Rollercoaster

Afbeelding van Free-Photos via Pixabay

Het was me het jaar wel, 2020. Het was echt een ‘rollercoaster’, een wilde rit in een achtbaan, keer op keer gingen we over de kop. De rit is nog lang afgelopen, ook nu het nieuwe jaar ingeluid hebben. Misschien dat we over een jaar niet eens meer in de gaten hebben dat we nog steeds in die achtbaan zitten, kijken we niet meer op van wéér een ‘helix’, wéér een ‘camelback’ of ‘bunnyhop’. Om maar eens wat achtbaantermen te gebruiken.

Dat corona de verkiezing van het woord van het jaar domineerde is dan ook niet verwonderlijk. De winnaar van deze verkiezing? In Nederland won ‘anderhalvemetersamenleving’, op de voet gevolgd door ‘fabeltjesfuik’ en ‘viruswappie’. Blokjesverjaardag, hoestschaamte, covidioot, het zijn woorden die we over een paar jaar volledig vergeten zijn. Alleen raambezoek zou een blijvertje kunnen zijn, al zal het wellicht een andere betekenis krijgen. Nee, dan waren de Belgen inventiever, daar werd ‘knuffelcontact’ de winnaar. Een mooi woord, waar ik een warm gevoel bij krijg.

Dat had aan het begin van dit jaar niemand kunnen denken. Van een lockdown, intelligent of niet, hadden we nooit gehoord. Laat staan dat we gedacht hadden dat het een thema of aanleiding voor een feestje zou kunnen zijn, voor degenen die het niet wilden geloven. Kuchschermen of mondkapjes, ach dat was iets voor verre landen, met veel luchtverontreiniging en zo. Vakantie in eigen land? Het kwam bij de meesten van ons niet eens op. Nu is corona niet meer weg te denken, zelfs als je denkt dat het niet meer dan een griepje is. Corona, je kunt het voor bijna elk woord zetten. Coronamoe, wie is dat niet? En wat te denken van de coronabonus voor zorgmedewerkers, die eerst applaus kregen, maar uiteindelijk niet gevrijwaard bleven van het ongeduld dat onze samenleving zo kenmerkt tegenwoordig. Bij het woord ‘golf’ denken we niet meer aan een auto of aan de zee, maar ‘eerste’ of ‘tweede’. Wie weet komt er ook nog een ‘derde’.

Horeca open of dicht, thuiswerken of op kantoor, welke beroepen en winkels wel of niet essentieel zijn, de regering weet het zelf niet eens, heb ik het idee. Of de huidige lockdown de laatste is, en of straks alles en iedereen thuis moet zitten, al dan niet werkend, niemand die het weet.

Dan is het misschien wel passend, dat juist in 2020 het nummer ‘Rollercoaster’ van Danny Vera op 1 staat in de Top 2000. Opdat we nooit vergeten.

Kerststukje

Afbeelding van hilde1234 via Pixabay

Of ik een column speciaal in kerstsfeer wilde schrijven. Ik was er nog niet mee bezig, eigenlijk. Ik kan niet zeggen dat bij mij de kerstsfeer er al inzat. Het intrigeerde me wel, en ach, als je dan een kerststukje gaat schrijven, dan komt de sfeer er vanzelf wel, dacht ik. Al moest ik eerst de desillusie van Sinterklaas verwerken. Nee, het gaat niet over roetveeg- of volledig zwarte Pieten. Ik mocht wéér niet mee naar Spanje, verdorie!

Overal waar je komt verschijnt meer en meer kerstverlichting. Soms simpelweg langs de dakgoot, soms sierlijk gedrapeerd over bomen of struiken. Soms willekeurig, soms in duidelijk herkenbare patronen. Steeds meer kerstbomen zie je oplichten, dat brengt me bij het eerste kerstdilemma: kunst of echt? Vroeger was dat geen dilemma, je had alleen maar echte kerstbomen. Ook nu staan hele bossen klaar, met of zonder kluit. Weinig bomen overleven de feestdagen, en je bent een eeuwigheid bezig die verduvelde naalden op te ruimen. Als je het mij vraagt, hoort een boom in uw (achter) tuin of beter nog, in het bos.

Het tweede dilemma: bij wie gaan we de kerst doorbrengen? Als je zoals ik gescheiden ouders hebt, én een schoonfamilie, dan kom je feestdagen te kort. Dan heb ik het niet eens over dilemma nummer drie: wat staat er op het menu? Ook daar zijn twee stromingen: gemak (lees: gourmet, of het chique neefje van kaasfondue: raclette) of super uitgebreid, waarbij het liefst ook nog exclusief én exotisch moet zijn. Zesgangenmenu’s van mensen die normaal niet eens soep of een toetje nemen, het is wat.

