Trip down memory lane

‘Ben jij een Bredanaar?’ vroeg Rinus. Dat was een gewetensvraag. Ik woon sinds 3 jaar in Son, dus technisch gezien niet. ‘Als je er ruim 30 jaar gewoond hebt, mag je jezelf wel Bredanaar noemen’, antwoordde ik. Een ere-Bredanaar dan, soort van. ‘Ik voel me erg thuis in Son en Breugel, ik ben meer een Son en Breugelnaar’, voegde ik er aan toe.

We maakten een wandeling in het Mastbos bij Breda. Rinus is een oud-collega, hij was een tijdje afdelingshoofd bij de bank waar ik in een ver verleden mijn opmars in de financiële wereld begon. Later zijn onze paden een andere weg opgegaan, nu kruisten ze elkaar weer even. 

Eens per week gaan een twaalftal oud-collega’s wandelen en bijkletsen, al zo’n zeven jaar. Ik was al eens eerder mee geweest, jaren geleden. Ofwel door werk, ofwel door de afstand na mijn verhuizing was het er sindsdien niet meer van gekomen. Een tijdje terug stuurde ik een mail naar de oud-collega’s, om ze op de hoogte te stellen van mijn schrijfcarrière. Dat leidde tot leuke reacties, uitmondend in deze wandeling.

Ik dacht het Mastbos goed te kennen. De route die mijn oud-collega’s kozen, was net anders dan mijn favoriete routes uit het verleden. Talloze keren heb ik door dit bos gebanjerd, in weekenden en op vrije dagen. Nu ging de route langs voor mij onbekende paden, om uiteindelijk weer op bekend terrein uit te komen. Gelukkig!

Het was bewolkt, waardoor het bos een klammige, sombere sfeer kreeg. Dan nog blijft het bos een mooie, wonderlijke plek. Al heb je er nog zo vaak gewandeld, dan nog kun je nieuwe plekken ontdekken. Het bos verandert, niet radicaal, niet zomaar ineens, maar geleidelijk. Al ziet het bos er ook anders uit als het zonnig weer is, in plaats van somber

Het was een ware survivaltocht. Langs afgewaaide takken en een enkele omgewaaide boom, om de haverklap moesten we ons langs of zelfs door modderpoelen en waterplassen een weg banen. Een kapmes was soms geen overbodige luxe geweest.

Sommigen hadden na ons gezamenlijke verleden nog een eigen werkverleden opgebouwd, anderen niet. Maar die zaten evenmin stil! Sociale betrokkenheid, coachen van kinderen met een achterstand, vrijwilligerswerk bij ouderen en/of eenzame mensen, het is een mooi stel mensen, die oud-collega’s van mij. Het is eigenlijk een soort tweede familie.

‘Vroeger had je meer haar’, zeiden ze nog tegen me bij de begroeting. Tja, van je familie moet je het hebben! ‘Ik heb me aangepast aan jullie kapsels’, antwoordde ik gevat. Inderdaad, de meeste mannen hadden al net zo’n aerodynamisch kapsel als ik.

Dan weer met de een, dan weer met de ander, onderweg of eenmaal terug in café de Kogelvanger, het verzamelpunt, het was heerlijk mijn oude werkfamilieleden weer te zien en met hen bij te praten. Het voelde als thuiskomen.

Ja, het voelde als thuiskomen, als een trip down memory lane. Het smaakt naar meer! Dat komt goed uit, ik weet nu waar memory lane ligt.

Wachttijd

Witte, hoge muren strekken zich langs mij uit, tot grote hoogte. Het is meer een smalle gang dan een wachtkamer. Aan de muur hangen een paar posters, of een kunstwerk. Eerlijk gezegd weet ik het niet zeker, ik heb het niet geregistreerd.

Aan de rechterzijde, vlak naast de stoel waarop ik zit, is een deur. Af en toe hoor ik een stem klinken. ‘Je moet het in je eigen tempo doen’, zegt de stem. Geen slecht advies, lijkt me.

