Merel-kerel

blackbird-3249123_1920
Bron: Pixabay.com

Parmantig hupt hij over het grasveldje, vlak voor onze neus. Zijn gele snavel steekt perfect af tegen zijn zwarte verenkleed. Met een schuin oog kijkt hij ons aan, alsof hij wil vragen: ‘Wat doen jullie hier?’

‘Kijken naar de schuimkoppen op de zee, luisteren naar het geluid van de branding en ons laven aan het zonlicht, dat af en toe dapper door het wolkendek breekt’, antwoord ik hem.

Hij lijkt genoegen te nemen met mijn antwoord, de merel-kerel, hij hupt weer verder. Het is een vreemd idee, dat dit kleine, sierlijke wezen afstamt van de dinosauriërs, waarvan sommigen ook op twee benen liepen (en veren hadden). Ik probeer me voor te stellen hoe dat er uit zou zien, als zo’n groot monster rond zou huppelen, net als een vogel.

De merel is zich niet bewust van deze overpeinzingen, hij steekt zijn snavel in het gras, op zoek naar een worm of insect. Aan de rand van het grasveld rommelt hij wat tussen de gevallen bladeren, op zoek naar iets eetbaars. Een zoektocht, die hij zijn leven lang vol zal moeten houden.

Weer kijkt hij om zich heen, alert op gevaar. Dan ziet hij een rivaal, op een paar meter afstand. De brutaliteit! Hij vliegt erop af, ze dansen om een struik heen, de indringer probeert de eigenaar te ontwijken. Al snel ziet de indringer in dat hij niet met rust gelaten zal worden, hij gaat ervandoor. Zonder fysiek geweld wordt het opgelost.

Verder niets te zien? Hij stijgt op en vliegt naar een olijfboom, die op een paar meter afstand staat. Hij heft een lied aan, ik heb geen idee waar het over gaat. Allicht is het een ‘saudade’, een lied van weemoed en hartstocht, van nostalgie en verlies.

Of het is een lied van verlangen, een oproep aan alle aanwezige merel-meiden. Een aankondiging die wil zeggen: hier ben ik! Ik ben beschikbaar!

Het is de Tinder equivalent van de merels, een contactadvertentie in de trant van: prachtige merel-kerel, goed in de veren, in de kracht van zijn leven, zoekt merelin voor lange, romantische huppeltochten langs het strand en zwoele avonden en – nachten.

De dames horen de liederen aan van op een afstand, en swipen vervolgens naar links of naar rechts, al naar gelang het lied in kwestie hen bevalt of niet.

Na afloop van zijn lied vliegt onze merel-kerel weer weg. Op zoek naar groenere wieden, sappige wormen en lekkere meiden. Succes kerel!

Tsjakka!

Bron: Pixabay.com

Ik stel me zo voor dat Emile Ratelband elke ochtend als hij voor de spiegel staat denkt: ‘Tsjakka!’ ‘Ik heb er zin in!’ Je bent positiviteitsgoeroe, of je bent het niet. Zou hij bij het kijken in de spiegel denken: ‘Ik zie er uit als een jonge vent, ik voel me echt geen zestiger!’ Hij voelt zich jonger dan zijn kalenderleeftijd, dat moge duidelijk zijn.

Heb ik ook wel eens, als ik goed uitgeslapen ben. Totdat ik een krachtsinspanning moet leveren, steevast gepaard gaand met een oudemannenzucht. Ontkennen heeft geen zin, de tijd gaat maar in één richting.

Dat weet Emile ongetwijfeld ook. Desondanks heeft hij een rechtszaak aangespannen om zijn geboortedatum 20 jaar op te schuiven, van 11 maart 1949 naar 11 maart 1969. Is-ie in één klap jonger dan ik!

Het is mogelijk je naam te veranderen tegenwoordig, of je geslacht. Hoogste tijd volgens onze zelfbenoemde entertrainer dat je ook je geboortedatum moet kunnen veranderen. Logisch, dat is toch helemaal hetzelfde?

