Bitterzoet

Afbeelding van Pexels via Pixabay

Bitterzoet zijn de herinneringen aan jou. Zoet, omdat er zoveel zijn. Zoet, omdat ze zo mooi zijn. Zoet, omdat ik ze altijd zal koesteren. Bitter, omdat er geen nieuwe herinneringen meer bij zullen komen. Nooit meer.

Overal zie ik dingen die me aan je herinneren. Het rookhoekje, ergens verstopt aan de zijkant of achterin, bij de sauna waar ik voorheen samen met jou kwam. En altijd even bij je ging zitten, als je weer even moest roken.

Of de rokerij op de luchthaven van Schiphol, een soort cilindervormige ruimte waar alle tabak junkies zich verzamelden, om nog gauw even een extra laagje teer aan te leggen voordat ze urenlang af moeten kicken, in het vliegtuig. Ook daar ging ik bij je staan, in de ruimte die blauw zag van de rook. Een stoomcabine is er niets bij.

Sloffen sigaretten gingen er in je reistas, het scheelde flink als je in bulk inkocht. Erg lang gingen ze niet mee. In de auto, ’s avonds op het balkon of op het terras, om de haverklap stak je er eentje op.

Had ik er iets van moeten zeggen? Een volwassen vent, die kan het toch wel voor zichzelf bepalen. Bovendien, als de smeekbedes om te stoppen van je moeder al niet hielpen, waarom dan wel van mij? Veranderen kan alleen als je dat zelf wil, niet omdat iemand anders het je oplegt of aanpraat.

Stoppen wilde je helemaal niet. Dat je verslaafd was, dat het beter was om te stoppen, wist je wel. Je probeerde het niet eens, je vond het wel prima zo. Je dacht het lot van de roker wel te kunnen ontlopen.

Pas toen het te laat was, lukte het om te stoppen. Makkelijk was het niet, om een gewoonte die je al decennia had af te leren. Maar het lukte.

Wat was je geschrokken, tot in elke vezel. Het vonnis was zwaar: kanker, in de longen. Een zwaar regime van chemo en bestraling onderging je, plus een operatie. Het leek te werken, je werd schoon verklaard.

Tot de dag dat je intense hoofdpijn kreeg, zomaar uit het niets. De kanker was terug, in je hoofd. Niets meer aan te doen, einde oefening.

De aftakeling ging langzaam, het einde kwam onverwacht. Maar niet voordat ik je kon zeggen wat je voor mij betekende, en altijd zult betekenen.

Bitterzoet zijn de herinneringen. Pijn doet het gemis nog altijd. Ik zal de herinneringen blijven koesteren, zo lang ik leef.

Wat zou je doen met een miljoen?

Afbeelding van PublicDomainPictures via Pixabay

Het staat me nog helder voor de geest, het reclamespotje van een loterij. Een man, type kantoorpik, belt naar zijn voormalige werkgever en vraagt naar zichzelf. Om in schaterlachen uit te barsten als de oud-collega verzucht: ‘Die werkt hier niet meer!’

Jarenlang heb ik meegedaan, met meerdere loterijen, in de hoop eens het geluk te vinden en stinkend rijk te worden. Niet om te kunnen baden in geld, à la Dagobert Duck. Dat lijkt me niet bepaald aangenaam, die harde muntjes. Nee, om niet per se te moeten werken, om te kunnen doen en laten wat ik wilde, om me geen zorgen te hoeven maken over geld.

Ik droomde ervan, wat ik zou doen met een miljoen. Liefst 10, met één miljoen red je het niet, zonder te hoeven werken. Een nieuw huis laten bouwen, met eigen badmintonhal en aparte bibliotheek, liefst een villa in Romeinse stijl. Een nieuwe auto, geen Porsche of Lamborghini, misschien een oude Mustang. En o ja, mijn mobiel is al twee jaar oud, die is ook wel aan vervanging toe. Verder een extra brede TV?

Het zijn allemaal materiele zaken, hoe leuk het ook was om ervan te dromen, nodig heb ik ze niet. Dichtbij ben ik ook niet gekomen, dankzij de loterijen. Het grootste bedrag dat ik ooit gewonnen heb, was volgens mij iets van duizend euro. Of waren het guldens?