Verderop in de gang zijn nog een paar deuren, ik vermoed van de wc. Het verst van mij vandaan, vlak bij de ingang, is de deur waar ik zo meteen moet zijn. Aan de linkerkant zit ook een deur, met daarvoor een trap, waar ik precies onder zit.

Er gaat een deur open. Het geluid echoot in de hal, zodat ik niet thuis kan brengen waar het vandaan komt. Een stroom woorden komt naar buiten, cirkelt rond mijn hoofd. Een man is iets aan het vertellen, het is een onverstaanbare brei van woorden. ‘Ja. Ja.’, hoor ik zijn gesprekspartner zeggen. Een flard, meer is het niet. Een flard, waar ik niets wijzer van word.

Ineens staat een groep mannen voor de deur, verbaast rukken ze aan de deurknop. Ze worden verwacht, een man komt de trap af en doet de deur open. Een kakafonie van geluid stroomt binnen, met de onvermijdelijkheid en onstuitbaarheid van een lawine. Ook hier kan ik weinig uit opmaken, behalve dan dat de mannen vertrokken met sneeuw. Tja, het zit in de lucht, schijnt het.

Ik verleg mijn aandacht naar het tafeltje naast me. Bovenop liggen wat folders. Op de plank, onder het tafelblad, ligt een dikke stapel tijdschriften. Een ‘Weekend’ en een ‘Party’ zie ik liggen, er ligt vast nog ergens een ‘Story’ in de stapel. Vanwaar die fascinatie met het wel en vooral het wee van bekende Nederlanders?

Even schrik ik op, als er boven een deur open gaat, en er wéér een stortvloed van geluid op me afkomt. Ik kom hier voor mijn rust, wil ik uitschreeuwen. Ik doe het niet. Ze horen me toch niet, maak ik mezelf wijs.

De rust is snel weergekeerd, gelukkig. Het zonnetje schijnt, even maar, door het bovenlicht boven de deur. Ik koester me gretig in het gefilterde zonlicht, zo lang als het duurt. Binnen de kortste keren is het zonnetje verdwenen achter de grijze wolken. Het moment is weer voorbij.

Terug naar de leestafel dan maar. Woon- en lifestyle bladen te over, geen voetbal- of andersoortig mannenblad. Komen er zo weinig mannen hier, of lezen die niet als ze aan het wachten zijn?

Dan gaat opnieuw een deur open, de deur waar ik moet zijn. Er stapt een man naar buiten! Ben ik in elk geval niet de enige.

Mijn wachttijd is voorbij, voor deze keer.

Telefoonboek

Vanaf volgend jaar is het voorbij. Voorbij is dan de tijd dat sterke mannen met bovenarmen als dikke boomtakken en handen als kolenschoppen een telefoonboek doormidden scheuren. Althans, dan komt er geen nieuw oefenmateriaal bij!

De Telefoongids, met in het kielzog de Gouden Gids, verdwijnen. Hele generaties hebben in het telefoonboek gestaan, een icoon verdwijnt. Voor wie nostalgisch wordt bij het idee alleen al, de digitale versie zal wél blijven bestaan.

Het aantal mensen dat gebruik maakt van de digitale versie neemt toe, het aantal mensen dat het lijvige boek op de schoot neemt, om de per stad en regio netjes gealfabetiseerde namen door te pluizen op zoek naar het onbekende telefoonnummer van een bekende, neemt juist af.

Daarmee zal een einde komen aan een tijdperk, dat 138 jaar geduurd heeft. In 1881 werd het eerste telefoonboek uitgegeven, het jaar dat Nederland de eerste telefoonverbindingen kreeg. Al moest je wel naar het postkantoor om het boek in te zien. Ergens in de loop van het jaar zal overal in het land voor het laatst het telefoonboek met een doffe plof op de deurmat vallen, het stof van de schoongeveegde schoenen opstuivend.