Emile voelt zich gediscrimineerd. Hij ziet zich als pionier, hij is ervan overtuigd dat duizenden mensen zijn voorbeeld zullen volgen. Dat Emile de eerste is, althans in de gemeente Arnhem, doet niet ter zake.

Emile voelt zich, nee IS een jonge god. Het feit dat hij AOW ontvangt is daarmee in tegenspraak, maar die AOW wil hij helemaal niet ontvangen. ‘Dat geeft me het gevoel dat ik heb afgedaan’. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Als zijn geboortedatum wordt aangepast, is de overheid goedkoper uit, én Emile’s pensioenfonds. Een steekhoudend argument, zou je zeggen.

Een argument waar de rechter het juist niet mee eens was. Dat leeftijd deel uitmaakt van iemands identiteit, daar wilde de rechter nog wel in meegaan. Maar er kleven ook rechten en plichten aan, zoals het recht op AOW, en de verplichte keuring voor ouderen om auto te mogen rijden. Het argument van Emile dat het leeftijdsdiscriminatie zou voorkomen vond de rechter onvoldoende onderbouwd. Emile was blij met de uitspraak: ‘Er zijn genoeg gaten om in hoger beroep te gaan, want we hebben het over de Zeitgeist, over emotie en gevoel. Dus ik denk dat ik nog eens heel goed met mijn advocaat moet overleggen en dan gaan we heel snel in hoger beroep.’ NOS 3 december 2018

Je zou geneigd zijn te denken dat hij helemaal gek is geworden. Dat hij alle besef van de realiteit uit het oog is verloren. Wie wil er niet 20 jaar jonger zijn? Als je boven de 40 bent, tenminste. Maar helaas, we mogen de klok maar één uur terugdraaien eind oktober, niet 20 jaar.

Je zou kunnen denken dat het een publiciteitsstunt is van een mediageile oude bok, Als ik de foto van Emile bekijk, zie ik een oude man van bijna 70, geen jonge god van bijna 50. Dan zie ik een opa, geen vitale oudere jongere. Misschien moet ik eens naar Eyewish, of is het Eyelove?

Dat is het niet. Natuurlijk meent Emile het niet serieus. Natuurlijk wil hij die 20 jaar niet uitwissen. Natuurlijk weet hij dat het niets zal veranderen, zelfs al zou het lukken. Daar gaat het ook niet om.

Emile is een komiek, een komediant. De grootste grapjas aller tijden, de leukste man van Nederland. Leuker dan Paul de Leeuw of André van Duin, leuker zelfs dan Youp van ’t Hek. Bijna.

Iedere keer als iemand om hem lacht, als iemand zegt of schrijft hoe belachelijk het is, hoe idioot of van de pot gerukt, lacht Emile in zijn vuistje. Zijn doel is bereikt: hij heeft ons aan het lachen gekregen.

Het is gewoon een goede grap. Emile bedacht het op een ochtend in de spiegel keek, en de spiegel zei: ‘Tsjakka!’

Sinterklaas, wie kent hem niet?

saint-nicholas-2965161_1280
Bron: Pixabay.com

“Sinterklaas, wie kent hem niet? Sinterklaas, Sinterklaas en natuurlijk Zwarte Piet’ zong Het Goede Doel begin jaren ’80. Sinterklaas, ooit een kinderfeest waar jong én oud van kon genieten, nu ieder jaar het mikpunt van controverse. Nog vóór de pepernoten in de winkel liggen.

Aan de ene kant staan de tegenstanders van Zwarte Piet, die Zwarte Piet racistisch vinden.  Zwarte Piet ziet er uit als een personage uit het vroege werk van striptekenaars als Hergé of Van der Steen. Lees: ‘Kuifje in Afrika’ of ‘De vliegende aap’ maar eens.

Door onze 21ste -eeuwse bril ziet Zwarte Piet er inderdaad uit als een fout stereotype, als een symbool van slavernij en racisme. Zwarte Piet is een samenraapsel van allerlei uiteenlopende tradities, die soms eeuwen terug gaan, tot heidense tijden. Het was toen de gewoonte om gezichten zwart te maken rond de jaarwisseling, aldus Arnold-Jan Scheer in de Volkskrant van 15 oktober 2018.

