Spring naar toolbar

Een doffe knal

Afbeelding van Alexas_Fotos via Pixabay

Met een doffe knal stootte ik mijn hoofd. De knal dreunde secondenlang na in mijn hoofd, voordat ik kon reageren. Wat er gebeurd was? Het begon die middag, of eigenlijk daarvoor al. Onze stofzuiger begon mankementen te vertonen. Het volume nam straaljager-proporties aan, zonder dat het zuigvermogen toenam. Tot overmaat van ramp wilde het snoer niet meer automatisch oprollen. Dat was de druppel!

‘Zullen we gaan shoppen?’ vroeg mijn lief, toen de ergernis over de stofzuiger een hoogtepunt bereikt had. Dat hoeft ze sowieso maar één keer te vragen. Een bezoek aan het mini-warenhuis in het centrum van ons dorp leverde een blits, blauw model op. Vol verwachting snelden we naar huis, waar onze aanwinst al snel uit de verpakking gehaald was. Alle onderdelen waren aanwezig, het was eenvoudig in elkaar te zetten, ook zonder de handleiding te raadplegen (tja, wat kan ik zeggen, ik ben een man). Hij was klaar voor actie, het enige dat nog nodig was, was de stekker in het stopcontact doen. Vlug stak ik mijn hoofd om de hoek, deed de stekker erin en trok mijn hoofd even snel weer terug. ‘Doenk’ klonk de doffe knal, toen de deurstijl de terugtrekkende beweging van mijn hoofd ruw onderbrak. Even keek ik verdwaasd voor me uit, om vervolgens vrolijk verder te gaan, alsof er niets aan de hand was. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg mijn lief verschrikt, bij het zien van de ravage op mijn voorhoofd. ‘Je bloedt als een rund!’ Juist ja. Dat het geen handige actie was, wist ik zelf ook wel.

Ontkennen had geen zin, ik vertelde haar precies wat er gebeurd was. ‘O schatje!’, zei ze bezorgd. Met een pleister op de wonde was alles weer in orde, op mijn geschonden eer na. Tot ik mijn collega’s weer onder ogen moest komen. Vruchteloos zocht ik naar een geloofwaardig verhaal, spannende scenario’s van een heldhaftig afgeslagen aanval van een grote overmacht aan struikrovers waren bij voorbaat kansloos, in deze tijden van zelfisolatie en verlaten straten. Geen alternatief kwam in me op, alles wat ik had, was de waarheid. ‘Tegen de lamp gelopen’, probeerde ik nog. Kansloos was het.

Dat die doffe knal een litteken opleverde, vind ik niet erg. Iedereen doet wel eens onhandig, ik zeker. Dat ik er niet eens een mooi verhaal van kan maken, dat steekt!

Wat heb je aan een litteken, als je er niet eens een mooi, stoer verhaal over kunt vertellen?

Piraterij

Afbeelding van Felix Lichtenfeld via Pixabay

Denkt u bij het woord ‘piraterij’ ook aan mannen met woeste baarden, oorringen en hoeden met een veer? Ze landen met een zwierige zwaai op het dek, een sabel in de hand en een mes tussen de tanden. Dit romantische beeld past bij de piraten die in de 16e en 17e eeuw de Caribische Zee onveilig maakten, piraten zijn echter van alle tijden. In de oudheid hadden ze er al last van, in sommige gebieden maken nog steeds piraten de zeeën onveilig. Al bedienen ze zich van moderne schepen en automatische wapens, in plaats van pistolen en sabels.

Hun werkterrein beperkt zich allang niet meer tot zeeën en oceanen. Op het internet zijn ze ook te vinden, ze kapen pc’s, mobiele telefoons of computersystemen, in plaats van schepen. Langs slinkse wegen achterhalen ze onze wachtwoorden en/of pincodes, kraken de zwaarst beveiligde systemen en gaan er vandoor met hun buit. Nog steeds laten ze rokende puinhopen achter, een spoor van gezonken digitale schepen.

Er is een vorm van piraterij die begaan wordt door wezens die zo klein zijn, dat we ze met het blote oog niet kunnen zien. Ze zijn bezeten door de drang om hun genen door te geven aan volgende generaties, ze dringen de cellen van een gastheer binnen en dwingen de cel om hun eigen DNA te reproduceren. Met als gevolg dat hun gastheer ziek wordt. Het lijkt niet in het belang van het virus, maar hoe succesvoller een virus is in het vermenigvuldigen, hoe desastreuzer de gevolgen voor de gastheer.