Als ik denk aan het telefoonboek, zie ik het bij ons thuis liggen. Op een tafeltje naast de bank stond de telefoon. Een telefoon met een draaischijf, waar je cijfer voor cijfer de schijf naar rechts draaide. Een lange, trage draai als je de ‘0’ moest hebben, een korte, vinnige draai als het om de ‘9’ ging. 

Onderaan het tafeltje zat een plankje, daarop lagen het telefoonboek en de gouden gids. Ergens verborgen in een stapel tijdschriften, de tv-gids en andere lectuur. Later kregen we een telefoon met druktoetsen, dat had minder romantiek. Met driftige gebaren ramde je de cijfertjes in. De wereld begon sneller te worden.

Tegenwoordig bellen we mobiel, met losse telefoons of mobieltjes. Als we al bellen. We chatten er op los, via WhatsApp, Instagram en wat dies meer zij. Ik doe er ook aan mee, je moet toch met de tijd meegaan.

Leuker wordt het er niet op. Ik kan me voorstellen dat liefhebbers extra exemplaren inslaan, de sterke mannen voorop. Daar heeft de Telefoongids al rekening mee gehouden, ze hebben extra voorraad ingeslagen.

Daar hoeven we ons dus geen zorgen over te maken. Hoe zit het dan met de 2% gebruikers die heeft aangegeven de papieren versie niet te kunnen missen? Het gaat vooral om ouderen, die in de woorden van Erik Wiechers, CEO van DTG (de uitgever van het telefoonboek), niet zo ‘internet-savvy’ zijn. Wiechers heeft toegezegd dat er mensen het land in zullen gaan om daarbij te helpen.

Dat zal voor degenen die de papieren gids zullen missen allicht helpen. Ik maak me ernstig zorgen om de sterke mannen. Als die het laatste telefoonboek met een krachtige kreun doormidden gescheurd hebben, wat moeten ze dan? Wie helpt hen aan een alternatief scheurmiddel?

 

Regen is een zegen

Alle zegen komt van boven, dacht ik toen ik buiten kwam. Binnen was het droog en behaaglijk, pas toen ik buiten kwam zag ik dat het regende.

‘Shit!’ dacht ik. Slecht getimed! Ik had geluncht samen met een oud-collega en inmiddels goede vriend. Het was gezellig, dus ik lette niet op wat er buiten gebeurde. Het kwam dan ook als een verrassing voor mij, niet een van de leuke soort.

Van de nood een deugd maken, is nog zo’n leuk gezegde. Dat viel in deze situatie nog niet mee. Roeien met de riemen die je hebt, dat had meer kans van slagen. Hard regende het niet, hard genoeg om aardig nat te worden. Met mijn feilloze vooruitziende blik had ik mijn regenpak thuis gelaten. Natuurlijk. Eigenlijk niet zo erg, ik heb een hekel aan die dingen. Net als driekwart van de schoolgaande jeugd, geloof ik. Dan vraag je je als ouder af of een regenpak wel een verantwoorde uitgave is, voor mij geldt dat ook!

Ver hoefde ik niet te fietsen, naar huis. Tien minuutjes, meer niet. Lang genoeg om ervoor te zorgen dat mijn broek compleet doorweekt was. Gelukkig had ik wel een jas die me droog hield, eenmaal thuis hoefde ik alleen een droge broek aan te doen. 

Allemaal geen schokkende dingen. Zeker. Het zette me wel aan het denken. We hebben de neiging de regen te vervloeken, als we er doorheen moeten. Dat is begrijpelijk. Het liefst hebben we dat het alleen ’s nachts regent, als we in bed liggen. Al zijn er nog steeds mensen die er last van hebben. Het is moeilijk een moment te vinden dat iedereen uitkomt. Misschien maar goed dat het ook niet mogelijk is om te bepalen of en wanneer het regent.

