Spring naar toolbar

Echte helden

Afbeelding van PublicDomainPictures via Pixabay

‘Zit niet in over mij’, schreef Hendrik Veeneman vanuit kamp Vught aan zijn gezin. Hendrik Veeneman zat in het kamp, omdat hij als waarnemend burgemeester van Son en Breugel niemand aan wilde wijzen voor dwangarbeid voor de bezetter. Hij werd gesommeerd om zich te melden in Vught, op 6 juli 1944 stapte hij op zijn fiets om naar het station in Best te gaan, om de rest van de reis per trein af te leggen.

Hij moet geweten hebben wat hem waarschijnlijk te wachten stond. Wat er door zijn hoofd ging, onderweg naar Vught, weet ik niet. Blije gedachten zullen het niet geweest zijn. ‘Ben je op tijd thuis voor het eten?’ vroeg zijn vrouw, voordat hij ging. ‘Natuurlijk’, had Hendrik geantwoord. De volgende dag zou hun zoon drie jaar worden. Zijn vrouw was op dat moment in verwachting van hun derde kind, een dochter die haar vader nooit zou zien. Uiteindelijk kwam Hendrik terecht in Mauthausen in Oostenrijk, waar hij op 24 april 1945 bezweek, kort voor het einde van de oorlog.

Ondanks de verschrikkingen die Henk ongetwijfeld meegemaakt zal hebben in de kampen stuurde hij optimistische berichten naar zijn gezin, om ze gerust te stellen. Of hij zijn principiële keuze betreurd heeft, we kunnen het hem niet vragen. Afgaand op de verhalen die over hem verteld worden, waag ik het te betwijfelen. Dat hij de ultieme prijs heeft betaald, een vreselijk hoge, dat is zeker.

Weten wat je te wachten staat, dat je afscheid moet nemen van alles dat je lief is, dat je het niet zult overleven, en toch zo’n keuze maken, dat maakt je een held. We hebben helden nodig, om te bewonderen, om tegenop te kijken, om te dienen als voorbeeld. Mensen die iets uitzonderlijks presteren verdienen zeker waardering. Ze inspireren, geven moed om vol te houden en wijzen ons de weg, als we die zelf een beetje kwijtgeraakt zijn.

Voetballers, atleten en acteurs worden vereerd als helden, soms krijgen ze een bijna goddelijke status. Hoe goed ze ook zijn, hoe charismatisch of aantrekkelijk ze ook moge zijn, hoezeer ze zich inzetten voor goede doelen, het maakt ze geen helden. Als je offers brengt, willens en wetens, en toch volhoudt, zoals Hendrik Veeneman, dan ben je pas een echte held.

Of het een troost is voor Lisette Veeneman, die geboren werd toen haar vader in Vught zat en negen maanden oud was toen hij overleed, weet ik niet. Ik hoop van wel.

Oneerlijke concurrentie

Afbeelding van slikviditet via Pixabay

Bijna achteloos stoof ze me voorbij, op de fiets. Een dame op leeftijd, een stuk ouder dan ik, ging me voorbij met een flinke gang, alsof ik stilstond. Ik ben niet de snelste fietser, nooit geweest eigenlijk, al was het vroeger eerder zo dat ik anderen voorbijsnelde. Dat was in een tijd dat ik meer haast had, de haast van de jeugd voor wie het al gauw niet snel genoeg gaat. Die hebben nog niet in de gaten hoe snel de tijd gaat.

Inmiddels heb ik Abraham al een tijdje in de achteruitkijkspiegel, happend naar adem. Of het de wijsheid is die komt met de jaren, vergezeld van grijze haren en wijkende haarlijn, ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat mijn haast aanzienlijk is afgenomen. En daarmee mijn snelheid, zowel op de fiets als in de auto. Al ver voordat het wettelijk verplicht werd, was ik al lid van de club van honderd. Op de snelweg stuiven ze me ook voorbij de laatste tijd, aan alle kanten. Mensen met ongelooflijke haast, wellicht gestimuleerd door lege snelwegen trappen ze het gaspedaal flink in, en geven mij het gevoel voort te sukkelen in een slakkengangetje. Ik vind het wel relaxt. Ik heb geen haast, ik kom er toch wel. Ook op de fiets.