Traditie, dat is ook waar de voorstanders van Zwarte Piet zich op beroepen. Het is traditie dat Zwarte Piet zwart is, dat is altijd zo geweest. Dus moet het ook zo blijven, vinden ze.

Het is niet altijd zo geweest, het is zo gegroeid. Ook al is iets traditie, dat wil niet per se zeggen dat het zo moet blijven. Ooit waren zogenoemde kwelspelen als ganstrekken, palingtrekken en katknuppelen een populaire traditie. Zonder verdere uitleg zult u wel een idee hebben wat deze spellen inhielden, en waarom ze niet voorgezet zouden moeten worden, of nieuw leven ingeblazen.

Of Zwarte Piet zwart is, met of zonder roetveeg of pimpelpaars met witte stippen, het maakt niet uit. Iedereen heeft een mening, en mag die ook uiten. Hoe onzinnig die mening ook mag zijn, we leven immers in een vrij land.

Let’s agree to disagree. Ieder zijn mening, met respect voor de ander. Zo luid mogelijk jóúw mening uitschreeuwen, zonder te luisteren naar de ander, dat is geen discussie. Het begint meer op een burgeroorlog te lijken, zoals Saskia Noort constateert.

Als ik terug denk aan mijn jeugd, herinner ik me vooral mijn vol verwachting kloppende hartje. Wat mij bezig hield, is wat voor cadeaus en met name hoeveel de Sint mee zou brengen.

Wat mij niet bezighield, was hoe Sint en Piet het voor elkaar kregen onze schoenen te vullen, bij gebrek aan een schoorsteen. Het viel niet op dat mijn vader ineens verdwenen was, vlak voordat er hard geklopt, zacht geklopt werd op de voordeur, waar als bij magie een wasmand vol met cadeaus stond. Dat mijn vader even daarna weer verscheen, viel evenmin op.

Laat staan dat ik me interesseerde welke kleur Piet had. Of waarom hij zwart was, of waarom de Goedheiligman per (stoom)boot kwam, hoewel er ook toen al een goede vliegverbinding was tussen Nederland en Spanje.

De gretigheid om cadeaus te krijgen, de glunderende kindergezichtjes als ze de cadeaus uitpakken, dat is waar het nog steeds om gaat. Hebzucht, inhaligheid, onbegrensd consumerisme. Zo was het toen, zo is het nu nog.

Sinterklaas, wie kent hem niet? De grote kindervriend, beschermheilige van kinderen, kooplieden en gevangenen (onder meer). De grote verleider, die ons aanspoort om vooral méér te consumeren, meer en duurdere cadeaus te kopen. En natuurlijk Zwarte Piet.

Grijze wolken

gray-clouds-718177_1920
Bron: pixabay.com

Er zijn van die dagen dat als je niet zo weten welk seizoen het is, je gemakkelijk zou kunnen denken dat het herfst is. Of zelfs winter. In de herfst kan het ook zonnig zijn, zelfs (relatief) warm. Maar niet vandaag.

Grijze wolken hangen als een zware deken over ons heen. De hele dag valt de regen, zachtjes maar gestaag. Onophoudelijk en niet te stuiten daalt de regen op ons neer. Niet met bakken tegelijk, de hemelsluizen staan slechts op een kiertje. Als je maar lang genoeg in deze regen loopt wordt je toch wel nat. En koud!

Een paraplu biedt enig soelaas, zolang de wind er geen vat op krijgt. Als die wind nou maar de grijze wolken zou verdrijven, een smal, dun zonnestraaltje dat door de wolken heen prikt en zachtjes het landschap kust zou wel erg welkom zijn.

Helaas, de wind voert alleen maar nieuwe wolken aan, de een nog grijzer en dikker dan de ander. Soms kun je nog enige vorm herkennen in de wolken, maar nu is het één dikke, grijze en ondoordringbare massa. De bomen zijn al aardig kaal, ze strekken hun takken uit naar de hemel. Net als wij verlangen zij naar de zon, naar een beetje warmte. En droogte.