Piraterij, je komt er nooit vanaf. Als veel oplevert, zijn er altijd wel opportunisten die hun kans wagen, hoe groot ook het risico. Sommigen eindigen aan de galg of in het gevang, anderen worden schathemeltje rijk. Als helden worden ze ingehaald, in mijn jeugd zongen we nog over Piet Hein en menig kind had een zilvervlootrekening. Standbeelden werden opgericht, mooie huizen werden neergezet van de opbrengsten.

Steden als Amsterdam, Londen en Parijs staan vol met prachtige gebouwen, gebouwd met de inkomsten van schatten, geroofd uit voormalige koloniën, dat kun je ook als een vorm van piraterij zien. Er zit dus ook een mooie kant aan piraterij, al is die niet voor iedereen zichtbaar en niet voor iedereen mooi. Zoals in het geval van het coronavirus, al stelt dat ons wellicht in staat onze maatschappij en onze manier van leven opnieuw in te richten.

Piraterij, is het een zegen of een vloek? Misschien wel allebei.

Kleur bekennen

Afbeelding van Gerd Altmann via Pixabay

Alle kleuren hebben iets, een geheel eigen schoonheid en uitstraling, toch is het soms nodig om kleur te bekennen. Mijn favoriet? Blauw. Blauw is de kleur van een stralende, onbewolkte dag. De kleur van de hemel, van onbezorgd genieten, van de zon op je gezicht. Blauw is de kleur van veel van mijn kleding, blauw is ook de kleur van mijn auto, al is dat meer toeval. Hoewel blauw favoriet is, is het niet de enige kleur die ik mooi vind. Het dieppaars van een aubergine, het purper van de Romeinse keizers, dat heeft ook wel wat.

Rood, in combinatie met wit, dat zijn de kleuren van mijn favoriete voetbalclub. Nee, niet die van boven de rivieren. Rood is ook de kleur van rozen, van de liefde, van bloed. Een kleur die kracht uitstraalt, of boosheid, in ieder geval passie. Wit is de kleur van zuiverheid, van puurheid en ongereptheid, de kleur die alle andere in zich verenigd.

Zwart is de kleur van somberheid, van dood en het donker. Zwart is de kleur van het licht dat niet kan ontsnappen.

Oranje vind ik niet heel bijzonder. Het is de kleur van sinaasappels, van mandarijnen en, niet te vergeten, van ons nationaal elftal. Het vervult me van vaderlandsliefde, als ik elf mannen of vrouwen op een rijtje zie staan, luisterend of meezingend met het Wilhelmus.

Roze is de kleur van (veel) bloesems, de kleur soms ook van de hemel bij een zonsondergang. Soms is het een palet aan kleuren, vegen roze, oranje en geel. Je zou willen dat het eeuwig zou duren, veel te snel is het weer voorbij.

Geel is een beetje een twijfelgeval. Het dorre geel, tegen het bruin aan, van verdord gras in een schroeiend hete zomer spreekt mij niet zo aan. Het geel van het Sahara-zand evenmin, daar doet de kleur nog het meest aan denken. De Sahara aan de Noordzee, zeg maar. Het geel van een rijpe banaan, of van een kool- c.q. pimpelmees in de kracht van zijn leven, dat heeft daarentegen wel iets. Geel is ook de kleur van de zon.

Hoe mooi al die kleuren ook moge zijn, hoezeer ik gehecht ben aan blauw, er is één kleur die ze allemaal overtreft. Het is de kleur van leven, van bladeren en van gras, het is ook de kleur van mijn liefjes ogen.

Ik moet toch kleur bekennen. Wat is er mooier dan het jonge, frisse groen van nieuwe lenteblaadjes?

Brave new world

AFBEELDING VAN MANFRED ANTRANIAS ZIMMER VIA PIXABAY

Er is iets veranderd, je ziet het, je proeft het, je ruikt het, zodra je buiten komt. De weinige mensen die je op straat ziet, houden netjes afstand. Schichtig kijken ze om zich heen, of er niet iemand te dicht in de buurt komt. Je ziet de schrik in de ogen als je iemand bijna tegen het lijf loopt, op straat of in de supermarkt. Snel schieten de ogen een andere kant op, op zoek naar een ontsnappingsroute. Het grootste deel van de dag brengen we binnen door, weer of geen weer. Tuinen zijn een uitweg, waar we even kunnen luchten, even van de zon genieten, zonder iemand te hoeven ontwijken. Er is een nieuwe wereld ontstaan, een brave new world.