Geld, de motor van de economie, het is waar de wereld om draait. Zelfs al heb je er niets mee, je kunt niet zonder.

Van geld word ik niet gelukkig, al zou ik wel in comfort en stijl ongelukkig kunnen zijn. Om gelukkig te zijn heb ik niet veel nodig: pen en papier of een PC met tekstverwerkingsprogramma. Eten, drinken en een dak boven mijn hoofd. Leuk werk, met leuke collega’s. En niet te vergeten mijn lief, mijn grootste geluk. Zij is mijn lot uit de loterij!

Hoewel ik dus niet de loterij hoef te winnen, blijft het een aangenaam tijdverdrijf om erover te fantaseren. Als je geld genoeg zou hebben om te kunnen doen wat je zou willen, wat zou je dan doen? Hoeveel zou dan genoeg zijn, qua geld?

Ook al kun je het niet met je meenemen, als je het leven moet verlaten, ook al maakt het je niet gelukkig, het blijft leuk om er zo nu en dan over te mijmeren.

Wat zou je doen met een miljoen?

Chef!

kitchen-731351_1920
Bron: Pixabay.com

‘Chef!’ riep de serveerster schuin over haar schouder, in de richting van de keuken. Terwijl ze het zei, blies ze een blonde lok uit haar ogen. Haar ogen spraken boekdelen: ‘Wéér zo een!’

Ik zat meteen gespannen overeind, wetende wat ging komen. De aangesprokene stormde naar buiten, zijn mond zei: ‘Wat is er aan de hand?’, zijn lichaamstaal sprak andere woorden: ‘Wat nou weer?’

‘Ehm’, zei ik, toen de serveerster naar mij wees. ‘Ahem’, voegde ik er welbespraakt aan toe. ‘Meneer heeft een klacht over de soep’, zei de serveerster, wiens geduld duidelijk op was.

Zo vaak gaan we niet uit eten, mijn lief en ik. Als we dan een keer gaan, wil ik graag iets bijzonders eten, dat ik thuis niet zelf zou maken.

Dus bestelde ik vol goede moed champignonsoep, hopende op verse, overheerlijke champignons. En flink veel, als het even kan. Dat was niet te veel gevraagd, als je de prijzen op de menukaart zag.

Het was druk in het restaurant, de serveerster en haar collega’s moesten hard werken. Het duurde even voordat we het voorafje kregen, voor mij dus een dampend bord champignonsoep.

Dampend deed het, tot zover voldeed het aan mijn verwachtingen. Hoe zeer ik ook mijn best deed, champignons waren niet te vinden. Een flardje hier en daar, die wellicht ooit tot een champignon behoord kon hebben.

Misschien dat de champignons even in de soep gezwommen hadden, op weg naar een ander gerecht. Ik besloot bij de bovenvermelde serveerster te informeren, die meteen de schuldige erbij riep, zonder dat ik daarom vroeg.

‘O, is dat zo?’ vroeg de chef, zijn ogen vuurspuwend in mijn richting. ‘Ehm, er zitten geen champignons in mijn soep’, deed ik een nieuwe poging. ‘Ah’, zei de chef. Zonder verder iets te zeggen, pakte hij mijn bord en liep naar de keuken.

Even later kwam hij weer terug, in het midden ontwaarde ik nu een hoopje grijze, glazige klompjes die in de verte iets weg hadden van de gewenste champignons. Er is maar één ding erger dan géén champignons, en dat is champignons uit blik.

‘Dank u wel’, stamelde ik. Snel nam ik een hap. ‘Hmmm’, voegde ik eraan toe. Tevreden draaiden de chef en de serveerster zich om. Het was al een hele overwinning dat ik überhaupt er iets van zei, de volgende stap was er een te ver.

Schielijk wierp ik een blik naar de keuken, waar de chef moest verblijven. Ik raapte mijn moed bijeen, en riep: ‘Chef!’

De man die geen kind mocht zijn

michael-jackson-2997510_1920
Bron: Pixabay.com

Gary, Indiana, begin jaren ’60. Een vijftal jongens, kinderen nog, is druk bezig met repeteren. Danspasjes, zangpartijen, alles moet kloppen. In een stoel, iets verderop, zit een man, hun vader, hen nauwlettend in de gaten te houden.