Mensen schuilen onder hun paraplu’s. Ze wagen zich alleen buiten op een dag als deze als het echt moet, boodschappen doen, naar het werk of de hond uitlaten. Die arme beestjes hebben het zwaar, geen paraplu om hun droog te houden en met al die regen valt er weinig te snuffelen. In de auto zit je tenminste nog droog, maar op de fiets zijn de mensen onherkenbaar, weggedoken in regenpakken. Dan moet je wel echt een bikkel zijn, om toch door wind en regen op de fiets te gaan.

Op perrons en bij bushaltes zie je de mensen wegduiken, hopend een plekje te vinden waar het droog blijft. Zolang er geen wind is, of die de andere kant opwaait, lukt dat wel. Maar dan komt er een natte vlaag, die je nog onder het dak van het perron of de bushalte weet te vinden. Met een feilloze doeltreffendheid waar menig bloedhond jaloers op zou kunnen worden.

Alles in ons schreeuwt om een eind aan die eindeloze regen, een beetje zon. Hopend dat de zon spoedig weer terugkeert, vrezend dat ze dat niet zal doen.

Klagen over het weer doen we allemaal, hoe weinig het ook uitmaakt. Het lucht in elk geval op!

Enfin, morgen beter hopen we dan maar. Ik durf even niet naar de weersvoorspelling te kijken.

 

Foute opmerking

Het is een gênant moment. Een compleet foute opmerking, bijna #MeToo waardig. Het is eruit voor ik er erg in had. De dame tegen wie ik het zeg, doet gelukkig alsof haar neus bloedt. Het lijkt alsof ik er mee wegkom!

Het gekke is, ik ben helemaal niet zo van ‘grab ‘m by the pussy’. Integendeel! Ik heb groot respect voor vrouwen, al voor dat het mode werd.

Ik ben ook weer niet vies van dubbelzinnige opmerkingen, a dirty mind is tenslotte a joy forever. Al geldt hetzelfde als voor alcohol: met mate.

Nietsvermoedend loop ik de Blokker binnen, op zoek naar kersverlichting die in de aanbieding is. Twee schappen met een identieke omschrijving, de ene leeg, de andere niet. Ik kijk om me heen, op zoek naar een personeelslid dat me uit de brand kan helpen. Welke is de goede?

Niemand te zien, natuurlijk. Achter de kassa staat een leuke jongedame, niet dat ik daar op let. Ahem. Enfin, dan maar naar de kassa. Ik neem twee dozen kerstverlichting mee, in de hoop dat dit de goede zijn. Ondanks de duidelijke instructies die ik van thuis heb meegekregen, heerst er nog enige twijfel. Vooral gevoed door het gegeven dat ik niet nóg eens naar de Blokker wil.

Er staan twee wachtenden voor me. Ik bereid me mentaal voor op een lange wachttijd, als ik in een winkel in de rij ga staan, is het steevast de verkeerde. Als het gaat om de rij die het snelst gaat, moet je niet in de rij gaan staan waar ik sta.

Voor ik het weet, is de dame die vooraan staat al klaar, de spullen in haar tas gepakt. De dame achter haar zegt quasi-verontschuldigend: ‘Ik hoor bij haar!’ Alsof ik dat erg zou vinden. Ik schuif naar voren en vraag wat het verschil is tussen de twee producten met dezelfde omschrijving, waarvan het ene schap dus leeg is. ‘Ik weet niet’, zegt de kassajuffrouw, ‘Misschien dat de ene met kleurtjes is? Deze zijn wit’. Opgelucht haal ik adem, ik heb de goede lichtjes uitgekozen.

Nu komt het. Mijn moment van schaamte. Ik had het hierbij kunnen laten. Ik had kunnen zeggen: ‘Dank je wel’, daarna afrekenen en wegwezen. Maar nee, wat bedenkt mijn Neanderthalerbrein? Welke briljante opmerking komt er over mijn lippen? ‘Ik zal hem even te voorschijn halen’, doelend op mijn bankpasje.

Ik hoor het mezelf zeggen, realiseer me meteen hoe fout het is. Enigszins bevreesd kijk ik naar de kassajuffrouw, die doet alsof ze niets gehoord heeft. Geen loeiende sirenes, geen politie die me meteen in de boeien sluit. Geen #MeToo schandaal.