Er hangt een serene rust in de lucht. Je hoort vogels fluiten, in plaats van auto’s die langs razen. Er zijn nauwelijks of geen vliegtuigen die overvliegen. De lucht is ook schoon, je kunt nog ‘maar’ 25 minuten in het zonnetje zitten zonder te verbranden. De wereld lijkt klein geworden, niet groter dan het scherm van je pc of laptop.  Via internet houden we verbinding met collega’s, familie en vrienden. De agenda’s zijn leeg, de snelwegen ook. We geven elkaar meer ruimte in de anderhalve meter maatschappij van nu. Even niet met z’n allen tegelijk in de stad, of in de natuur. We reizen minder, ook al is het geen bewuste keuze, het is effectiever tegen de uitstoot van fijnstof of CO2 dan welke andere maatregel ook.

Het ritme van het leven is langzamer, bedachtzamer. Voor introverte mensen zoals ik is het een verademing. Wij hebben rust nodig, en ruimte om ons heen. Lege bossen, zodat je de vogels kunt horen fluiten. Lege straten, zodat we niet overprikkeld worden door langskomend verkeer. En lege agenda’s, zodat we veel tijd hebben voor onszelf, om bij te komen. Voor anderen is het een beproeving, die hebben juist overvolle staten, overvolle agenda’s nodig. Zij verlangen terug naar hoe het was.

Bevinden we ons op een kantelpunt, of keren we inderdaad terug naar de wereld zoals we die kenden? De roep om verandering klinkt al langer, altijd was er wel een reden om het vooral niet te doen. Te moeilijk, te duur, het gaat toch goed zo?

Ook al is deze brave new world maar tijdelijk, ze heeft ons wel iets geleerd. Zoals Pieter Derks het zegt: we kunnen niet meer zeggen dat het niet anders kan.

Trendsetter

Afbeelding van Ben Kerckx via Pixabay

Ik ben een trendsetter! Nooit heb ik het geweten, nooit heb ik ook maar kunnen vermoeden dat ik een trendsetter zou kunnen zijn. Ziet u, ik ben het type muurbloempje. Zo iemand die niet opvalt, totdat hij in beweging komt. Iemand die liever op de achtergrond blijft, zelden of beter gezegd nooit het voortouw neemt of haantje de voorste is. Een afwachtende persoonlijkheid, die achter de meute aanloopt, eens kijkt of het wat is waar iedereen zo vol van is, om dan schouderophalend en wenkbrauwen fronsend zijn eigen gang te gaan. Zonder dat de rest dat in de gaten heeft.

U begrijpt mijn verbazing dat het ineens anders bleek te zijn. In deze tijden van lockdown-light, of intelligente lockdown, waar mensen zich nauwelijks buiten wanen en cafés, restaurants en winkels gesloten zijn, maken mensen zich grote zorgen. Want ook kappers moesten hun nering sluiten. Sommigen proberen er nog iets van te maken, door filmpjes online te zetten waarin ze mensen leren hoe ze zelf hun haar kunnen verven. God moge verhinderen dat anderen onze ware haarkleur zouden zien! De verf zelf wordt door de kapper of kapster bij u thuis afgeleverd, op gepaste afstand uiteraard. Zo hoeven ze niet bang te zijn om hun klandizie helemaal te verliezen.

Het bijkleuren van ons haar is maar een deel van het verhaal, de lengte is een ander. Waar de ene kapper ons ten strengste afraadt zelf het haar te knippen, laat een andere zien hoe het moet. Met een tondeuse in de ene hand en een spiegel in de andere, puntte de kapper in kwestie zijn haar bij. Menigeen neemt zelf het haar van hun kroost of partner onder handen. Voorbeelden van bloempotkapsels zijn op social media in overvloed te vinden, oude tijden herleven! Niet uit armoede, maar uit bittere noodzaak.

Sinds mijn haar enige decennia geleden aan een terugtrekkende beweging is begonnen, waar geen einde aan lijkt te komen, zit ik met een dilemma. Kaal of kammen, om het maar in de woorden van Extince te zeggen. Het werd kaal, eerst liet ik het tondeuse werk over aan de kapper. Sinds ik mijn lief ken, neemt zij de honneurs waar. Zodra ik me een hippie begin te voelen, kortwiekt ze me, met plezier!