In zijn hand zijn riem, half opgevouwen. Zo nu en dan slaat hij met de riem in zijn andere hand, een snerpend geluid producerend dat snijdt door de ziel. Ze weten wat dat geluid betekent, ze weten wat hen te wachten staat als er iets fout gaat. Niets mag er fout gaan, niet zal in de weg staan van de droom van rijkdom van Joseph Jackson.

Later zou Michael Jackson zeggen dat het gedrag van zijn vader hem veel gebracht heeft in zijn carrière. Hij zal het ongetwijfeld zo ervaren hebben. Wat het mij zegt, is dat Michael nooit kind heeft mogen zijn. Dat hij nooit buiten mocht spelen, vriendjes maken en dat ze nooit pijltjes gevouwen hebben van stukjes papier, of van die witte besjes in dunne, plastic buisjes gedaan hebben om te vergeten dat je eerst adem moest halen vóórdat je dat ding aan je mond zette.

Het was een jeugd die in het teken stond van muziek, eerst met zijn vijf broers en later alleen. Een jeugd in het teken van dwang in plaats van bemoedigende woorden, met slaag in plaats van knuffels.

Geen wonder dat hij Neverland bouwde als een paradijs voor kinderen. Geen wonder dat hij graag kinderen om zich heen had, geen wonder dat hij zo’n zorgzame vader was, die misschien wel te zeer beschermend was ten opzichte van zijn eigen kinderen. Omdat hij zelf dat nooit gekend heeft, geen (kinder) vrienden had en geen liefhebbende vader. Dat is een gemis, dat geen enkel jongetje ooit zou mogen voelen.

Wie Michael Jackson echt was, wat er echt gebeurd is, we zullen het wellicht nooit weten. Al geloof ik dat Michael Jackson een lieve, zachte, uiterst verlegen man was. Een man met een fantastisch muzikaal talent, wiens invloed tot op de dag van vandaag zichtbaar is. Een man die slachtoffer was van de grote roem en adoratie die hem ten deel viel. Een man ook die tot op gevorderde leeftijd geen idee had wat liefde en intimiteit betekenden. Een man, die dat wellicht nooit geweten heeft.

Zeker is dat Michael Jackson een tragische figuur is, een man die nooit kind mocht zijn.

Merel-kerel

blackbird-3249123_1920
Bron: Pixabay.com

Parmantig hupt hij over het grasveldje, vlak voor onze neus. Zijn gele snavel steekt perfect af tegen zijn zwarte verenkleed. Met een schuin oog kijkt hij ons aan, alsof hij wil vragen: ‘Wat doen jullie hier?’

‘Kijken naar de schuimkoppen op de zee, luisteren naar het geluid van de branding en ons laven aan het zonlicht, dat af en toe dapper door het wolkendek breekt’, antwoord ik hem.

Hij lijkt genoegen te nemen met mijn antwoord, de merel-kerel, hij hupt weer verder. Het is een vreemd idee, dat dit kleine, sierlijke wezen afstamt van de dinosauriërs, waarvan sommigen ook op twee benen liepen (en veren hadden). Ik probeer me voor te stellen hoe dat er uit zou zien, als zo’n groot monster rond zou huppelen, net als een vogel.

De merel is zich niet bewust van deze overpeinzingen, hij steekt zijn snavel in het gras, op zoek naar een worm of insect. Aan de rand van het grasveld rommelt hij wat tussen de gevallen bladeren, op zoek naar iets eetbaars. Een zoektocht, die hij zijn leven lang vol zal moeten houden.

Weer kijkt hij om zich heen, alert op gevaar. Dan ziet hij een rivaal, op een paar meter afstand. De brutaliteit! Hij vliegt erop af, ze dansen om een struik heen, de indringer probeert de eigenaar te ontwijken. Al snel ziet de indringer in dat hij niet met rust gelaten zal worden, hij gaat ervandoor. Zonder fysiek geweld wordt het opgelost.

Verder niets te zien? Hij stijgt op en vliegt naar een olijfboom, die op een paar meter afstand staat. Hij heft een lied aan, ik heb geen idee waar het over gaat. Allicht is het een ‘saudade’, een lied van weemoed en hartstocht, van nostalgie en verlies.