Voortaan zal ik twee keer nadenken, voordat ik mijn mond open doe. Voorkomen is beter dan een foute opmerking!

Vreemdgaan

Foto: Pixabay.com
Foto: Pixabay.com

Ik ben er niet trots op. Schamen doe ik me evenmin. Ik durf het gewoon te schrijven: ik ben vreemd gegaan!

De gelegenheid kondigde zich ruim van te voren aan. Een tijd lang stond ik in dubio. Zal ik het doen, of toch maar niet? Heen en weer werd ik geslingerd, tussen verleiding en verstand. Stemmetjes in mijn hoofd, die zeiden: ‘Doe het! Ga er voor! Dit is je kans!’ andere stemmetjes die het tegenovergestelde zeiden: ‘Het is het niet waard! Waarom zou je?’

Op het laatste moment hakte ik de knoop door. Met gemengde gevoelens stap ik in de auto. Ver rijden is het niet, gelukkig. Er is te weinig tijd om van gedachten te veranderen.

Dat blijkt een illusie: met klamme handen pak ik de deurklink vast. Bijna glijdt die uit mijn handen! Met de nodige moeite en doorzettingsvermogen lukt het.

Een beetje bedeesd stap ik naar binnen, het is altijd even de weg vinden als je ergens voor het eerst komt. Al gauw zie ik degene zie ik zoek, die me wijst waar ik moet zijn.

Vóór ik het in de gaten heb, ben ik flink bezig, met een wildvreemde nog wel. We zijn niet alleen, niemand slaat acht op ons. Niemand kijkt zelfs maar op, daarvoor zijn ze zelf ook te druk bezig. De ruimte vult zich met kreten van enthousiasme, of teleurstelling. En zelfs een enkele kreun.

We doen zelfs verschillende rondjes, iedere keer stel ik me netjes voor. Ik ben goed opgevoed, tenslotte. Eerst kijk ik de kat uit de boom, al snel laat ik me gelden. Het is wonderlijk, al heb ik jarenlange ervaring en ben ik bepaald geen beginneling, ik zie veel nieuwe ‘moves’. Zo zie je maar, je bent nooit te oud om te leren!

Ik gooi alle schroom van me af, ik ga he-le-maal los! Ik ken mezelf niet meer terug, zo gereserveerd en bedeesd als ik normaal gesproken ben, zo losjes en soepel ben ik nu.

Tussen de rondjes door blazen we even uit, drinken wat. Tot mijn verbazing meng ik me in de gesprekken, ook iets wat ik niet snel doe.

Als het even niet lukt, wordt dat met de mantel der liefde bedekt. Iedereen maakt fouten. Het is een heerlijke avond, die veel te snel tot een eind komt.

Hoe vreemd het ook voelde voor het begon, zo goed voelt het nu. Als ik onder de douche sta, spoel ik alleen het onvermijdelijke zweet af, geen schaamte of teleurstelling.

Blij rij ik naar huis. ‘Hoe was het?’ vraagt mijn vrouw als ik binnenkom. Ik had het haar verteld, ze had geen bezwaar. ‘Leuk, gezellig!’ zeg ik, een ware spraakwaterval als altijd. ‘Voor herhaling vatbaar!’ voeg ik er aan toe.

Het voelde een beetje als vreemdgaan, vooraf. Achteraf ben ik blij dat ik gegaan ben! Het is best leuk, zo’n uitwisselingsavond met de badmintonclub.

Foto: Pixabay.com
Foto: Pixabay.com

Schuifelende voeten

Eerst heb ik het niet in de gaten. Ineens vallen ze op, schuifelende voeten die achter de mijne aan schuifelen. Geen staccato van hakkelende hoge hakken, geen zacht swaffelende schoenen, scharrelend op een onhoorbaar ritme. Het geluid was hard, snerpend, een beetje dreigend. Het is een vreemd geluid, dat zich krassend in mijn geheugen kerft.

Een golf van lichte paranoia gaat door me heen. Word ik achtervolgd? Loopt iemand achter me aan. Automatisch gaat mijn hand naar mijn portemonnee. Die zit veilig in mijn achterzak!