Maar toch. Als je ingehaald wordt door een kleinere auto, of door een fietser die aanzienlijk ouder is, dat steekt. Het zit me niet helemaal lekker. Alsof ik niet meer mee kan komen, alsof ik op mijn laatste benen fiets. Alsof ik net als Abraham naar adem hap, iedere keer als ik een fysieke prestatie moet leveren. Om eerlijk te zijn, mijn conditie kan beter. Dankzij corona kom ook ik niet veel verder dan een enkele wandeling, onder het genot van een hemel die blauwer en een lucht die schoner lijkt. Maar toch.

Als ik bij het autorijden ingehaald wordt, boeit me dat niet zoveel. Iedereen kan te hard rijden, dat is geen verdienste. Op de fiets, dat is een ander verhaal. Dan moet je het zelf doen, in plaats van pk’s heb ik dan alleen lk. Daar moet ik het mee doen.

Op het moment dat de dame op leeftijd me voorbij stoof, keek ik naar de bagagedrager van haar fiets. Wat ik al dacht, een accu. Geen wonder dat ze me zo makkelijk in kon halen, ze zat op een elektrische fiets!

Oneerlijke concurrentie, dat is wat het is.

De andere wang

Veel van wat er op Gezichtsboek voorbijkomt, is niet of nauwelijks de moeite waard. Het zijn voyeuristische kijkjes in andermans leven. Er zijn ook mooie, aangrijpende dingen. Het verhaal van een jongen van 14 die een andere jongen vermoordde, dat greep me aan. De jongen pleegde zijn daad om aan de bende waar hij toe behoorde te laten zien wat hij waard was. Dat deed hij.

Zijn pech, of beter gezegd zijn geluk, was dat hij gepakt werd. Na afloop van de rechtszaak, nadat de jongen veroordeeld werd, stond de moeder van de vermoorde jongen op en zei: ‘Ik zal je vermoorden!’. De jongen verdween in de gevangenis. Niemand kwam hem opzoeken, hij had geen familie. Zijn vermeende vrienden, die van de bende, kwamen hem ook niet opzoeken. De moeder van de vermoorde jongen wel, als enige. Na een jaar kwam ze hem bezoeken, de jongen was nerveus. Wat zou ze van hem willen? ‘Ik wil alleen praten’, zei ze, en gaf hem geld om sigaretten te kopen. Ze bezocht hem regelmatig, om te proberen de jongen te begrijpen die haar zoon had vermoord. Als hij bijna vrijgelaten wordt, vraagt ze hem: ‘Wat ga je doen als je vrijkomt?’ ‘Ik heb geen idee’, antwoord de jongen, een jonge man inmiddels. Ze regelt een baan voor hem, onderdak had hij evenmin, ook dat bood ze hem aan.

Zogezegd, zo gedaan. De jongeman trekt bij haar in, en bouwt een nieuw leven op. Op een dag, na een maand of zes, komt de moeder naar hem toe. ‘Ik wil je even spreken, kom je mee naar de woonkamer?’ Ze kijkt hem in de ogen en zegt: ‘Kun je je herinneren dat ik in de rechtbank zei dat ik je zou vermoorden?’ ‘Ik zal het nooit vergeten’, zei de jongeman. ‘Dat is precies wat ik gedaan heb’, zei de moeder. Ze wilde niet dat de persoon die haar zoon vermoordde nog op deze aarde zou rondlopen. Door in hem te geloven, door hem een kans te geven zorgde ze ervoor dat de jongeman die voor haar zat niet meer dezelfde was als de moordenaar van haar zoon.

Ze adopteerde hem. Ze keerde hem de andere wang toe, ze deed meer dan hem vergeven. Ze gaf hem een plaats in haar leven, in haar hart. Ze werd de moeder die hij nooit had.

Ik weet niet of ik dat ook zou kunnen.

Paniek in de VS

Afbeelding van Shutterbug75 via Pixabay

Er heerst paniek in de VS. Het is vreselijk, het fundament van de beschaving staat onder druk, dreigt te worden weggevaagd. Niet vanwege overvolle IC-afdelingen. Niet vanwege het almaar stijgende aantal mensen die overleden zijn als gevolg van corona. Zelfs niet omdat alleskunner Trump aanraadt om jezelf te injecteren met ontsmettingsmiddel, tegen corona. Nee, het is erger. Véél erger.

De hamburgers dreigen op te raken. U leest het goed: het land van McDonald’s en Burger King, het mekka van fastfood, dreigt het zonder dat platte stukje vleesachtige substantie te moeten doen. Net nu het barbecueseizoen aanbreekt, dreigen de Amerikanen het te moeten doen zonder de halve koe op de barbecue, om het langzaam te laten garen. In het vleesland bij uitstek moet menig hamburgerrestaurant het zonder doen, de supermarkten stellen een maximum in aan de hoeveelheid vlees die iedere klant mag kopen. Of ze willen of niet, tot augustus moeten de Amerikanen op dieet. Het zal wennen zijn!