Dan is er nog een extra dilemma: mensen die helemaal geen zin hebben in kerst, die staan voor de keuze. Voldoen aan de verwachtingen van familie en/of vrienden en toch maar gaan, of met een bord zuurkoolstamp op de schoot voor de TV gaan zitten. Het lijkt erop dat dit jaar hun wens uit zou kunnen komen, het is de vraag of we überhaupt wel kerst kunnen vieren, zoals we gewend zijn. Negeren we de voorschriften en stromen onze huizen vol, of wordt het lonely this Christmas, zoals Mud in 1974 zong?

Of het aan de kerstfilms ligt die het avondprogramma vullen op TV, of aan het feit dat de radiozenders worden gekaapt door kerstliedjes, ik weet het niet. Hoe dan ook, ook ik begin in de stemming te komen. Daarom kan ik aan het eind van dit kerststukje maar een ding zeggen: maak er een mooi kerstfeest van!

Samen staan we sterk!

Afbeelding van truthseeker08 via Pixabay

Het zijn bijzondere tijden waarin we leven. Een gedeeltelijke lockdown, mondkapjes plicht, anderhalve meter afstand houden, we hebben er allemaal mee te maken. We moeten het samen doen, samen staan we sterk. Dat wordt ons in elk geval voorgehouden door de overheid.

Dan is het mooi als er initiatieven ontplooid worden om juist deze doelgroepen te helpen, zoals onlangs in de gemeenteraad van Son en Breugel gebeurde. Daar werd het idee geopperd om inwoners met een beperkt inkomen, of die zorg nodig hebben, alleenstaand zijn of het extra moeilijk hebben in deze tijd een voucher te schenken van twintig euro. Zorgmedewerkers, mantelzorgers en andere mensen die hard moeten werken om alles enigszins gaande te houden zouden evenmin worden vergeten. Die voucher zou dan besteed moeten worden bij lokale ondernemers, die de klandizie goed kunnen gebruiken.  ‘Samen staan we sterk’, heette de motie. Inderdaad!

Was ik hier maar gestopt met lezen. Ik kreeg er een warm gevoel van, wat mooi dat er juist aan diegenen gedacht wordt die het moeilijk hebben, die hulp hard nodig hebben. Twintig euro, het is niet veel, maar het gaat om het idee. Als het blijkt te werken, kun je het vaker doen, zo vaak als nodig is, zo vaak als de portemonnee het toelaat. Ik zeg: voor! Doen!

Normaal gesproken verwerk ik graag wat humor in mijn column. Graag zou ik ook hier een kwinkslag willen plaatsen, een grappige opmerking, een humoristisch inzicht. Maar helaas, ik heb niets. Te verbijsterd ben ik over wat er gebeurde. Wat deden onze gemeenteraadsleden? Wat ze altijd doen: het grondig met elkaar oneens zijn. Ze zagen alleen beren op de weg, ze konden het niet eens worden, dus deden ze maar niets. Dat de politici het niet met elkaar eens zijn, wekt nauwelijks verbazing. Dat daardoor de motie een zachte dood stierf, dat is jammer. Een gemiste kans. Ik weet niet hoe het met u is, maar ik kan daar niet mee lachen.

Het is mijns inziens een brevet van onvermogen. Dit was de uitgelezen mogelijkheid om te laten zien hoe betrokken onze politici zijn met hun medeburgers, met name met diegenen die het zo moeilijk hebben. Mensen die nu andermaal van hulp verstoken blijven. Ze erkennen dat mensen financiële problemen kunnen hebben, maar hebben geen pasklare oplossing en zullen er verder over nadenken. Joepie!

Samen staan we sterk, waar een wil is, is een weg. Gemeenteraad, laat deze mensen niet in de steek!

Kap ermee

Afbeelding van Pixaline via Pixabay

Bomen, ze zijn mooi in elk jaargetijde. In de lente, als de eerste prille blaadjes verschijnen en de boom langzaam groen kleurt. In de zomer, als de volgroeide bladeren zachtjes ruisen in een zomerbries terwijl ze ons schaduw verschaffen. In de herfst, vooral in de herfst, als ze verkleuren tot dieprood en goudgeel, en tenslotte bruin. Her en der liggen hoopjes bladeren, als getuigen van vergane glorie, tekenen van de naderende winter. Zelfs in de winter, als de bomen oplichtten in de vale winterzon, de kale takken wanhopig uitgestrekt naar de kille hemel, zelfs dan zijn ze mooi.