Waar komen die schuifelende voeten ineens vandaan? Waren ze er de hele tijd al? Gaan ze toevallig dezelfde kant op? Ik zet er eens flink de sokken in, kijken of ze me bij kunnen houden.

Ik sla linksaf, de bocht om. Even hoor ik ze niet, net als ik opgelucht adem wil halen, zijn ze er weer. Ik sla weer linksaf. De voeten volgen me. Ik sla rechtsaf. Nog steeds word ik gevolgd. Of ik harder ga lopen, of zachter, niets helpt.

Ik durf niet om te kijken. Mijn geestesoog maakt zich de meest verschrikkelijke voorstellingen van mijn achtervolger. Minstens twee meter hoog, met lang en vettig haar en lange, scherpe tanden en lange nagels, als klauwen.

Onder de genadeloos schijnende zon stijgt met de temperatuur ook mijn onrust. Nergens kan ik schuilen, nergens ben ik veilig. Links zie ik een doodlopende straat, zal ik die inslaan? Nee zeg, dan zit ik helemaal klem. Vluchten kan niet meer.

Verder gaat het, straat in, straat uit. Een bocht naar links, een bocht naar rechts. Een dame komt me tegemoet, ik wil haar waarschuwen. Slechts onverstaanbare klanken komen uit mijn keel, verschrikt loopt de dame snel verder, het onheil tegemoet.

Snel loop ik verder, ik durf niet te kijken. Ik hoor verder geen geluid, zou de dame veilig zijn? Vertwijfeld en vervuld van schaamte en schuld loop ik verder. Ik zie een supermarkt opdoemen, mijn bestemming. Zal ik verder lopen, of gewoon naar binnen gaan?

Opgaan in de massa lijkt me wel wat. Ik loop naar binnen, pak een mandje en loop verder de winkel in.

De schuifelende voeten lijken van de aardbodem verdwenen. Voeten en schoenen volop, in alle soorten en maten. Van hoge hakken tot piepende gympies, van elegant tot afgetrapt.

Ik kijk regelmatig om, zie ik mijn achtervolger nog ergens? Wie zou het kunnen zijn? Niemand wekt de indruk me te volgen, of ook maar in de verste verte in me geïnteresseerd te zijn.

Vlak voordat ik de supermarkt verlaat, zie ik hem zitten. Een zwerver, of moet ik zeggen iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats, zit aan een tafeltje koffie te drinken. Inderdaad, vettig haar en een slonzige, versleten jas, trui en dito broek. Blote voeten met lange nagels, maar geen klauwen.

Op de terugweg is het stil, achter me. Op de een of ander manier mis ik ze, die schuifelende voeten.

Moddergevecht

Daar sta ik dan, tot mijn knieën in de modder. Hoe ben ik hier in vredesnaam terecht gekomen? De vraag schiet door mijn hoofd, terwijl ik probeer mijn evenwicht te bewaren. Mijn evenwichtsgevoel is niet al te best, al sta ik stevig in mijn schoenen. Die schoenen zijn veilig opgeborgen in een kastje, op het droge. Mijn voeten proberen in weg te vinden in de glibberige modder, het minste of geringste brengt me aan het wankelen.

Voorzichtig zoeken mijn voeten een weg in het donkere, modderige water. Het lijkt overal even diep, maar het water is verraderlijk. Ineens is er een diepe put, lijkt het alsof de aarde onder je voeten verdwijnt, en lijk je weg te zinken. De ondergrond, als die er al is, biedt weinig houvast. Het is en blijft ploeteren!

Een smalle boomstam lijkt een uitweg te bieden. Hoog en droog ligt de stam over het water, de ene droge oever verbindend met de andere. Ik waag het er op, neem enkele wankele stappen en geef het plan op. Als je van de ene naar de andere kant wankelt, is de kans groot dat je in het water belandt. Mijn geluk kennende, op elegante wijze met mijn achterwerk in de lucht. Nee, dank u!

Achter ons klinken steeds luidere stemmen. De volgende groep is in aantocht, ongeduldig zijn ze. Ze willen vooruit, ze willen uit deze moddermassa. Dat wil ik óók, maar dan wel met overleg.