Wat is de reden? Amerika is het land van onbegrensde mogelijkheden. Je kunt het ver schoppen, van krantenjongen tot mediamagnaat. Dat is slechts voor een enkeling weggelegd, de meeste Amerikanen moeten hard werken om het hoofd boven water te houden. Immers, geen werk betekent geen inkomen. Geen eten, geen dak boven je hoofd en al helemaal geen ziektekostenverzekering. Dan pak je alles aan wat je kunt, ook werk in een vleesverwerkingsfabriek, waar je schouder aan schouder staat met je al even laagbetaalde lotgenoten. Zonder enige bescherming, ziekmelden is er niet bij. Uit angst hun baan (en dus inkomen) te verliezen, werken de immigranten door. Met als gevolg dat het coronavirus vrij spel heeft, sommige slachterijen hebben onder druk van lokale overheden en vakbonden de deuren gesloten.

President Trump, betrokken als hij is, heeft de vleesverwerkers opgedragen te blijven draaien. Om dat doel te bereiken heeft hij een oude oorlogswet van stal gehaald, die de mogelijkheden beperkt om bedrijven aansprakelijk te houden als werknemers ziek worden of overlijden. Trump wil dat de vleesfabrikanten hun productie opschroeven. Volgens mij is hij bang het zonder zijn favoriete voedsel te moeten doen.

Om afstand te kunnen houden, en vanwege ziekteverzuim, draaien de slachthuizen maar op halve kracht. Goed nieuws voor de dieren, zou je denken. Niet helemaal, sommige boeren zijn ertoe overgegaan hun dieren te ruimen, nu de slachtcapaciteit is afgenomen.

Paniek omdat er minder vlees is, het is wat. Misschien eens een Vega burger proberen?

Bevrijding – een moment van dankbaarheid

Afbeelding van Myriam Zilles via Pixabay

 

Het is jammer dat we er maar één keer per jaar stil bij staan. Dit jaar is het 75 jaar geleden, bijna net zo lang als een gemiddeld mensenleven. Voor we het weten, is er niemand meer in leven die het heeft meegemaakt, de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. De bezetting, de vernietigingskampen, het enorme verlies aan mensenlevens. Dat allemaal vanwege de grootheidswaanzin van Hitler en zijn trawanten, die zich onoverwinnelijk en onkwetsbaar achten. Gelukkig waren ze dat allesbehalve.

Ik ben dankbaar voor de vrijheid waarin in leef. Dankbaar dat ik mag gaan en staan waar ik wil, zij het niet in grote groepen. Dankbaar dat ik dit stukje mag schrijven, zonder te vrezen voor die klop op mijn deur, die een enkele reis naar een vernietigingskamp betekende. Of een langdurig verblijf in een cel, om te eindigen voor een vuurpeloton, ergens in de bossen. Dankbaar dat miljoenen soldaten van de geallieerden zich opgeofferd hebben voor die vrijheid, van de stranden van Normandië tot de oevers van de Wolga. Om niet te spreken over de vele verzetsstrijders, mensen zoals Hendrik Veeneman, waarnemend burgemeester van Son en Breugel, die omkwam in een kamp omdat hij geen mensen wilde leveren die moesten werken voor de Nazi’s. Waar ik misschien nog wel het meest dankbaar voor ben, is dat ik leef in een land dat al 75 jaar geen oorlog meer heeft gekend, niet hier in onze eigen rivierendelta.

Als je je probeert voor te stellen hoe het is om te leven in een land dat bezet wordt door een vreemde mogendheid met een waanzinnige, allesvernietigende ideologie, of hoe moedig de mensen geweest moeten zijn die zich daartegen verzetten, dan klaag je niet over lockdowns. Alleen onze bewegingsvrijheid is ingeperkt, maar niet geheel en op vrijwillige basis. Er is geen censuur als het gaat om nieuws, we kunnen tv kijken, series bingewatchen of elk boek lezen dat we willen. Iedereen is vrij om te zeggen of denken wat hij of zij wil, om te zijn wie hij of zij is. We hebben voedsel in overvloed, daar konden ze in de hongerwinter alleen maar van dromen.