Of het is een lied van verlangen, een oproep aan alle aanwezige merel-meiden. Een aankondiging die wil zeggen: hier ben ik! Ik ben beschikbaar!

Het is de Tinder equivalent van de merels, een contactadvertentie in de trant van: prachtige merel-kerel, goed in de veren, in de kracht van zijn leven, zoekt merelin voor lange, romantische huppeltochten langs het strand en zwoele avonden en – nachten.

De dames horen de liederen aan van op een afstand, en swipen vervolgens naar links of naar rechts, al naar gelang het lied in kwestie hen bevalt of niet.

Na afloop van zijn lied vliegt onze merel-kerel weer weg. Op zoek naar groenere wieden, sappige wormen en lekkere meiden. Succes kerel!

Sinterklaas, wie kent hem niet?

saint-nicholas-2965161_1280
Bron: Pixabay.com

“Sinterklaas, wie kent hem niet? Sinterklaas, Sinterklaas en natuurlijk Zwarte Piet’ zong Het Goede Doel begin jaren ’80. Sinterklaas, ooit een kinderfeest waar jong én oud van kon genieten, nu ieder jaar het mikpunt van controverse. Nog vóór de pepernoten in de winkel liggen.

Aan de ene kant staan de tegenstanders van Zwarte Piet, die Zwarte Piet racistisch vinden.  Zwarte Piet ziet er uit als een personage uit het vroege werk van striptekenaars als Hergé of Van der Steen. Lees: ‘Kuifje in Afrika’ of ‘De vliegende aap’ maar eens.

Door onze 21ste -eeuwse bril ziet Zwarte Piet er inderdaad uit als een fout stereotype, als een symbool van slavernij en racisme. Zwarte Piet is een samenraapsel van allerlei uiteenlopende tradities, die soms eeuwen terug gaan, tot heidense tijden. Het was toen de gewoonte om gezichten zwart te maken rond de jaarwisseling, aldus Arnold-Jan Scheer in de Volkskrant van 15 oktober 2018.

Traditie, dat is ook waar de voorstanders van Zwarte Piet zich op beroepen. Het is traditie dat Zwarte Piet zwart is, dat is altijd zo geweest. Dus moet het ook zo blijven, vinden ze.

Het is niet altijd zo geweest, het is zo gegroeid. Ook al is iets traditie, dat wil niet per se zeggen dat het zo moet blijven. Ooit waren zogenoemde kwelspelen als ganstrekken, palingtrekken en katknuppelen een populaire traditie. Zonder verdere uitleg zult u wel een idee hebben wat deze spellen inhielden, en waarom ze niet voorgezet zouden moeten worden, of nieuw leven ingeblazen.

Of Zwarte Piet zwart is, met of zonder roetveeg of pimpelpaars met witte stippen, het maakt niet uit. Iedereen heeft een mening, en mag die ook uiten. Hoe onzinnig die mening ook mag zijn, we leven immers in een vrij land.

Let’s agree to disagree. Ieder zijn mening, met respect voor de ander. Zo luid mogelijk jóúw mening uitschreeuwen, zonder te luisteren naar de ander, dat is geen discussie. Het begint meer op een burgeroorlog te lijken, zoals Saskia Noort constateert.

Als ik terug denk aan mijn jeugd, herinner ik me vooral mijn vol verwachting kloppende hartje. Wat mij bezig hield, is wat voor cadeaus en met name hoeveel de Sint mee zou brengen.

Wat mij niet bezighield, was hoe Sint en Piet het voor elkaar kregen onze schoenen te vullen, bij gebrek aan een schoorsteen. Het viel niet op dat mijn vader ineens verdwenen was, vlak voordat er hard geklopt, zacht geklopt werd op de voordeur, waar als bij magie een wasmand vol met cadeaus stond. Dat mijn vader even daarna weer verscheen, viel evenmin op.

Laat staan dat ik me interesseerde welke kleur Piet had. Of waarom hij zwart was, of waarom de Goedheiligman per (stoom)boot kwam, hoewel er ook toen al een goede vliegverbinding was tussen Nederland en Spanje.