Stel je eens voor dat het nooit zou regenen. Elke dag een stralende zon, dat gaat op een gegeven moment ook vervelen. Erger nog, ons mooie, groene kikkerlandje zou veranderen in een woestijn. Zónder kikkers.

Als je op vakantie gaat, en het is overal mooi groen, dan weet je het al. Hier regent het vaak, en veel! Heb je geluk, dan regent het niet (veel) tijdens jouw vakantie. Heb je pech, dan kun je twee weken je sokken uitwringen. Wil je zon garantie, dan moet je wel rekening houden met een dorre, droge omgeving.

Regen, of beter gezegd water, is een eerste levensbehoefte. Zonder water geen leven, althans niet voor ons mensen. We hebben het nodig, we kunnen niet zonder.

Regen kan ook leuk zijn. Niet alleen als je binnen zit en niet naar buiten hoeft. Mits je voorzien bent van een grote, stevige paraplu of waterbestendige kleding, kan het ook ‘fun’ zijn. Lekker stampen in de plassen, of ‘singing in the rain’. Je kunt er iets moois van maken!

Vroeger, toen ik nog een kleine jongen was, vond ik dat prachtig. Wel met regenlaarzen aan, ook toen hield ik niet van natte voeten. Wild stampen in de plassen, zodat het water hoog opspatte! Op mijn wat gevorderde leeftijd hou ik het bij door de plassen fietsen, met mijn benen zo hoog mogelijk opgetrokken. Wat het zingen betreft, ach dat bespaar ik u maar. Onder de douche kan niemand mij horen.

Regen is een zegen. We hebben er geen invloed op, kunnen ook niet zonder. Dan kun je beter het beste ervan maken.

 

Schaamrood

Ik liep te dralen voor de ingang. Telkens als ik dacht voldoende moed verzameld te hebben, kwam er iemand aanlopen. Telkens deed ik alsof er niets aan de hand was, en liep door.

Het moest er toch een keer van komen. Ik raapte al mijn moed bijeen, en liep naar binnen. Langs smalle gangen zocht ik mijn weg, displays vol aanlokkelijke aanbiedingen versperden de weg. Het was slalommen langs winkelende mensen, op hun gemak kijkend op etiketten, tegelijkertijd zwaaiende winkelmanden ontwijkend.

Eindelijk had ik me een weg gebaand tot achterin de winkel, waar ik het product kon vinden waar ik naar op zoek was. Ik had een voorbeeld verpakking bij me, hoe ik ook zocht, ik kon het niet vinden. Er was natuurlijk geen winkelbediende in de buurt. Zucht. Maar eens kijken of de omschrijving op de verpakking in de buurt kwam. Op goed geluk koos ik er een, die het dichtst in de buurt kwam.

Met mijn ‘buit’ onder de arm baande ik me een weg naar de kassa. Schichtig ontweek ik de blikken van andere mensen. ‘Opzij, opzij, opzij! Maak plaats, maak plaats, maak plaats!’, dacht ik, iedere keer als iemand in de weg liep. Het scheelde niet veel, of ik had het uitgeschreeuwd! Maar ja, dan vestig je helemaal de aandacht op je. Dan maar op mijn lip bijten!

Ik had zowaar de moed om aan de kassajuffrouw te vragen of ik inderdaad het juiste product te pakken had. Op haar bevestigende knik volgde een vast hoorbare zucht van verlichting. Ik hoefde tenminste niet nóg eens… althans, niet op korte termijn.

Nu volgde pas echt een test van mijn moed en doorzettingsvermogen. Mijn auto stond ongeveer 500 meter verderop. Een lange mars begon, een ‘walk of shame’, mijn aankoop angstvallig onder de arm geklemd, zichtbaar voor alles en iedereen. Ik was zo slim geweest om geen (plastic) tas mee te nemen. Vanzelfsprekend.