We hebben genoeg om dankbaar voor te zijn, ook in deze bijzondere, uitdagende tijden. Hoewel elke vergelijking met de Tweede Wereldoorlog mank loopt, is er wel één overeenkomst. Op het moment dat het allemaal achter de rug is, een moment van dankbaarheid, zal het voelen als een bevrijding.

Een doffe knal

Afbeelding van Alexas_Fotos via Pixabay

Met een doffe knal stootte ik mijn hoofd. De knal dreunde secondenlang na in mijn hoofd, voordat ik kon reageren. Wat er gebeurd was? Het begon die middag, of eigenlijk daarvoor al. Onze stofzuiger begon mankementen te vertonen. Het volume nam straaljager-proporties aan, zonder dat het zuigvermogen toenam. Tot overmaat van ramp wilde het snoer niet meer automatisch oprollen. Dat was de druppel!

‘Zullen we gaan shoppen?’ vroeg mijn lief, toen de ergernis over de stofzuiger een hoogtepunt bereikt had. Dat hoeft ze sowieso maar één keer te vragen. Een bezoek aan het mini-warenhuis in het centrum van ons dorp leverde een blits, blauw model op. Vol verwachting snelden we naar huis, waar onze aanwinst al snel uit de verpakking gehaald was. Alle onderdelen waren aanwezig, het was eenvoudig in elkaar te zetten, ook zonder de handleiding te raadplegen (tja, wat kan ik zeggen, ik ben een man). Hij was klaar voor actie, het enige dat nog nodig was, was de stekker in het stopcontact doen. Vlug stak ik mijn hoofd om de hoek, deed de stekker erin en trok mijn hoofd even snel weer terug. ‘Doenk’ klonk de doffe knal, toen de deurstijl de terugtrekkende beweging van mijn hoofd ruw onderbrak. Even keek ik verdwaasd voor me uit, om vervolgens vrolijk verder te gaan, alsof er niets aan de hand was. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg mijn lief verschrikt, bij het zien van de ravage op mijn voorhoofd. ‘Je bloedt als een rund!’ Juist ja. Dat het geen handige actie was, wist ik zelf ook wel.

Ontkennen had geen zin, ik vertelde haar precies wat er gebeurd was. ‘O schatje!’, zei ze bezorgd. Met een pleister op de wonde was alles weer in orde, op mijn geschonden eer na. Tot ik mijn collega’s weer onder ogen moest komen. Vruchteloos zocht ik naar een geloofwaardig verhaal, spannende scenario’s van een heldhaftig afgeslagen aanval van een grote overmacht aan struikrovers waren bij voorbaat kansloos, in deze tijden van zelfisolatie en verlaten straten. Geen alternatief kwam in me op, alles wat ik had, was de waarheid. ‘Tegen de lamp gelopen’, probeerde ik nog. Kansloos was het.

Dat die doffe knal een litteken opleverde, vind ik niet erg. Iedereen doet wel eens onhandig, ik zeker. Dat ik er niet eens een mooi verhaal van kan maken, dat steekt!

Wat heb je aan een litteken, als je er niet eens een mooi, stoer verhaal over kunt vertellen?

Piraterij

Afbeelding van Felix Lichtenfeld via Pixabay

Denkt u bij het woord ‘piraterij’ ook aan mannen met woeste baarden, oorringen en hoeden met een veer? Ze landen met een zwierige zwaai op het dek, een sabel in de hand en een mes tussen de tanden. Dit romantische beeld past bij de piraten die in de 16e en 17e eeuw de Caribische Zee onveilig maakten, piraten zijn echter van alle tijden. In de oudheid hadden ze er al last van, in sommige gebieden maken nog steeds piraten de zeeën onveilig. Al bedienen ze zich van moderne schepen en automatische wapens, in plaats van pistolen en sabels.

Hun werkterrein beperkt zich allang niet meer tot zeeën en oceanen. Op het internet zijn ze ook te vinden, ze kapen pc’s, mobiele telefoons of computersystemen, in plaats van schepen. Langs slinkse wegen achterhalen ze onze wachtwoorden en/of pincodes, kraken de zwaarst beveiligde systemen en gaan er vandoor met hun buit. Nog steeds laten ze rokende puinhopen achter, een spoor van gezonken digitale schepen.

Er is een vorm van piraterij die begaan wordt door wezens die zo klein zijn, dat we ze met het blote oog niet kunnen zien. Ze zijn bezeten door de drang om hun genen door te geven aan volgende generaties, ze dringen de cellen van een gastheer binnen en dwingen de cel om hun eigen DNA te reproduceren. Met als gevolg dat hun gastheer ziek wordt. Het lijkt niet in het belang van het virus, maar hoe succesvoller een virus is in het vermenigvuldigen, hoe desastreuzer de gevolgen voor de gastheer.