De gretigheid om cadeaus te krijgen, de glunderende kindergezichtjes als ze de cadeaus uitpakken, dat is waar het nog steeds om gaat. Hebzucht, inhaligheid, onbegrensd consumerisme. Zo was het toen, zo is het nu nog.

Sinterklaas, wie kent hem niet? De grote kindervriend, beschermheilige van kinderen, kooplieden en gevangenen (onder meer). De grote verleider, die ons aanspoort om vooral méér te consumeren, meer en duurdere cadeaus te kopen. En natuurlijk Zwarte Piet.

Grijze wolken

gray-clouds-718177_1920
Bron: pixabay.com

Er zijn van die dagen dat als je niet zo weten welk seizoen het is, je gemakkelijk zou kunnen denken dat het herfst is. Of zelfs winter. In de herfst kan het ook zonnig zijn, zelfs (relatief) warm. Maar niet vandaag.

Grijze wolken hangen als een zware deken over ons heen. De hele dag valt de regen, zachtjes maar gestaag. Onophoudelijk en niet te stuiten daalt de regen op ons neer. Niet met bakken tegelijk, de hemelsluizen staan slechts op een kiertje. Als je maar lang genoeg in deze regen loopt wordt je toch wel nat. En koud!

Een paraplu biedt enig soelaas, zolang de wind er geen vat op krijgt. Als die wind nou maar de grijze wolken zou verdrijven, een smal, dun zonnestraaltje dat door de wolken heen prikt en zachtjes het landschap kust zou wel erg welkom zijn.

Helaas, de wind voert alleen maar nieuwe wolken aan, de een nog grijzer en dikker dan de ander. Soms kun je nog enige vorm herkennen in de wolken, maar nu is het één dikke, grijze en ondoordringbare massa. De bomen zijn al aardig kaal, ze strekken hun takken uit naar de hemel. Net als wij verlangen zij naar de zon, naar een beetje warmte. En droogte.

Mensen schuilen onder hun paraplu’s. Ze wagen zich alleen buiten op een dag als deze als het echt moet, boodschappen doen, naar het werk of de hond uitlaten. Die arme beestjes hebben het zwaar, geen paraplu om hun droog te houden en met al die regen valt er weinig te snuffelen. In de auto zit je tenminste nog droog, maar op de fiets zijn de mensen onherkenbaar, weggedoken in regenpakken. Dan moet je wel echt een bikkel zijn, om toch door wind en regen op de fiets te gaan.

Op perrons en bij bushaltes zie je de mensen wegduiken, hopend een plekje te vinden waar het droog blijft. Zolang er geen wind is, of die de andere kant opwaait, lukt dat wel. Maar dan komt er een natte vlaag, die je nog onder het dak van het perron of de bushalte weet te vinden. Met een feilloze doeltreffendheid waar menig bloedhond jaloers op zou kunnen worden.

Alles in ons schreeuwt om een eind aan die eindeloze regen, een beetje zon. Hopend dat de zon spoedig weer terugkeert, vrezend dat ze dat niet zal doen.

Klagen over het weer doen we allemaal, hoe weinig het ook uitmaakt. Het lucht in elk geval op!

Enfin, morgen beter hopen we dan maar. Ik durf even niet naar de weersvoorspelling te kijken.

 

Vreemdgaan

Foto: Pixabay.com
Foto: Pixabay.com

Ik ben er niet trots op. Schamen doe ik me evenmin. Ik durf het gewoon te schrijven: ik ben vreemd gegaan!

De gelegenheid kondigde zich ruim van te voren aan. Een tijd lang stond ik in dubio. Zal ik het doen, of toch maar niet? Heen en weer werd ik geslingerd, tussen verleiding en verstand. Stemmetjes in mijn hoofd, die zeiden: ‘Doe het! Ga er voor! Dit is je kans!’ andere stemmetjes die het tegenovergestelde zeiden: ‘Het is het niet waard! Waarom zou je?’

Op het laatste moment hakte ik de knoop door. Met gemengde gevoelens stap ik in de auto. Ver rijden is het niet, gelukkig. Er is te weinig tijd om van gedachten te veranderen.

Dat blijkt een illusie: met klamme handen pak ik de deurklink vast. Bijna glijdt die uit mijn handen! Met de nodige moeite en doorzettingsvermogen lukt het.