Steeds meer mannen meten zich een ‘coupe de Luc’ aan, glimmende schedels schijnen ons tegemoet. Iets wat ik dus al jaren heb. Zo bezien, ben ik een echte trendsetter!

Een moetje

Bron: Pixabay.com

Het zou mij niet verbazen als het woord ‘moeten’ een van de meest gebruikte woorden is in de Nederlandse taal. U zou er voor de gein eens op moeten letten hoe vaak u dit woord gebruikt. Ik dus ook weer, daarnet. Ik moet dit, ik moet dat. We moeten werken voor ons geld, we moeten studeren, carrière maken, we moeten een nieuwe auto, een nieuw huis én een nieuw mobieltje. We moeten van alles en nog wat, maar is er sprake van echte noodzaak?

Volgens Van Dale (u weet wel, die dikke) heeft ‘moeten’ verschillende betekenissen, u mag ze zelf opzoeken. Er zit vooral een component van dwang in, van verplichting, van noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid. Er wordt gesuggereerd dat er geen keuze is, het móét wel. Een keuze is er altijd, al is het soms een keuze uit twee kwaden. Ik moet naar mijn werk? Welnee. Niet gaan betekent uiteindelijk ontslag en dus geen inkomen. Ik moet studeren? Welnee. Een opleiding is wel verrekte handig als je een leuke baan wilt, met een bijbehorend leuk inkomen. Ik moet carrière maken? Het is net alsof ik mijn moeder hoor praten. Dan heb je meer inkomen, meer aanzien? Ik vind het belangrijker dat een baan leuk is en me voldoende uitdaagt. We moeten belasting betalen? Ja, als u de Fiscus niet achter u aan wilt hebben, is dat wel raadzaam. Veel genade kennen die jongens niet, afgaande op de toeslagenaffaire. Zonder belastinginkomsten kan de overheid het wegenonderhoud ook niet betalen, om maar iets te noemen.

Wat zou er gebeuren als we het woord ‘moeten’ los zouden laten, als we het niet zouden gebruiken? Beter nog, als we ook het woord ‘niet’ los zouden laten? Makkelijker gezegd dan gedaan, gezien het veelvuldig gebruik van beide woorden. Het is soms makkelijker te weten wat je niet wilt, dan wat je wel wilt. Als we die dwang, die verplichting loslaten, als we uitgaan van wat we vooral wel willen, wat zou er dan veranderen?

Volgens mij zouden we veel vrijer zijn, zonder de dwang van het moeten. We zouden veel meer gericht zijn op wat we wel willen, op wat goed en positief is in ons leven en in de wereld. Wat je aandacht geeft, groeit. Daarom wil af van het moeten, van wat ik niet wil. Ik schrap het woord ‘moeten’ uit mijn woordenboek.

Het zal lastig zijn, ik zal regelmatig struikelen, maar ik heb geen keuze. Het is een moetje!

Een onvervuld verlangen

Afbeelding van 💛 Passt gut auf euch auf und bleibt gesund! 💛 via Pixabay

Het is vreemd, dat je iets kunt missen dat je nooit gekend hebt. Van mensen die hun vader en/of moeder nooit gekend hebben, kan ik het me voorstellen. Je ouders in je leven hebben, voor de meesten onder ons is het de normaalste zaak van de wereld. Vanzelfsprekend is het echter niet. Je hoeft maar een keer te kijken naar een aflevering van ‘Spoorloos’, het medeleven in de ogen van Derk Bolt vertelt je een ander verhaal. Het zijn slopende zoektochten, soms eindigend in een dood spoor als het gemiste familielid overleden is, of niet gevonden wil worden.

Veel mensen hebben soortgelijke verhalen. Zelf heb ik ook vele jaren mijn (biologische) vader moeten missen, gelukkig heb ik hem nog kunnen vinden. Minder geluk heb ik als het gaat om mijn schoonvader. Hem ken ik alleen van foto’s, van verhalen die mijn vrouw en schoonmoeder vertellen.

Het lijkt misschien ideaal, geen schoonouders. Tenminste, als je relatie met een of beide schoonouders te wensen overlaat en je het leed en het gemis van je partner even buiten beschouwing laat. Ik heb niets te klagen in dat opzicht, mijn schoonmoeder is een schat. Mijn schoonvader had ik ook graag gekend, het heeft niet zo mogen zijn.