De nieuwsgierige blikken waren onvermijdelijk en onontkoombaar, hoe ik ook probeerde mijn aankoop te verbergen. Mannen keken me meewarig aan, met een blik van ‘Je vrouw heeft je zeker op pad gestuurd? Stakker!’, of met een blik van herkenning. Vrouwen keken juist vertederd, met een blik van ‘Wat een schat, dat hij dat voor zijn vrouw doet!’

500 meter hadden nog nooit zo lang geleken, na wat een eeuwigheid leek, kwam ik eindelijk bij de auto. Snel deed ik mijn aankoop in de kofferbak. Het zat er op!

Met het schaamrood op de kaken liep ik over straat. De volgende keer haalt die lieve schat van mij lekker zelf maandverband!

Nieuwjaar

Ben je net gewend aan het feit dat het 2017 is, is het alweer voorbij. Weer een jaar erbij, weer een jaar verder. Het is niet alleen een tijd van champagne en vuurwerk, gourmet en oliebollen, of van familiebezoek en de beste wensen wensen. Het is ook het moment van een terugblik, van evalueren, van vaststellen wat je dit jaar bereikt hebt. 

Een jaar geleden was voor mij duidelijk dat ik een ommekeer wilde maken. Tot eind 2016 was ik werkzaam in de financiële sector. Leuk werk, met leuke collega’s, maar het was niet mijn passie. Het was niet waar ik echt voor wilde gaan. Op dat moment had ik nog niet een duidelijk idee wat het dan wél zou moeten worden.

Een paar maanden later, zo eind februari, begin maart, wist ik al iets meer. Ik wilde gaan schrijven! In de jaren daarvoor fantaseerde ik wel eens in een verloren moment hoe het zou zijn om een (bekend) schrijver te zijn, maar had ik er nooit echt iets mee gedaan. Waar moest ik beginnen?

‘If you build it, they will come’, zegt een stem tegen Ray Kinsella (gespeeld door Kevin Costner) in de film ‘Field Of Dreams’. Ray moet een honkbalveld aanleggen, dan zullen honkbalspelers die ooit uitgesloten werden vanwege een omkoopschandaal komen spelen. En zo geschiede. Ik hoorde geen stemmen die me vertelden ergens te beginnen, ik deed het gewoon. Zonder er bij na te denken, kwam ik uit op columns.

Geen bewuste keuze dus, wel een gelukkige. Ik heb mijn passie gevonden! Een passie die ik graag met iedereen deel, die mijn columns wil lezen. Mijn eigen website, mijn columns in de Mooikrant, ik mag zeker niet ontevreden zijn. Al blijf ik wel bezig met mezelf te verbeteren, in beweging te blijven, te blijven groeien. Stilstand is achteruitgang, als je al te lang stil blijft staan.

Ik denk niet dat ik de enige ben die tussen oliebollen en champagne het afgelopen jaar overziet. Dan denk ik niet aan het nieuwsoverzicht van 2017, daar hebben ze het hoofdzakelijk over alle nare dingen die er gebeurd zijn. Natuurlijk ook belangrijk, ze hebben het alleen niet over de leuke dingen die er dit jaar gebeurd zijn. Zoals mijn verhaal, ik zal vast niet de enige zijn die een ommekeer heeft gemaakt. Als u ook een mooi verhaal heeft over een ommekeer, laat het me weten!

Ik wens iedereen een gelukkig Nieuwjaar, veel geluk, gezondheid en succes in 2018.

Genieten

Het zijn de donkere dagen voor de kerst. Sinterklaas is weer terug naar Spanje, zonder mij helaas. De dagen worden steeds korter, het weer kouder. Juist nu wordt her en der steeds meer licht ontstoken. De een heeft eind november de kerstversieringen al van zolder gehaald en uitgestald, de ander begint daar pas aan als de Sint zijn hielen gelicht heeft. Als je over straat loopt, zie je in menig huis de kerstboom en/of andere ornamenten de boel sfeervol verlichten. Zeker als het donker is!