Een beetje bedeesd stap ik naar binnen, het is altijd even de weg vinden als je ergens voor het eerst komt. Al gauw zie ik degene zie ik zoek, die me wijst waar ik moet zijn.

Vóór ik het in de gaten heb, ben ik flink bezig, met een wildvreemde nog wel. We zijn niet alleen, niemand slaat acht op ons. Niemand kijkt zelfs maar op, daarvoor zijn ze zelf ook te druk bezig. De ruimte vult zich met kreten van enthousiasme, of teleurstelling. En zelfs een enkele kreun.

We doen zelfs verschillende rondjes, iedere keer stel ik me netjes voor. Ik ben goed opgevoed, tenslotte. Eerst kijk ik de kat uit de boom, al snel laat ik me gelden. Het is wonderlijk, al heb ik jarenlange ervaring en ben ik bepaald geen beginneling, ik zie veel nieuwe ‘moves’. Zo zie je maar, je bent nooit te oud om te leren!

Ik gooi alle schroom van me af, ik ga he-le-maal los! Ik ken mezelf niet meer terug, zo gereserveerd en bedeesd als ik normaal gesproken ben, zo losjes en soepel ben ik nu.

Tussen de rondjes door blazen we even uit, drinken wat. Tot mijn verbazing meng ik me in de gesprekken, ook iets wat ik niet snel doe.

Als het even niet lukt, wordt dat met de mantel der liefde bedekt. Iedereen maakt fouten. Het is een heerlijke avond, die veel te snel tot een eind komt.

Hoe vreemd het ook voelde voor het begon, zo goed voelt het nu. Als ik onder de douche sta, spoel ik alleen het onvermijdelijke zweet af, geen schaamte of teleurstelling.

Blij rij ik naar huis. ‘Hoe was het?’ vraagt mijn vrouw als ik binnenkom. Ik had het haar verteld, ze had geen bezwaar. ‘Leuk, gezellig!’ zeg ik, een ware spraakwaterval als altijd. ‘Voor herhaling vatbaar!’ voeg ik er aan toe.

Het voelde een beetje als vreemdgaan, vooraf. Achteraf ben ik blij dat ik gegaan ben! Het is best leuk, zo’n uitwisselingsavond met de badmintonclub.

Foto: Pixabay.com
Foto: Pixabay.com

Gekkenwerk

‘Het is gekkenwerk’, denkt ze bij zichzelf. Het is duidelijk geen weer om naar buiten te gaan. Eigenlijk zou ze met een dik boek en een kop warme thee (mét honing) bij een knapperend haardvuur moeten zitten. Eigenlijk wel.

De onrust is sterk vandaag. De onrust is er altijd, elke minuut van elke dag. Soms sterk, overweldigend, alom aanwezig. Soms als een waakvlam van een boiler, verstopt op zolder. Uit het zicht, maar niet ver weg.

Vandaag is weer zo’n dag, alles overweldigt haar. Als de muren op je afkomen, bieden ze geen onderdak meer. In plaats van veilig, voelen ze als bedreiging. Ruimte heeft ze nodig!

Foto: Yvonne Bruin
Foto: Yvonne Bruin

Nog net denkt ze er aan om een paraplu mee te nemen, voor het geval dat. Zonder verder na te denken stapt ze op de fiets, zonder richting, zonder doel. Op en neer gaan de pedalen, steeds sneller. Ze fietst de longen uit haar lijf, pas als ze niet meer kan, valt ze even stil. Een harde, lange schreeuw ontsnapt, alsof alle wanhoop er in één keer uit wil. Er uit móét.

Als ze even is bijgekomen, gaat het weer verder. De onrust is nog niet weg, nog lang niet. Ze ziet niets van het landschap dat zich voor haar ontvouwt, ze ziet niets of niemand. Gebouwen flitsen aan haar voorbij, ongezien. Regen en wind hebben geen vat op haar, ze voelt ze niet.

Dezelfde beelden ziet ze voor haar geestesoog, telkens weer. Zonder respijt, zonder genade. Het drijft haar steeds verder, net als in haar hoofd draait ze rond in cirkels, zonder begin en zonder eind.