Bomen zouden dan ook nooit gekapt mogen worden, tenzij ze oud en ziek zijn, en op huizen of nietsvermoedende voorbijgangers dreigen te vallen. Mijn hart huilt, als ik een boom zie die geveld is, ook al is het door een storm. Ze zijn de longen van de aarde.

Ik heb het geluk te wonen in het mooie Son en Breugel, een groen dorp. Als je van ons huis naar het centrum loopt, waan je je bij vlagen in het bos. Ook langs de goudsloot, bij ons achter, staat een prachtige rij bomen. Ik vind het een prachtig gezicht, als ik tussen het thuiswerken door even een wandeling maak, gaat de route vaak eerst daarlangs. Dan geniet ik van de prachtige bomen, van het ruisen van de bladeren, het geritsel in de struiken langs de sloot, het gekwetter en gefladder van de vele vogels in de bomen. Het is telkens weer genieten!

Onlangs zag ik plots een groot oranje kruis op een van de bomen. Verrek, die daarnaast heeft er óók een! En die daarnaast ook! De een na de ander, gemarkeerd met een kruis, het leek een teken dat ze ten dode opgeschreven zijn. Dat ze moeten wijken voor de vooruitgang, voor de nieuwe, verfraaide goudsloot.

In eerste instantie was ik best enthousiast over de vernieuwingsplannen, ik zag mijn mooie laantje al voor me, de statige bomen met daaronder prachtige, groen geverfde gietijzeren lantaarns met krullen, de maan die schijnt op de opgeknapte sloot. Geen moment kwam het in me op dat mijn mooie bomen daarvoor zouden moeten wijken.

Zouden de bomen ziek zijn? Ik hoop van niet, ik hoop dat het een vergissing is. Ik hoop dat de gemeente Son en Breugel mijn mooie laantje intact laat, dat ze zoveel mogelijk bomen laten staan, waar dan ook.

Kap ermee, met het kappen van bomen.

Door het lint

Afbeelding van Carola68 Die Welt ist bunt…… via Pixabay 

Het is een hele opgave, uit eten gaan in tijden van corona. Anderhalve meter afstand houden, desinfecteren, mondkapje af, hoesten en niesen in je ellenboog, het is me wat. Zeker als het druk is op het vakantiepark, waar we verbleven. Even eruit, even vakantie, zo aan het eind van de zomer, toen het kon en mocht. Wel in eigen land, gelukkig was het mooi weer. Er was nog plek op het terras, zagen toen we aankwamen bij het restaurant. Het terras was afgeschermd met een lint, rechtstreeks uit een aflevering van CSI.

Het lint was overduidelijk bedoelt om ervoor te zorgen dat gasten netjes via de hoofdingang naar binnen zouden gaan. Het is een beetje gewaagd in een land van eigenwijze betweters, de kans dat iemand door het lint gaat, is bepaald niet denkbeeldig. Mijn lief en ik hielden ons netjes aan de regels, we namen buiten plaats, vlak bij het lint. Een meter of tien verderop stond een springkussen, dat als een magneet werkte op de in groten getale aanwezige kinderen, voor wie het lint geen enkel obstakel vormde.

Een klein meisje liep met opgeheven handen op het lint af, in de veronderstelling dat ze het op zou moeten tillen. Ze schoof er zó onder door, haar handjes raakten het lint niet eens aan. Haar broertje, iets groter, had er evenmin moeite mee. In één vloeiende beweging duwde hij het lint omhoog en ging eronderdoor, zonder ook maar af te remmen. Op het springkussen was een jongen aan het oefenen, dat had hij zichtbaar vaker gedaan. Een salto achterover, mét koprol, het was een waar kunststuk, ook al landde hij op zijn achterwerk. Ik zou bij voorbaat op mijn achterste landen, of erger nog, op mijn gezicht, als ik het al zou durven proberen.

Bij de ingang stonden twee pompjes met desinfecterend middel. Eén gast smeerde het spul eerst uitgebreid in zijn handen, om vervolgens met zijn handen door zijn haar te gaan. Moest dat ook ontsmet worden?

Het was een komen en gaan, van en naar het springkussen. Even eten, of wat drinken, even de aandacht van pappa of mamma vragen, en dan weer terug. Op het terras was het ook een drukte van belang, het was af en toe even wachten op je bestelling. Ook al is het vakantie, ook al heb je geen haast, ook al kost het moeite, we moesten allemaal geduld oefenen.