Ook bij mij thuis is het huis al in kerstsfeer, op bescheiden wijze. Geen boom, wel een paar ornamenten en wat kerstlichtjes. Wel de sfeer, zonder overdaad.

Winkelstraten (voor)tuinen worden door lichtjes opgefleurd, het geeft een mooie sfeer. Je komt vanzelf in de kerstsfeer, of je wil of niet. Op tv zie je de komende weken vooral kerstfilms, vaak films die elk jaar terugkomen. Dat is ook een traditie, zullen we maar denken. Op sommige radiozenders is het een en al kerst(muziek).

Wat kerst voor iemand betekent, verschilt nogal. Voor sommige is het nog altijd verbonden met de geboorte van Jezus. In heidense tijden was het de tijd van het midwinterfeest, waarbij gevierd werd dat het langer licht bleef en de lente in aantocht was.

Voor anderen is het gewoon een traditie, een tijd om samen te zijn met familie en/of vrienden, of alleen met het eigen gezin, en samen te eten. Vooral veel eten!

Ik herinner me kerstmissen van vroeger, mijn moeder was al weken van te voren bezig om het menu samen te stellen, de boodschappen te halen en op de dag zelf was ze meer in de keuken dan wat anders. De tafel was prachtig gedekt, het zilver gepoetst en het speciale servies uit de kast gehaald. Dat servies mocht natuurlijk na afloop niet in de vaatwasser, wat ouderwets afwassen betekende. Je moet er wat voor over hebben!

Het ideaal van een witte kerst heb ik maar zelden mee mogen maken. In mijn beleving sneeuwde het in januari of februari, ná de kerst dus. Als het al sneeuwde. Menige kerst keken we vanuit het raam naar een grijze, druilerige wereld. Dan moet je zelf voor warmte zorgen!

Het blijft een mooie tijd, zo in de aanloop naar kerst en in het verlengde daarvan, oud en nieuw. Een moment om even stil te staan bij het afgelopen jaar, een jaar dat voor mij in het teken stond van schrijven. En van mijn debuut in de MooiKrant! Zo heeft ieder zijn herinneringen.

Het is een prachtige tijd, een tijd van genieten.

Het is feest bij de tandarts

Vandaag is de dag. Ik moet naar de tandarts. Het is tijd voor de halfjaarlijkse controle, een routineklus normaal gesproken. Normaal gesproken, dus reden genoeg voor twijfel.

Als kind was ik doodsbang voor de tandarts. Zeker als het niet om de halfjaarlijkse controle ging. In die tijd kreeg je eerst een spuitje ter verdoving, vervolgens mocht je een half uur of langer in de wachtkamer gaan zitten totdat het spuitje werkte. In de tussentijd nam de tandarts iemand anders onder handen. Snerpend ging het boortje te keer, mij toebijtend: ‘dadelijk ben JIJ aan de beurt!’

Tergend langzaam kroop de tijd vooruit, ik zag elke seconde passeren op de klok. Dan werd ik binnen geroepen. Het voordeel was dan weer wel dat het spuitje ondertussen zijn werk gedaan had, het boortje kon tekeer gaan wat het wilde, ik voelde niets! Ik keek wezenloos naar het plafond, bang de tandarts in de ogen te kijken. Bang dat hij de angst in mijn ogen zou zien. 

Gelukkig sta ik er nu anders in. Dat mijn huidige tandarts een sympathieke vent is, helpt zeker. Vol goede moed ga ik dan ook op weg, twee mensen zitten al te wachten. Mijn korte ‘Hallo!’ wordt al even kort beantwoord. Meteen duiken de twee in hun mobieltjes. Na een paar tellen pak ik mijn schrijfboekje.

Even wordt ik opgeschrikt, als een vrouw naar buiten komt, met twee jonge dochters. Zo, die hebben het achter de rug! ‘Ik wil een ijsje!’ zegt de oudste. ‘Ik ook!’ echoot haar zusje. Goed idee, als je net bij de tandarts vandaan komt. Ach, ze hebben het verdiend.