Heel erg bewust was ik me niet van dit gemis. Tot ik onlangs de rubriek ‘Ik heb geleefd’ van Annemarie Haverkamp las. Het zijn meeslepende verhalen over mensen in de laatste fase van hun leven, in dit geval Rob, die ALS heeft. Robs verhaal is er een van langzame aftakeling, van leven dat langzaam maar zeker wegglipt, als zijn spieren het de een na de ander opgeven. Geen prettig vooruitzicht.

Zoals zovelen wiens verhaal in ‘Ik heb geleefd’ verschijnen laat Rob zich echter niet kisten. Hij haalt uit het leven wat er inzit, zolang het nog kan. Hoe meeslepend zijn verhaal ook is, wat mij raakte was wat Rob tegen zijn vriendin Nanda zei. Rob: ‘Zie ik in de hemel eindelijk je vader’, waarop Nanda antwoordde: ‘Hij zal je een aardige kerel vinden’. Precies wat mijn vrouw en schoonmoeder ook altijd tegen mij zeggen.

Het lijkt zo zinloos, te verlangen naar iets dat je nooit zult hebben, nooit zult kennen. Hoe zinloos het ook is, het onvervuld verlangen laat zich niet onderdrukken.

‘Ik hoef alleen geduld te oefenen’, zei ik tegen mijn vrouw, na het lezen van Robs verhaal. Ik hoop wel nog lange tijd te mogen oefenen, voordat mijn verlangen vervuld wordt.

Liefde in tijden van corona

Bron: Pixabay.com

Het zijn vreemde tijden, deze tijden van corona. Tijden van stilte, van lege straten, lege cafés en restaurants. Tijden van volle supermarkten met lege schappen. Tijden van paniek en hysterie, hoezeer de overheid de gemoederen ook probeert te bedaren. Tijden waarin we leven in angst, tijden waarin er geen ruimte lijkt te zijn voor rede.

Ik zie niet een wereld die tot stilstand is gekomen, maar een die juist tot rust is gekomen. Even geen voetbal op TV, geen files op weg naar het werk. In plaats van verlaten wegen zie ik schone lucht. Al dan niet verplicht thuiswerken maakt meer verschil dan de verlaging van de maximumsnelheid, die toevallig of niet ook in deze tijd ingaat. Ik zie geen wereld van mensen die geïsoleerd van elkaar leven, maar een van mensen die juist dichter tot elkaar komen, ook al mogen ze elkaar niet aanraken. In tijden van crises komt het beste in de mens naar boven. Denk maar aan de beelden van mensen op balkons, ergens in Italië, die samen een lied zingen. Het is prachtig, om stil van te worden. Laten we ook samen zingen, wat, dat maakt niet uit. Zelf kan ik geen instrument bespelen, vals of uit de maat zingen lukt me wel.

Als we het niet zien als een probleem, maar als een kans, dan gaat een wereld van mogelijkheden voor ons open. Twee weken thuiszitten, het kan ook twee weken met meer contact met je partner en/of kinderen betekenen. Twee weken geen sociale interactie kan ook betekenen dat je series in kunt halen op Netflix, of dat je die stapel ongelezen boeken wegwerkt.

Twee weken dat we geen handen mogen schudden of elkaar een knuffel of omhelzing mogen geven, het is niet niks. Ik las het verhaal van een stel dat gescheiden leefde, omdat de een wel en de ander niet besmet was. Zij had de benedenverdieping, hij de bovenverdieping. Het zou voor mij een hel zijn, om gescheiden te moeten leven van mijn lief, ook al duurt het maar even. Volgens Gers Pardoel zouden we juist wel moeten knuffelen, elkaar wel liefde moeten tonen. Ook al is het geen goed idee, behoefte aan liefde hebben we allemaal. We moeten even wachten, Gers. Zoals de Italiaanse premier Conte zei: ‘We houden nu even afstand, om elkaar straks nog steviger te omarmen’.

Liefde in tijden van corona, het valt niet mee. De liefde helpt ons er wel doorheen.

Waterkoud

Afbeelding van Free-Photos via Pixabay

Het was een grijze, grauwe winterdag. Een zaterdag, een verdwaalde ‘Blue Monday’. Het was intens koud, waterkoud, zou mijn moeder zeggen. Het voelde alsof kille, klamme vingers zich maar mij uitstrekten. Niet om me liefdevol te strelen, maar om me te omarmen in een ijskoude omhelzing.