Piraterij, je komt er nooit vanaf. Als veel oplevert, zijn er altijd wel opportunisten die hun kans wagen, hoe groot ook het risico. Sommigen eindigen aan de galg of in het gevang, anderen worden schathemeltje rijk. Als helden worden ze ingehaald, in mijn jeugd zongen we nog over Piet Hein en menig kind had een zilvervlootrekening. Standbeelden werden opgericht, mooie huizen werden neergezet van de opbrengsten.

Steden als Amsterdam, Londen en Parijs staan vol met prachtige gebouwen, gebouwd met de inkomsten van schatten, geroofd uit voormalige koloniën, dat kun je ook als een vorm van piraterij zien. Er zit dus ook een mooie kant aan piraterij, al is die niet voor iedereen zichtbaar en niet voor iedereen mooi. Zoals in het geval van het coronavirus, al stelt dat ons wellicht in staat onze maatschappij en onze manier van leven opnieuw in te richten.

Piraterij, is het een zegen of een vloek? Misschien wel allebei.

Brave new world

AFBEELDING VAN MANFRED ANTRANIAS ZIMMER VIA PIXABAY

Er is iets veranderd, je ziet het, je proeft het, je ruikt het, zodra je buiten komt. De weinige mensen die je op straat ziet, houden netjes afstand. Schichtig kijken ze om zich heen, of er niet iemand te dicht in de buurt komt. Je ziet de schrik in de ogen als je iemand bijna tegen het lijf loopt, op straat of in de supermarkt. Snel schieten de ogen een andere kant op, op zoek naar een ontsnappingsroute. Het grootste deel van de dag brengen we binnen door, weer of geen weer. Tuinen zijn een uitweg, waar we even kunnen luchten, even van de zon genieten, zonder iemand te hoeven ontwijken. Er is een nieuwe wereld ontstaan, een brave new world.

Er hangt een serene rust in de lucht. Je hoort vogels fluiten, in plaats van auto’s die langs razen. Er zijn nauwelijks of geen vliegtuigen die overvliegen. De lucht is ook schoon, je kunt nog ‘maar’ 25 minuten in het zonnetje zitten zonder te verbranden. De wereld lijkt klein geworden, niet groter dan het scherm van je pc of laptop.  Via internet houden we verbinding met collega’s, familie en vrienden. De agenda’s zijn leeg, de snelwegen ook. We geven elkaar meer ruimte in de anderhalve meter maatschappij van nu. Even niet met z’n allen tegelijk in de stad, of in de natuur. We reizen minder, ook al is het geen bewuste keuze, het is effectiever tegen de uitstoot van fijnstof of CO2 dan welke andere maatregel ook.

Het ritme van het leven is langzamer, bedachtzamer. Voor introverte mensen zoals ik is het een verademing. Wij hebben rust nodig, en ruimte om ons heen. Lege bossen, zodat je de vogels kunt horen fluiten. Lege straten, zodat we niet overprikkeld worden door langskomend verkeer. En lege agenda’s, zodat we veel tijd hebben voor onszelf, om bij te komen. Voor anderen is het een beproeving, die hebben juist overvolle staten, overvolle agenda’s nodig. Zij verlangen terug naar hoe het was.

Bevinden we ons op een kantelpunt, of keren we inderdaad terug naar de wereld zoals we die kenden? De roep om verandering klinkt al langer, altijd was er wel een reden om het vooral niet te doen. Te moeilijk, te duur, het gaat toch goed zo?

Ook al is deze brave new world maar tijdelijk, ze heeft ons wel iets geleerd. Zoals Pieter Derks het zegt: we kunnen niet meer zeggen dat het niet anders kan.

Een moetje

Bron: Pixabay.com

Het zou mij niet verbazen als het woord ‘moeten’ een van de meest gebruikte woorden is in de Nederlandse taal. U zou er voor de gein eens op moeten letten hoe vaak u dit woord gebruikt. Ik dus ook weer, daarnet. Ik moet dit, ik moet dat. We moeten werken voor ons geld, we moeten studeren, carrière maken, we moeten een nieuwe auto, een nieuw huis én een nieuw mobieltje. We moeten van alles en nog wat, maar is er sprake van echte noodzaak?

