Spring naar toolbar

Brave new world

AFBEELDING VAN MANFRED ANTRANIAS ZIMMER VIA PIXABAY

Er is iets veranderd, je ziet het, je proeft het, je ruikt het, zodra je buiten komt. De weinige mensen die je op straat ziet, houden netjes afstand. Schichtig kijken ze om zich heen, of er niet iemand te dicht in de buurt komt. Je ziet de schrik in de ogen als je iemand bijna tegen het lijf loopt, op straat of in de supermarkt. Snel schieten de ogen een andere kant op, op zoek naar een ontsnappingsroute. Het grootste deel van de dag brengen we binnen door, weer of geen weer. Tuinen zijn een uitweg, waar we even kunnen luchten, even van de zon genieten, zonder iemand te hoeven ontwijken. Er is een nieuwe wereld ontstaan, een brave new world.

Er hangt een serene rust in de lucht. Je hoort vogels fluiten, in plaats van auto’s die langs razen. Er zijn nauwelijks of geen vliegtuigen die overvliegen. De lucht is ook schoon, je kunt nog ‘maar’ 25 minuten in het zonnetje zitten zonder te verbranden. De wereld lijkt klein geworden, niet groter dan het scherm van je pc of laptop.  Via internet houden we verbinding met collega’s, familie en vrienden. De agenda’s zijn leeg, de snelwegen ook. We geven elkaar meer ruimte in de anderhalve meter maatschappij van nu. Even niet met z’n allen tegelijk in de stad, of in de natuur. We reizen minder, ook al is het geen bewuste keuze, het is effectiever tegen de uitstoot van fijnstof of CO2 dan welke andere maatregel ook.

Het ritme van het leven is langzamer, bedachtzamer. Voor introverte mensen zoals ik is het een verademing. Wij hebben rust nodig, en ruimte om ons heen. Lege bossen, zodat je de vogels kunt horen fluiten. Lege straten, zodat we niet overprikkeld worden door langskomend verkeer. En lege agenda’s, zodat we veel tijd hebben voor onszelf, om bij te komen. Voor anderen is het een beproeving, die hebben juist overvolle staten, overvolle agenda’s nodig. Zij verlangen terug naar hoe het was.

Bevinden we ons op een kantelpunt, of keren we inderdaad terug naar de wereld zoals we die kenden? De roep om verandering klinkt al langer, altijd was er wel een reden om het vooral niet te doen. Te moeilijk, te duur, het gaat toch goed zo?

Ook al is deze brave new world maar tijdelijk, ze heeft ons wel iets geleerd. Zoals Pieter Derks het zegt: we kunnen niet meer zeggen dat het niet anders kan.

Een moetje

Bron: Pixabay.com

Het zou mij niet verbazen als het woord ‘moeten’ een van de meest gebruikte woorden is in de Nederlandse taal. U zou er voor de gein eens op moeten letten hoe vaak u dit woord gebruikt. Ik dus ook weer, daarnet. Ik moet dit, ik moet dat. We moeten werken voor ons geld, we moeten studeren, carrière maken, we moeten een nieuwe auto, een nieuw huis én een nieuw mobieltje. We moeten van alles en nog wat, maar is er sprake van echte noodzaak?

Volgens Van Dale (u weet wel, die dikke) heeft ‘moeten’ verschillende betekenissen, u mag ze zelf opzoeken. Er zit vooral een component van dwang in, van verplichting, van noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid. Er wordt gesuggereerd dat er geen keuze is, het móét wel. Een keuze is er altijd, al is het soms een keuze uit twee kwaden. Ik moet naar mijn werk? Welnee. Niet gaan betekent uiteindelijk ontslag en dus geen inkomen. Ik moet studeren? Welnee. Een opleiding is wel verrekte handig als je een leuke baan wilt, met een bijbehorend leuk inkomen. Ik moet carrière maken? Het is net alsof ik mijn moeder hoor praten. Dan heb je meer inkomen, meer aanzien? Ik vind het belangrijker dat een baan leuk is en me voldoende uitdaagt. We moeten belasting betalen? Ja, als u de Fiscus niet achter u aan wilt hebben, is dat wel raadzaam. Veel genade kennen die jongens niet, afgaande op de toeslagenaffaire. Zonder belastinginkomsten kan de overheid het wegenonderhoud ook niet betalen, om maar iets te noemen.

Wat zou er gebeuren als we het woord ‘moeten’ los zouden laten, als we het niet zouden gebruiken? Beter nog, als we ook het woord ‘niet’ los zouden laten? Makkelijker gezegd dan gedaan, gezien het veelvuldig gebruik van beide woorden. Het is soms makkelijker te weten wat je niet wilt, dan wat je wel wilt. Als we die dwang, die verplichting loslaten, als we uitgaan van wat we vooral wel willen, wat zou er dan veranderen?

Volgens mij zouden we veel vrijer zijn, zonder de dwang van het moeten. We zouden veel meer gericht zijn op wat we wel willen, op wat goed en positief is in ons leven en in de wereld. Wat je aandacht geeft, groeit. Daarom wil af van het moeten, van wat ik niet wil. Ik schrap het woord ‘moeten’ uit mijn woordenboek.

Het zal lastig zijn, ik zal regelmatig struikelen, maar ik heb geen keuze. Het is een moetje!

Liefde in tijden van corona

Bron: Pixabay.com

Het zijn vreemde tijden, deze tijden van corona. Tijden van stilte, van lege straten, lege cafés en restaurants. Tijden van volle supermarkten met lege schappen. Tijden van paniek en hysterie, hoezeer de overheid de gemoederen ook probeert te bedaren. Tijden waarin we leven in angst, tijden waarin er geen ruimte lijkt te zijn voor rede.