Gelukkig ging niemand door het lint.

Watersommelier

Afbeelding van congerdesign via Pixabay

Het schijnt een beroep te zijn, of bezigheid: watersommelier. Laatst hoorde ik op de radio een dame erover vertellen, in geur en kleur. Water kan heerlijk smaken, mits voldoende gekoeld en de dorst groot is. Op het werk drink ik niet anders, ik drink het liever dan koffie of thee uit de automaat. Dat is gewoon poeder, aangelengd met: juist, water. Dat water ook smaak heeft, is mij nooit zo opgevallen.

Opmerkelijk feit: hoe meer mineralen er in ons water zitten, hoe meer smaak het heeft. Ze zijn ook nog eens goed voor je, die mineralen. Hard water is ook goed voor ons, vanwege het calcium. Daar heeft ons lichaam behoefte aan, onze wasmachines vinden het wat minder prettig. Het was voor mij een openbaring, dat water smaak heeft. Die smaak verschilt ook nog eens van regio tot regio, vanwege de verschillen in de samenstelling van de bodem en de mineralen die erin zitten. Die bepalen de smaak. Dat geldt niet alleen voor mineraalwater, ook voor kraanwater. Nog verrassender is het dat er mensen zijn die zich bezighouden met die verschillen, die ze nog kunnen proeven ook.

Van wijnsommeliers had ik al wel gehoord, dat wijnen uit verschillende streken anders smaken eveneens. Al zou ik die verschillen niet kunnen benoemen. Een fruitige afdronk, met een hint van kersen, ik geloof dat een kenner het kan proeven, hoe ze het benoemen, is wellicht ook een kwestie van smaak. Ik kan alleen met bewondering naar zo iemand kijken, die vol vuur over een bepaalde wijn kan spreken, waarom die zo lekker is. En juist dat ene bepaalde jaar, uit die ene streek, ergens verscholen in de Bourgogne, of in de schaduw van een berg. Net als bij water, bepalen mineralen en vooral de bodem de smaak. Al ben ik meer van het bier, uit ervaring weet ik dat er verschil is in smaak, ook al gaat het over dezelfde biersoort. Om nog maar niet te spreken over het verschil tussen een dubbel en een tripel! Echte bierkenners, bierfijnproevers zijn er overigens ook. Die heten niet bierelier, maar bierista. Echt, het is een woord!

Dat je van een glas water net zo kunt genieten als van een glas bier of wijn, zal menigeen verbazen. Eigenlijk zelfs meer, water kun je onbeperkt drinken! Als watersommelier mag je een mooie boodschap uitdragen, er is niets mis met het promoten van water.

Het is een schoon beroep, watersommelier.

Kwestie van geduld

Afbeelding van Jo Stolp via Pixabay

Het is een kwestie van geduld, vroeg of laat is het zo ver: tijd voor vakantie! Dat was nog wel een ding. In het voorjaar zouden we naar Noorwegen gaan, maar dat land ging op slot, net als Nederland trouwens. In het najaar wilden we nog een poging wagen, maar waar naartoe? Eerst ging onze aandacht uit naar Zwitserland, al gauw bekroop ons het gevoel dat het geen goed idee zou zijn. Wat als corona een comeback zou maken en het land op slot ging? Het vooruitzicht vast te zitten in het buitenland trok ons niet aan.

Dus werd het een vakantie in eigen land, Zuid-Limburg om precies te zijn. Net op het randje van Nederland zaten we, bij Vaals. Een stukje buitenland in eigen land, met het ‘echte’ buitenland binnen handbereik. Het zacht golvende landschap, de afwisseling van bomen en open velden, van stijgen en dalen, bossen en weilanden, bomen en heggen, het is een lust voor het oog. Met de ‘sjpatzierkaart’ als trouwe met gezel doorkruisten wij al wandelend het herfstige Limburgse land. Tussen twee hoge heggen door, net breed genoeg voor één persoon, door schilderachtige dorpjes, langs het prachtige riviertje de Geul, via de enige berghut van Nederland, het drielandenpunt en de Wilhelminatoren.