Volgens Van Dale (u weet wel, die dikke) heeft ‘moeten’ verschillende betekenissen, u mag ze zelf opzoeken. Er zit vooral een component van dwang in, van verplichting, van noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid. Er wordt gesuggereerd dat er geen keuze is, het móét wel. Een keuze is er altijd, al is het soms een keuze uit twee kwaden. Ik moet naar mijn werk? Welnee. Niet gaan betekent uiteindelijk ontslag en dus geen inkomen. Ik moet studeren? Welnee. Een opleiding is wel verrekte handig als je een leuke baan wilt, met een bijbehorend leuk inkomen. Ik moet carrière maken? Het is net alsof ik mijn moeder hoor praten. Dan heb je meer inkomen, meer aanzien? Ik vind het belangrijker dat een baan leuk is en me voldoende uitdaagt. We moeten belasting betalen? Ja, als u de Fiscus niet achter u aan wilt hebben, is dat wel raadzaam. Veel genade kennen die jongens niet, afgaande op de toeslagenaffaire. Zonder belastinginkomsten kan de overheid het wegenonderhoud ook niet betalen, om maar iets te noemen.

Wat zou er gebeuren als we het woord ‘moeten’ los zouden laten, als we het niet zouden gebruiken? Beter nog, als we ook het woord ‘niet’ los zouden laten? Makkelijker gezegd dan gedaan, gezien het veelvuldig gebruik van beide woorden. Het is soms makkelijker te weten wat je niet wilt, dan wat je wel wilt. Als we die dwang, die verplichting loslaten, als we uitgaan van wat we vooral wel willen, wat zou er dan veranderen?

Volgens mij zouden we veel vrijer zijn, zonder de dwang van het moeten. We zouden veel meer gericht zijn op wat we wel willen, op wat goed en positief is in ons leven en in de wereld. Wat je aandacht geeft, groeit. Daarom wil af van het moeten, van wat ik niet wil. Ik schrap het woord ‘moeten’ uit mijn woordenboek.

Het zal lastig zijn, ik zal regelmatig struikelen, maar ik heb geen keuze. Het is een moetje!

Liefde in tijden van corona

Bron: Pixabay.com

Het zijn vreemde tijden, deze tijden van corona. Tijden van stilte, van lege straten, lege cafés en restaurants. Tijden van volle supermarkten met lege schappen. Tijden van paniek en hysterie, hoezeer de overheid de gemoederen ook probeert te bedaren. Tijden waarin we leven in angst, tijden waarin er geen ruimte lijkt te zijn voor rede.

Ik zie niet een wereld die tot stilstand is gekomen, maar een die juist tot rust is gekomen. Even geen voetbal op TV, geen files op weg naar het werk. In plaats van verlaten wegen zie ik schone lucht. Al dan niet verplicht thuiswerken maakt meer verschil dan de verlaging van de maximumsnelheid, die toevallig of niet ook in deze tijd ingaat. Ik zie geen wereld van mensen die geïsoleerd van elkaar leven, maar een van mensen die juist dichter tot elkaar komen, ook al mogen ze elkaar niet aanraken. In tijden van crises komt het beste in de mens naar boven. Denk maar aan de beelden van mensen op balkons, ergens in Italië, die samen een lied zingen. Het is prachtig, om stil van te worden. Laten we ook samen zingen, wat, dat maakt niet uit. Zelf kan ik geen instrument bespelen, vals of uit de maat zingen lukt me wel.

Als we het niet zien als een probleem, maar als een kans, dan gaat een wereld van mogelijkheden voor ons open. Twee weken thuiszitten, het kan ook twee weken met meer contact met je partner en/of kinderen betekenen. Twee weken geen sociale interactie kan ook betekenen dat je series in kunt halen op Netflix, of dat je die stapel ongelezen boeken wegwerkt.

Twee weken dat we geen handen mogen schudden of elkaar een knuffel of omhelzing mogen geven, het is niet niks. Ik las het verhaal van een stel dat gescheiden leefde, omdat de een wel en de ander niet besmet was. Zij had de benedenverdieping, hij de bovenverdieping. Het zou voor mij een hel zijn, om gescheiden te moeten leven van mijn lief, ook al duurt het maar even. Volgens Gers Pardoel zouden we juist wel moeten knuffelen, elkaar wel liefde moeten tonen. Ook al is het geen goed idee, behoefte aan liefde hebben we allemaal. We moeten even wachten, Gers. Zoals de Italiaanse premier Conte zei: ‘We houden nu even afstand, om elkaar straks nog steviger te omarmen’.

Liefde in tijden van corona, het valt niet mee. De liefde helpt ons er wel doorheen.