Met gemak banen ze zich een weg, waar ik aarzel. De boomstam is bepaald geen hindernis. Het zal aan mij liggen. Ik laat ze begaan, al gauw is de rust weergekeerd.

Met modder tussen onze tenen gaan we verder, het lijkt alsof ik zwarte laarzen aan heb over mijn melkwitte benen. Over harde zandpaden gaat het verder, paden gebakken in de ook deze dag genadeloos schijnende zon. De harde zandpaden voeren naar deze modderpoel, en naar de volgende, langs boomgaarden en prachtig aangelegde middeleeuwse en Romeinse tuin. De lucht is strakblauw, de wolken zijn op vakantie.

Dan volgt een pad, bekleed met stenen. Eerst kleine stenen, die steeds groter en groter worden. Een weldaad voor onze ontblote voeten. Het pad voert dwars door een andere poel, langs een gespannen touw. Het touw biedt nog enige houvast, als mijn voeten weer voorzichtig hun weg zoeken en een nieuwe modderlaag krijgen.

Het is een afwisselend pad, daar in Twello, op de grens van Gelderland en Overijssel. Een pad dat niet alleen langs modderpoelen en tuinen voert, maar ook door dichte bossen en struikgewas. Door hoog olifantsgras, waar je achter elke bocht een olifant of tijger verwacht. Waar stemmen klinken die ver weg lijkten te zijn, maar toch dichtbij. Waar het pad over een smal plankje voert, waar ik wel mijn evenwicht weet te bewaren.

Een pad, waar het eindpunt een mooi terrein is, een oase van rust, midden in de natuur. Hier kunnen we even bijkomen van ons moddergevecht.

Zombie

Als ik even opkijk, zie ik een zombie langs fietsen. Tergend langzaam fietst ze me voorbij, haar ogen gefixeerd op het kleine scherm voor haar neus. Ze fietst net snel genoeg om niet te vallen.

Een klein stukje verder buigt de weg scherp naar rechts. Daar is alleen het terrein van de plaatselijke voetbaltrots, vooral in het weekend het doelwit van voetbalpappa’s en –mamma’s, die hun nakomeling(en) afzetten of ophalen. En van liefhebbers die zelf graag tegen een balletje trappen, natuurlijk.

De bocht was tot voor kort een gevaar. Het fietspad gaat rechtdoor, auto’s kunnen alleen rechtsaf of rechtsomkeer maken. Menig automobilist heeft wel eens een fietser over het hoofd gezien, die rechtdoor ging. Met alle noodlottige gevolgen van dien. De oplossing: een verkeersbord die de automobilisten er alert op moet maken dat er wel eens een fietser rechtdoor wil.

Het meisje fietst gestaag door, nog steeds in bedaard tempo. Langzaam maar zeker komt de bocht dichterbij. Net als ik denk ‘schiet maar op, dadelijk komt er een auto aan’, komt er dus een auto aan.

De automobilist lijkt aanstalten te maken om de zombie in te halen, en nog voor haar rechtsaf te slaan. Ik houd mijn adem in, het zal toch niet?

Inderdaad, het zal niet. De automobilist remt op tijd af, de zombie slaagt er zowaar in niet uit de bocht te vliegen, met enig kunst en vliegwerk, haar ogen nog steeds als vastgelijmd aan het kleine scherm.

Het lijkt alsof de rest van de wereld niet bestaat voor haar, niet meer is dan achtergrondgeluid. Een vage ruis, ergens ver weg. Wat is er zo belangrijk dat ze ziet op dat kleine, felverlichte scherm, dat ze de rest van de wereld vergeet? Dat ze geen acht slaat op de prachtige wolkenhemel boven haar, of op het verkeer om haar heen?

Is ze aan het snapchatten met haar vriendinnen? Of met haar vriendje? Is snapchatten nog populair onder de jeugd van tegenwoordig? Had ik maar kinderen, dan kon ik het ze vragen. Waarop ze me ongetwijfeld met een wanhopige blik aan zouden kijken, hun ogen ten hemel zouden slaan om te verzuchten: ‘pap!’ Nee, een hippe, moderne vader zou ik niet zijn geweest, denk ik.