Snel fietste ik verder, in een poging de kille vingers te snel af te zijn en misschien een beetje op te warmen. De kou drong door tot in mijn botten, bleef hangen in mijn kleren. Als ik al te lang zou dralen, alvorens huiswaarts te gaan, zou het alleen maar erger worden. Zaterdagochtend is mijn moment om boodschappen te doen, vlees, vis en groenten, zo vers mogelijk. Dan moet je vroeg uit te veren, ook op zaterdag. Dat is niet erg, dan houd je ook meer over van je dag. Het is lekker om je dag actief te beginnen door een stukje te fietsen, al is het niet ver. Mits het niet regent, of het waterkoud is.

Dikke handschoenen doe ik liever niet aan, dan heb je helemaal geen gevoel in je vingers. De dunne handschoentjes die ik altijd in mijn jaszakken heb zitten (dan weet ik zeker dat ik ze bij heb!) voldeden niet helemaal, enigszins verkleumd en met koude handen stapte ik van mijn fiets, in het centrum van ons mooie dorp. Het was niet druk bij de visboer, ook niet bij de slager, dus voor ik het wist zat ik weer op de fiets. De verkleumende vingers strekten zich wederom naar mij uit, vasthoudender dan op de heenweg. De kou trok meer en meer in mijn kleren, tot in me nauwelijks voor kon stellen het ooit weer warm te krijgen.

De zon liet zich niet zien, verschool zich achter dikke wolken. Zo midden in de winter komt ze simpelweg kracht te kort om de wolken te doen smelten. Van de zon had ik weinig te verwachten, deze dag. Hard fietsen was de enige oplossing, wel een met een vervelende consequentie: een koude wind, die steeds sneller langs mijn gezicht streek, als een kille streling, koud en liefdeloos. Mijn oren en mijn kale knikker zaten verscholen onder een dikke muts, geen overbodige luxe.

Met elke trap kwam mijn bestemming dichterbij, mijn thuis waar mijn lief op me wachtte. Blij deed ik de poort open, zette mijn fiets weg en snelde naar binnen. Naar de warme omhelzing van mijn lief, en weg uit die waterkou.

Een beetje verliefd

Afbeelding van Michal Jarmoluk via Pixabay

Ik kan het niet langer voor me houden: ik ben een beetje verliefd! Het is eigenlijk niets voor mij, over het algemeen ben ik tevreden. Tevreden met wat ik heb, ik hoef niet om de haverklap een ander. Ik ben van nature trouw, ik houd niet zo van verandering. Daarom kwam het als een volslagen verrassing, ook voor mijzelf. Toen ik die ander zag, ging mijn hart sneller kloppen. Mijn mond werd droog, mijn handen klam. Het was maar goed dat ik al zat!

Natuurlijk kijk ik regelmatig om me heen, ik ben tenslotte een man. Al het schoons om ons heen, het is er om bewonderd te worden. Kijken mag, als je er maar afblijft, toch? Het oog wil per slot van rekening ook wat. Wat maakt het uit als je buiten de deur trek krijgt, zolang je thuis komt voor het eten? Het is vreselijk, dit soort clichés schieten ineens door mijn hoofd, om mijn gedrag te rechtvaardigen.

Ik probeer het te onderdrukken. Ik heb het toch goed, zoals het nu is? Ik heb geen enkele reden jou ontrouw te zijn, je doet alles wat ik vraag. Alles! Niets is te veel, zolang ik ook maar goed voor jou zorg. Dat is niet meer dan normaal, dat geef ik toe. Je vraagt nooit wat terug, je klaagt nooit, je stelt geen eisen. Je bent alles wat ik me zou kunnen wensen, alles. Ik heb niets te wensen over. Je bent in één woord perfect! Je bent niet meer de jongste. Dat waardeer ik juist aan je, we zijn zo goed op elkaar ingespeeld. We weten precies wat we aan elkaar hebben, wat we van elkaar kunnen verwachten. Een beetje aandacht, een paar lieve woordjes, dat is niet te veel gevraagd. Ook dat was vergeten, toe ik die ander zag.

En toch. En toch, toen ik die ander zag, was ik dit alles op slag vergeten. Vergeten waren al die jaren samen, vergeten is alles dat we meegemaakt hebben, de vele kilometers die we samen afgelegd hebben. Ik zag alleen die ander, hoe mooi ze is, hoe jong.

Het is niet dat ik toe ben aan iets anders, iets nieuws, om mijn leven op te fleuren. De gedachte kwam in me op en is niet meer weg te krijgen. Of ik er echt iets mee ga doen, weet ik nog niet.

Misschien ga ik toch eens informeren wat je inruilwaarde is.