen wellicht ook denken dat het gaat om een erotische dans, bedoeld om mannen op te winden. Al is daar in veel gevallen niet veel voor nodig. Bij buikdansen gaat het om andere dingen. Het gaat om sensualiteit, om gracieuze bewegingen, om elegantie en om vrijheid. ‘Ik voel me meer vrouw’, zegt mijn lief. Voor mij is ze een en al vrouw, ook al is ze wars van rode lippenstift, hoge hakken en parfum. Als ik haar zie buikdansen, begrijp ik wat ze bedoelt. Het is meer sensualiteit dan seksualiteit, meer elegantie dan erotiek, meer gratie dan begeerte.

Ik kijk in elk geval met grote bewondering naar mijn lief, dan krijg ik zin om weer mee te doen. Al weet ik niet of het zo sensueel of gracieus eruit zal zien, die dansende buik van mij.

Nobelprijs

Born: Pixabay.com

Wie ook de reclamecampagnes van het bekende biermerk uit het Brabantse Lieshout bedenkt, hij of zij verdient een loonsverhoging. De bierbrouwer heeft het Brabantse volksfeest carnaval genomineerd voor de nobelprijs voor de vrede. Uiteraard is dit een reclamestunt, alleen personen en organisaties kunnen worden voorgedragen. Het is wel een briljante stunt, het doel wordt bereikt: meer publiciteit. Het bier wordt er niet lekkerder van, een kniesoor die daar op let.

Je ziet ze overal in het Brabantse, reclameposters met een lachende malloot met een vleeskleurige badmuts op zijn hoofd, met de naam van het dorp of de stad waar de poster hangt. Niet de normale naam, die mensen van boven de rivieren ook kennen (al is het van de atlas, of Google Maps), maar de carnavalsnaam, waarvan de oorsprong niet altijd duidelijk is. Ieder jaar worden alle dorpen en steden omgedoopt en dragen ze vijf dagen lang hun carnavalsnaam, worden de sleutels overgedragen aan Prins Carnaval en gaat iedereen los.

Nou ja, iedereen. Ik vraag me soms wel eens af of ik wel een echte Brabander ben. Koffie drink ik zelden, worstenbrood vind ik dan wel lekker, maar carnaval? Nee, daar houd ik me verre van. Niet vanwege de busladingen van boven de rivieren, die denken dat het tijdens carnaval gaat om zuipen en vrouwen lastigvallen. Of vanwege bezopen Brabanders, die hetzelfde denken. Zelf drink ik, wel met mate. Hossen en hoempapamuziek, ik heb er gewoon niets mee. Je kunt alleen aan mijn zachte ‘g’ horen dat ik uit Brabant kom.

Carnaval is meer dan drank en ‘foute’ muziek, het is meer dan even met z’n allen uit je dak gaan, voor we veertig dagen vasten.  Al wordt het vasten tegenwoordig overgeslagen, het feestje van tevoren gaat gewoon door. Een feestje waarbij mensen een transformatie lijken te ondergaan, evenals hun woonplaats. Menigeen houdt het bij een kiel of lange jas, sommigen maken echt werk van hun kostuum, met een ludieke gedachte erachter.

Het idee om carnaval te nomineren lijkt onzinnig, het blijft natuurlijk een reclamestunt. Carnaval verbroedert, het verbroedert de deelnemers, maar ook degenen die niet deelnemen. Voor de eersten vervagen alle tegenstellingen in een waas van bier en confetti, de laatsten worden verenigd in hun verbazing over al die gekkigheid, op een stokje.

De nobelprijs voor de vrede zal carnaval niet krijgen. De nobelprijs voor originaliteit verdienden de bedenkers van deze campagne in elk geval wel.

Klassieker versus eenheidsworst

Afbeelding van M-ART-IJN via Pixabay

Ik ben geen autoliefhebber. Ik ben niet iemand die zij vehikel een naam geeft (liefst vrouwelijk), iemand die pas leeft als de wereld in een vage, kleurrijke veeg langs hem heen snelt. Iemand voor wie zijn bolide als een verlengstuk van zijn lichaam is, een opvulling van een lege plek. Voor mij is mijn auto een vervoermiddel dat me van A naar B brengt, liefst zonder tegen te sputteren en zonder te haperen.

Dat wil niet zeggen dat ik niet graag naar auto’s kijk. Het is wonderlijk hoe de een gehaast is en alleen maar sneller en sneller lijk te willen gaan, de ander tuft vrolijk en onverstoorbaar door, in zijn eigen tempo. Misschien is het wel omdat ik niet het oog van een liefhebber heb, auto’s lijken steeds meer op elkaar, ongeacht het merk. Natuurlijk, er is een duidelijk verschil tussen grote en kleine auto’s; binnen de specifieke segmenten zijn de verschillen klein, en is het moeilijker de verschillende merken van elkaar te onderscheiden. Als je niet naar de emblemen kijkt, tenminste.

Zo ben ik erin geslaagd om bijna een hele vakantie lang mezelf wijs te maken dat de auto waarin we het Griekse eiland Rhodos doorkruisten een Peugeot 107 was, terwijl het toch echt een Citroën C1 was, wat duidelijk te zien was middels het embleem op het stuur. Waar mijn reisgenoot me lachend op wees.

Het is eenheidsworst, met het merkembleem als keurmerk. Ook qua kleuren is er weinig verschil, de meeste auto’s zijn zwart, donkerblauw of verschillende tinten grijs.  Ze vliegen als een grijze, grauwe flits aan je voorbij op de snelweg. De uitzonderingen, auto’s met een afwijkende kleur, vallen des te meer op. Ook oude auto’s vallen ook steeds meer op. Niet alleen omdat ze zeldzamer worden, de meeste exemplaren zijn afgevoerd naar andere oorden of verwerkt tot blikjes. Ook omdat het ontwerp en de vormen afwijken.

Laatst zag ik onderweg een auto Ford escort, zilvergrijs. Ik schat dat de auto ergens in de jaren ’80 gebouwd is, zeker weten doe ik het niet. De auto schoot me voorbij, de motor deed het nog prima, zo te zien. Het was misschien niet de mooiste auto die ik ooit gezien heb, het deed mijn ogen plezier een klassieker te zien, te midden van al die eenheidsworsten.

Het is ontnuchterend om te bedenken dat er een tijd was, waarin klassiekers juist eenheidsworsten waren. Het is dus een kwestie van geduld, tot de eenheidsworsten van vandaag klassiekers geworden zijn.