Vervolgens komen twee andere mensen binnen, plus een oudere dame met haar kleinzoon. De jongen duikt meteen op de aanwezige lego en begint enthousiast te bouwen. De volwassenen duiken in hun mobiel. Wat zijn dat voor magische apparaten, die mobieltjes, dat ze onze aandacht zo op weten te eisen! Ik kijk gefascineerd naar het bouwwerk dat de jongen fabriceert, zijn oma kijkt al even gefascineerd naar haar mobiel.

Dan is het zover: ik ben aan de beurt! Na een hartelijke begroeting neem ik plaats in de stoel. Al gauw betrap ik me er op dat ik naar het plafond aan het staren ben. Niet omdat ik angst heb, je moet ergens naar kijken. Ik zou in de ogen van mijn tandarts kunnen kijken. Niets persoonlijks, dan kijk ik toch liever in de ogen van de tandartsassistente. Even checken of de lente al zichtbaar is…

Het is even wat ongemak, die vervelende haken die in mijn tandvlees porren, de mini-hogedrukspuit met water om het tandsteen te verwijderen. Mijn tong is voortdurend in gevecht met de afzuiger waarmee de assistente – ik heb nog steeds niet kunnen zien of de lente al zichtbaar is in haar ogen – probeert te voorkomen dat ik verdrink. Het gevecht eindigt onbeslist.

Een van vroegere tandartsen zei ooit tegen me dat ik een kleine mond had. Goed om te weten, mocht ik er ooit van beschuldigd worden een grote mond te hebben. Hoe dan ook, het was een feestje in mijn mond.

Nu moet ik weer een halfjaar wachten, tot het volgende feest bij de tandarts. Hoe ga ik dat volhouden?

Oranje hesjes

Het was een invasie. Overal waar ik keek, zag ik mannen in oranje, fluorescerende hesjes. Waar ze vandaan kwamen? Geen idee. Zomaar ineens waren ze er.

Ze hoorden duidelijk bij elkaar. Dat zag je niet alleen aan die oranje hesjes. Ze praatten ook met elkaar, veel en luidruchtig. Of ze overlegden of ruzie aan het maken waren, werd niet duidelijk.

Het waren werkmannetjes. De een liep rond met een schop, of die alleen maar bedoeld was om op te kunnen leunen, of dat de schop ook nog ergens anders voor gebruikt zou kunnen worden, wist ik niet. Ik heb hem niet zien graven. Op een gegeven moment stonden drie hesjes bij elkaar, die ene leunde op zijn schop. Waar ze het over hadden? Geen idee. Voor ik kon vragen of ze soms koffie wilden, waren ze alweer weg.

Herrie maakten ze. Ze vervingen de lantarenpalen achter ons huis. De oude palen werden er eerst uitgehaald, met veel getakel en geronk van de hijskraan lukte dat.

Soms wilde een lantarenpaal niet meewerken. Was de lantarenpaal stond stevig verankerd, of had-ie wortel geschoten? Ik zag een van de hesjes flink wrikken aan de lantarenpaal, af en toe pakte hij een hamer en gaf de paal een paar flinke klappen. 

Het was een marteling.

Eindelijk. Met veel duw- en trekwerk en het nodige bloed, zweet en tranen was het gelukt. De oude paal werd op een vrachtwagen geplaatst, de paal krijgt nog een paar flinke klappen. Totdat de kap eraf lag. Alsof de paal onthoofd werd. Paal en ‘hoofd’ lagen naast elkaar op de vrachtwagen, wachtend om afgevoerd te worden.

De hesjes werken stug door. De ene na de andere lantarenpaal wordt vervangen. De nieuwe palen staan de glimmen, nog niet aangetast door de groene schaduw die vroeg of laat alles bedekt wat in de buurt staat van bomen.