Het landschap was nog niet in de grip van de herfst, al had de zomer ons land nét verlaten. Met een extra trui aan en een waterdichte jas verkenden wij het prachtige landschap, zwierven door bossen met prachtige beuken, statige eiken en slanke dennen en over menig weiland, al slalommend tussen de koeien en hun vlaaien door. We lunchten op een heuveltop (met uitzicht, uiteraard), of gezellig samen schuilend onder een afdakje, gewoon op het gras of in de berm, wel op een stukje plastic als het net geregend had. Of het nou het landschap was, of gewoon het feit dat we even uit de dagelijkse sleur waren, ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik verliefd werd. Verliefd op het mooie Zuid-Limburg, verliefd op de heuvels, de haagjes, de bossen en ja, ook op de Limburgse vlaai. Is het niet meer dan een vakantieliefde, die uitdooft naarmate de vakantie langer achter me ligt? Wellicht, de tijd zal het leren.

Waar ik er eerst als rechtgeaard Brabander niet aan wilde, zing ik het nu uit volle borst mee met Rowwen Heze:

‘t is een kwestie van geduld

rustig wachten op de dag

dat heel Holland Limburgs lult!

De klant is koning

Afbeelding van David Mark via Pixabay

Schrijven is mijn passie. Ik schrijf, zo veel en zo vaak ik kan, over van alles en nog wat. Ik schrijf, ook al word ik er niet rijk van. Ik schrijf, zolang mijn vingers een pen vast kunnen houden of een toetsenbord kunnen beroeren. Ik schrijf, dus ik besta!

Als schrijver heb je ook een held nodig, een voorbeeld om na te streven, of om je aan op te trekken. Mijn voorbeeld is niet Jan Wolkers of Harry Mulisch, ook niet Özcan Akyol of Martin Bril, evenmin is het Saskia Noort of Esther Verhoef. Mijn voorbeeld is een man die niemand kent, een man wiens gezicht niemand kent, maar diens woorden wel: Jan Snoek.

Jan is de man achter koning Willem-Alexander, de man die al sinds 2013 zijn toespraken schrijft. Als (tekst)schrijver is het zo ongeveer het hoogste dat je kunt bereiken, schrijven voor de koning. Jan kijkt ook naar setting en presentatie. Hij bedenkt niet alleen wat de koning zegt, maar ook hoe hij het zegt en tegen welke achtergrond.

Jan is mijn voorbeeld. Ik ben jaloers op hem, op zijn baan, ik wil het óók! Niet vanwege de eer, de tekstschrijver van de koning te zijn. Ook niet vanwege het feit dat 17 miljoen mensen je woorden horen of lezen, zij het soms indirect. Evenmin omdat als je tekstschrijver van de koning bent je ongeveer in de Champions League van het schrijverschap speelt. Nee, ik ben jaloers om één simpele reden: de uitdaging. Om recht te kunnen schrijven wat nog krommer is dan een banaan. Om te zorgen dat onze koning niet overkomt als een onverschillige man die alleen geeft om zijn behoeften en niet in de gaten heeft dat hij een voorbeeldfunctie heeft, of als een superrijke vent die geen weet heeft hoe het is om met weinig rond te moeten komen, of een elitair figuur die zich verheven voelt boven de massa die officieel zijn onderdanen zijn.

Het vakantietripje naar Griekenland in coronatijden, het is maar het meest recente voorbeeld. Het vakantiehuisje in Mozambique, weet u het nog? De koning schijnt ook een motorboot gekocht te hebben voor bij zijn vakantievilla in Griekenland, voor een kleine twee miljoen euro. En dat midden in de coronacrisis. Stuk voor stuk geweldige uitdagingen, die het uiterste vragen van een tekstschrijver.

Het zou niet eenvoudig zijn, ik zou wellicht mijn ideeën en principes op moeten offeren. Wat moet, dat moet. Want de klant is koning!

Alle zegen komt van boven

Afbeelding van Markus Spiske via Pixabay

Alle zegen komt van boven, luidt het gezegde. De ene keer komt er wat meer zegen dan de andere. Ik laat me hooguit door een overdaad aan neerslag weerhouden van mijn dagelijkse wandeling rond het middaguur, om even de benen te strekken.

Zo ook op een regenachtige nazomerdag. Het leek in eerste instantie mee te vallen, anders was ik er niet aan begonnen. ‘Het regent hoor’, zei de dame aan de receptie op mijn werk. ‘Dat geeft niet’, antwoordde ik. ‘Ik ben gewapend’, zei ik, wijzend op mijn paraplu. Op het eerste gezicht leek het mee te vallen. Het drupte licht, als de kwast van een overijverige priester bij een inzegening. Ik klapte mijn paraplu uit, meer uit voorzorg. Ik was de hoek nog niet om, hooguit een paar honderd meter ver, toen het harder begon te regenen. Vooralsnog hield mijn paraplu dapper stand!