De auto staat nog steeds stil. Dan komt er een jongen aangelopen, van de school iets verderop. Hij stapt in, zijn vader keert de auto en rijdt weg, in de tegenovergestelde richting.

De zombie stopt bij haar huis, net op de hoek, een stukje verderop. Ze haalt zowaar even haar ogen van het schermpje. Even, net lang genoeg om de poort te openen en haar fiets weg te zetten. ‘Dag schat!’ zal haar moeder gezegd hebben, ‘Hoe was je dag?’ ‘Prima hoor’, zal de zombie geantwoord hebben. Om even later op de bank neer te ploffen, haar ogen weer gefixeerd op dat vermaledijde schermpje.

Een kwestie van leven en dood

Gisteren stonden ze nog fier overeind. Hoog, prachtig, groen gras, doorweven met delicate witte en gele bloeiende planten, op de weide onder het balkon van ons vakantiehuisje. Een lust voor het oog, het schoolvoorbeeld van een alpenweide. Het wachten was tot Heidi tevoorschijn zou komen, of Anton (die uit Tirol).

Heidi kwam niet, Anton evenmin. Ze zouden teleurgesteld zijn, bij de aanblik die de weide nu biedt. Schots en scheef liggen ze daar te drogen, de grashalmen en de bloemen.

Vandaag werd het anders. Een grote tractor kwam aangereden, met draaiende messen, al knippend en snijdend, om het gras zo laag mogelijk bij de grond af te snijden. De tractor liet een spoor van afgesneden halmen achter, quasi achteloos. De halmen hebben geen toekomst meer, geen perspectief. Alleen dat ze zullen drogen en tot hooi verworden, om te eindigen in de vier magen van hongerige koeien, de komende winter.

De ene helft van het weiland is gemaaid, de andere helft niet. Het contrast is scherp, de grens loopt precies door het midden, als een grens tussen leven en dood.

Vogels van allerlei pluimage hoppen over het gemaaide gras, op zoek naar andere slachtoffers, op zoek naar iets eetbaars. Ik stel me voor hoeveel leven er zich tussen het gras verborg, toen het nog naar de hemel probeerde te reiken. Bijen, hommels, vlinders en andere insecten zoemden voortdurend af en aan bij de bloemen, op zoek naar pollen en honing. Wat wemelde er verder nog tussen het gras? Hebben die wezentjes op tijd weten te ontsnappen aan de genadeloze messen van de tractor? Ik hoop het maar van wel.

Naarstig zoeken de vogels, de snavels pikkend tussen de halmen, voor hen is het een buitenkans. Een kans om voedsel te bemachtigen, waar ze anders niet of niet zo makkelijk bij zouden kunnen. Nu ligt het voor het oprapen. De een zijn dood, de ander zijn brood. Zo is de natuur, al krijgt de natuur soms een helpende hand van de mens.

Ik wend mijn ogen af, ik kijk liever naar het hoge gras aan de andere kant, wuivend in de wind. Daar krijgt het leven nog alle ruimte, daar groeit en bloeit het naar hartenlust. Een zonnestraal breekt door de dikke wolken, en kust de gele bloemen. Zwaluwen vliegen over de weide, voor hen maakt het niet uit of het gras gemaaid is, of niet. Ze vliegen heen en weer, veranderen voortdurend van richting, hun prooi achterna.

Het leven gaat verder, het gras zal weer terug groeien, tot ongekende hoogte. Bloeiende planten zullen zicht weer tussen het gras nestelen, de bijen, hommels en vlinders zullen weer terugkeren. De natuur laat zich niet bedwingen, het leven vindt zijn eigen weg.

Hoe vaak de grasmaaier ook terug zal keren, de natuur veert iedere keer weer op. Dat is ook de bedoeling, het gras moet groeien. Het gras krijgt ook ruimte om te groeien, als het gemaaid is. Zo is de natuur, een eeuwige cirkel van groei en achteruitgang, van zaaien en oogsten, van leven en dood.

Spring naar toolbar