Waarom het zo is, kan ze niet verklaren. Het is een instinct, een gevoel. Tunnels hebben haar altijd aangetrokken, alsof ze een schuilplaats bieden. Even is de onrust weg, als ze in een tunnel is. Het waakvlammetje is verbannen naar de zolder, voor even.

Als ze weer een beetje tot zichzelf komt, ziet ze in de verte de fietstunnel. Een tunnel, waar ze al zo vaak doorheen is gefietst. Het voelt vertrouwd, hier zal ze veilig zijn.

Een plotse windvlaag verrast haar. Haar fiets gooit het bijltje er bij neer, en zijgt ter aarde. De wind maakt van haar regenscherm een windscherm, die dreigt haar mee te sleuren, bestemming onbekend.

De absurditeit van de situatie dringt tot haar door. Een glimlach breekt door, eerst voorzichtig, dan wat brutaler. Steeds breder wordt de glimlach, tot de glimlach verandert in een bulderende, onstuitbare schaterlach.

De onrust, de wanhoop, alles waait weg. De paraplu weet ze ternauwernood te redden. Ze vouwt hem op, nutteloos als hij is geworden. De fiets neemt ze ter hand, lopen gaat sneller in de steeds sterker wordende wind.

Bevrijd keert ze terug naar huis, de vier muren zijn weer een thuis. Even is ze vrij, alle zorgen zijn ‘gone with the wind’.

Morgen ziet ze weer, morgen is weer een dag.

Samenscholing verboden

Julius Caesar, wie kent die naam niet? Julius Caesar, de beroemde Romeinse generaal en dictator, die toen hij op 15 maart 44 v.Chr. de Senaat betrad, omringd werd door senatoren, die de republiek in ere wilden herstellen. ‘Tu quoque, fili mi’, kermde Julius tegen Brutus, zijn protegé en een van de samenzweerders, terwijl hun dolken zich in zijn lichaam boorden.

Ik moest aan de arme Julius denken, toen ik ’s avonds aan de wandel was en verderop een groepje mensen zag. Ik weet niet hoe u er over denkt, samenscholingen van mensen geven mij een zeker gevoel van onbehagen. Al zien ze er nog zo vriendelijk of onschuldig uit, al hebben ze meer aandacht voor elkaar of voor wat de ander te vertellen heeft dan voor mij, al is het nog zo gezellig, ik vertrouw het niet.

Wie kent ze niet, de groepjes jongeren die aan het ‘chillen’ zijn (heet dat nog zo?) op de hoek van de straat, bij een cafetaria of in het park. Denkt u dan ook ‘die hebben vast niet veel goeds in de zin’? Ook al is er geen aanleiding toe, toch denken we dat.

Soms, een enkele keer, komen die bange voorgevoelens uit. Verbale plaagstoten, een petje dat van je hoofd gerukt wordt en dat je vervolgens nooit meer terug ziet, of nog erger. Het gebeurt, maar minder vaak dan we wellicht denken.

Julius Caesar dacht wellicht dat het wel mee zou vallen, op het moment dat de moordlustige senatoren hem omringden. Pas toen de messen zijn lichaam perforeerden en het leven langzaam wegvloeide, wist hij wat er aan de hand was. Maar toen was het al te laat.

Daarom mijd ik waar mogelijk samenscholingen. Daarom vind ik dat samenscholingen van meer dan vier personen verboden moeten worden, met onmiddellijke ingang. De avondklok moet weer ingevoerd worden, als groepjes onverlaten zich er niet aan houden, moeten ze uiteengejaagd worden door de Mobiele Eenheid, met wapenstok en traangas. Geen genade!

Zodat eenzame mensen, of mensen alleen, weer veilig over straat kunnen. Evenals ouden van dagen, en vrouwen alleen.

Als Julius Caesar samenscholingen had verboden, had hij allicht langer geleefd. Wie weet hoe de wereld er dan uitgezien zou hebben.

Je kunt natuurlijk ook gewoon een straatje omlopen, als je het niet vertrouwt. Zo kom je nog eens ergens anders, het is niet verkeerd soms van de vertrouwde paden af te wijken.

Misschien had de ouwe Juul dat ook beter kunnen doen, een straatje omlopen.

Spring naar toolbar