Gaandeweg namen de problemen toe. Erg stevig was mijn paraplu niet, de wind kreeg er aardig grip op. Met twee handen moest ik mijn paraplu vast proberen te houden, terwijl de regen ons geselde. Hoezo ‘regen is een zegen’? Zo voelde het in elk geval niet. Het was een verloren gevecht, hoewel de paraplu niet openklapte, hield hij geen stand. De wind waaide de regen langs alle kanten over me heen, alleen mijn hoofd en schouders bleven enigszins droog. Was-ie nog ergens goed voor, die paraplu.

Even stond ik in dubio. Word ik boos, en barst ik uit in een creatieve stroom (zachte) vloeken? Daar ben ik de persoon niet naar. Kies ik voor ‘Singing in the rain’? Nee, ik beperk mijn vocale uitingen tot de privacy van mijn douche. Ik bevond me precies halverwege, omkeren had dus weinig zin. Verder gaan beloofde ook een nog natter pak, schuilplaatsen waren niet voor handen. Wat te doen?

Wat kun je doen, als je geconfronteerd wordt met een situatie waar je niets aan kunt veranderen? Nat was ik toch al. Ik begon te lachen, eerst zachtjes, daarna harder. Niemand die me hoorde, iedereen had een veilig maar vooral droog heenkomen gezocht. Behalve ik, zei de gek. Met een lach op mijn gezicht liep ik verder, banjerend door de plassen als een uitgelaten kind. Als een verzopen kat kwam ik weer terug op mijn werk, waar ik weer op kon drogen.

Ik voelde me werkelijk een door en door gezegende man. Dankzij de zegen van boven.

Code geel

Afbeelding van Wolfgang Vogt via Pixabay

We leven in een in een in georganiseerd land. Van geboorte tot de dood, alles wordt geregistreerd. Van leerplicht tot sollicitatieplicht, van rijbewijs of paspoort tot vis- en kapvergunningen, overal zijn regels voor.

Geen wonder dus dat als er een keer extreem weer is we de KNMI nodig hebben om ons te vertellen wat wel en wat niet kan. De KNMI is, geheel in de traditie van ons land, een supergeorganiseerd geheel. Voor elk weertype hebben de bollebozen een kleurcode bedacht. Te beginnen met groen. Groen, het teken dat we weer mogen gaan rijden bij een stoplicht, dat is de beste kleur. De kleur van niets aan de hand, u kunt gewoon doen als normaal, er zijn geen bijzondere of gevaarlijke weersomstandigheden. Een gevoel van opluchting maakt zich van me meester: ik hoef geen maatregelen te nemen. Dat scheelt!

Dan komt geel. Als code geel geldt, is er mogelijk kans (!) op gevaarlijk weer. Gladheid, flinke sneeuwbuien, extreem warm weer of onweersbuien, al dan niet gepaard gaand met windstoten, het is goed om dat te weten. De tip van de KNMI is een goeie: wees alert! Een goed begin, mijn nieuwsgierigheid is gewekt.

Oranje, de kleur die bij stoplichten voor menigeen reden is het gaspedaal extra in te trappen in plaats van af te remmen, is wel een stapje hoger: er is grote kans op gevaarlijk weer.  Meer gladheid, driftsneeuw, nog warmer weer of nog hardere windstoten. Het gevoel van stijgende ongerustheid wordt niet bepaald getemperd door het advies van de KNMI: wees niet alleen alert, maar tref ook maatregelen. Gossie. Welke maatregelen dan?

Rood is de kleur van gevaar, de kleur die ons vertelt dat we moeten stoppen, in elk geval bij een stoplicht. Je zou verwachten dat alles uit de kast gehaald wordt. Verder dan ‘Je kunt er zeker van zijn dat er problemen ontstaan’ en ‘Je doet er verstandig aan al je activiteiten aan te passen’ komt het KNMI niet. Geen zandzakken voor de deur, geen aanrader om toch vooral voldoende wc-papier in te slaan, niets van dat al. Een beetje een anticlimax.

Prachtig, die kleuren codering van het KNMI. Welke maatregelen ik zou moeten treffen bij code oranje, ik gebruik gewoon mijn fantasie. Bij rood blijf ik gewoon binnen. Code geel, die vond ik nog het mooist. Wie had daar ooit aan gedacht, om alert te zijn onderweg?

Sowieso wel handig, als je je in het verkeer begeeft.