Na vandaag zal het nooit meer hetzelfde zijn. Dankzij de invasie van de hesjes zal het ledlicht de duisternis verdrijven. Voortaan is het ook ’s nachts licht.

Later die dag kwam ik terug van boodschappen doen, een van de hesjes was bezig de draden van de lantarenpaal aan te sluiten. ‘Doet-ie het vanavond?’ vroeg ik haar. ‘Als-ie het voorheen deed, dan vanavond ook’, was haar antwoord. Fijn om te weten dat het uitgebreid getest wordt! Ik zag dat een van de oude lantarenpalen verderop niet vervangen was. ‘Die staat niet op de lijst. Het kan goed zijn dat we daarvoor nog terug moeten komen’, zei het hesje. Blijkbaar was niemand op het idee gekomen dit aan de gemeente te melden. Tja.

Nog een dag verder. De (nieuwe) lantarenpaal achter ons huis doet het niet meer, evenals de oude die nog niet vervangen was. Morgen maar eens bellen.

Hmmm… misschien komen de hesjes weer terug!

Het heerlijk avondje komt er aan!

Nog zes nachtjes slapen. Dan is het zover! Het heerlijk avondje is weer aangebroken. Het begon een week of anderhalf geleden, toen de goedheiligman aankwam. Sinterklaas, het kinderfeest, is het startsein van de decembermaand, een mooie tijd.

Het waren prachtige beelden, ook in mijn kindertijd op tv te zien, de Sint die aankwam op zijn stoomboot vol pakjes en Pieten. Dan begon de voorpret. Dan begon ook de spanning! Elke avond zette ik mijn schoen, mijn hartje klopte begerig en vol verwachting als ik de volgende ochtend naar beneden liep om te zien wat er in mijn schoen zat.

Ik vond het nog steeds de perfecte ‘deal’: in ruil voor zo’n vieze, gezonde wortel kreeg je een chocoladeletter, schuimsnoepjes of chocolademuntjes. Ook zoiets: ik kreeg natuurlijk de ‘L’. Mijn broer de ‘M’, het leek voor mijn jaloerse kinderoogjes alsof daar meer chocolade in zat. Natuurlijk was dat niet zo, logica had nog niet zo’n vat op mij.

Naarmate het aantal nachtjes slapen afnam, nam de spanning juist toe. Slapeloze nachten had ik ervan. Was ik wel braaf genoeg geweest? Ik wist dondersgoed wat ik wel of niet gedaan had. Ik wist ook dat de Sint een groot boek heeft, waar alles in staat. Alles? Ja, alles!

De kans dat ik er mee weg zou komen, was gering. Ik leefde tussen hoop en vrees, de hoop dat ik veel cadeautjes zou krijgen en de vrees dat ik mee zou moeten naar Spanje. Later zou ik er voor tekenen, lekker in Spanje vertoeven in de koude wintermaanden. Net als menig pensionado!

Op de avond zelf, als het moment naderde dat de Sint langs zou komen, hield ik het niet meer. Ik stond stijf van de spanning, van elk vreemd geluid schrok ik op. Wat was dat? Is dat ‘m al? Wij hadden geen schoorsteen, dus daarlangs kon de Sint niet komen. Ineens was mijn vader verdwenen, al viel mij dat niet op.

Plots werd er op de deur geklopt, hard geklopt, zacht geklopt. Snel rende ik naar de voordeur, waar alleen een wasmand vol cadeaus te zien was. Gretig rukte ik het papier van de cadeaus, om te zien wat erin zat. Kreten van blijdschap werden afgewisseld door nauwelijks verhulde teleurstelling. Dat mijn vader ineens weer terug was, viel mij evenmin op.

Het was een magische, betoverende tijd. De kinderlijke blijdschap, het rotsvaste geloof, het zijn mooie herinneringen die ik koester. De hoop om ooit meegenomen te worden naar zonniger oorden heb ik nooit opgegeven.

Sinterklaas, het blijft een heerlijk avondje!

Spring naar werkbalk