Ik zie niet een wereld die tot stilstand is gekomen, maar een die juist tot rust is gekomen. Even geen voetbal op TV, geen files op weg naar het werk. In plaats van verlaten wegen zie ik schone lucht. Al dan niet verplicht thuiswerken maakt meer verschil dan de verlaging van de maximumsnelheid, die toevallig of niet ook in deze tijd ingaat. Ik zie geen wereld van mensen die geïsoleerd van elkaar leven, maar een van mensen die juist dichter tot elkaar komen, ook al mogen ze elkaar niet aanraken. In tijden van crises komt het beste in de mens naar boven. Denk maar aan de beelden van mensen op balkons, ergens in Italië, die samen een lied zingen. Het is prachtig, om stil van te worden. Laten we ook samen zingen, wat, dat maakt niet uit. Zelf kan ik geen instrument bespelen, vals of uit de maat zingen lukt me wel.

Als we het niet zien als een probleem, maar als een kans, dan gaat een wereld van mogelijkheden voor ons open. Twee weken thuiszitten, het kan ook twee weken met meer contact met je partner en/of kinderen betekenen. Twee weken geen sociale interactie kan ook betekenen dat je series in kunt halen op Netflix, of dat je die stapel ongelezen boeken wegwerkt.

Twee weken dat we geen handen mogen schudden of elkaar een knuffel of omhelzing mogen geven, het is niet niks. Ik las het verhaal van een stel dat gescheiden leefde, omdat de een wel en de ander niet besmet was. Zij had de benedenverdieping, hij de bovenverdieping. Het zou voor mij een hel zijn, om gescheiden te moeten leven van mijn lief, ook al duurt het maar even. Volgens Gers Pardoel zouden we juist wel moeten knuffelen, elkaar wel liefde moeten tonen. Ook al is het geen goed idee, behoefte aan liefde hebben we allemaal. We moeten even wachten, Gers. Zoals de Italiaanse premier Conte zei: ‘We houden nu even afstand, om elkaar straks nog steviger te omarmen’.

Liefde in tijden van corona, het valt niet mee. De liefde helpt ons er wel doorheen.

Nobelprijs

Born: Pixabay.com

Wie ook de reclamecampagnes van het bekende biermerk uit het Brabantse Lieshout bedenkt, hij of zij verdient een loonsverhoging. De bierbrouwer heeft het Brabantse volksfeest carnaval genomineerd voor de nobelprijs voor de vrede. Uiteraard is dit een reclamestunt, alleen personen en organisaties kunnen worden voorgedragen. Het is wel een briljante stunt, het doel wordt bereikt: meer publiciteit. Het bier wordt er niet lekkerder van, een kniesoor die daar op let.

Je ziet ze overal in het Brabantse, reclameposters met een lachende malloot met een vleeskleurige badmuts op zijn hoofd, met de naam van het dorp of de stad waar de poster hangt. Niet de normale naam, die mensen van boven de rivieren ook kennen (al is het van de atlas, of Google Maps), maar de carnavalsnaam, waarvan de oorsprong niet altijd duidelijk is. Ieder jaar worden alle dorpen en steden omgedoopt en dragen ze vijf dagen lang hun carnavalsnaam, worden de sleutels overgedragen aan Prins Carnaval en gaat iedereen los.

Nou ja, iedereen. Ik vraag me soms wel eens af of ik wel een echte Brabander ben. Koffie drink ik zelden, worstenbrood vind ik dan wel lekker, maar carnaval? Nee, daar houd ik me verre van. Niet vanwege de busladingen van boven de rivieren, die denken dat het tijdens carnaval gaat om zuipen en vrouwen lastigvallen. Of vanwege bezopen Brabanders, die hetzelfde denken. Zelf drink ik, wel met mate. Hossen en hoempapamuziek, ik heb er gewoon niets mee. Je kunt alleen aan mijn zachte ‘g’ horen dat ik uit Brabant kom.

Carnaval is meer dan drank en ‘foute’ muziek, het is meer dan even met z’n allen uit je dak gaan, voor we veertig dagen vasten.  Al wordt het vasten tegenwoordig overgeslagen, het feestje van tevoren gaat gewoon door. Een feestje waarbij mensen een transformatie lijken te ondergaan, evenals hun woonplaats. Menigeen houdt het bij een kiel of lange jas, sommigen maken echt werk van hun kostuum, met een ludieke gedachte erachter.

Het idee om carnaval te nomineren lijkt onzinnig, het blijft natuurlijk een reclamestunt. Carnaval verbroedert, het verbroedert de deelnemers, maar ook degenen die niet deelnemen. Voor de eersten vervagen alle tegenstellingen in een waas van bier en confetti, de laatsten worden verenigd in hun verbazing over al die gekkigheid, op een stokje.

De nobelprijs voor de vrede zal carnaval niet krijgen. De nobelprijs voor originaliteit verdienden de bedenkers van deze campagne in elk geval wel.

Klassieker versus eenheidsworst

Afbeelding van M-ART-IJN via Pixabay

Ik ben geen autoliefhebber. Ik ben niet iemand die zij vehikel een naam geeft (liefst vrouwelijk), iemand die pas leeft als de wereld in een vage, kleurrijke veeg langs hem heen snelt. Iemand voor wie zijn bolide als een verlengstuk van zijn lichaam is, een opvulling van een lege plek. Voor mij is mijn auto een vervoermiddel dat me van A naar B brengt, liefst zonder tegen te sputteren en zonder te haperen.

Dat wil niet zeggen dat ik niet graag naar auto’s kijk. Het is wonderlijk hoe de een gehaast is en alleen maar sneller en sneller lijk te willen gaan, de ander tuft vrolijk en onverstoorbaar door, in zijn eigen tempo. Misschien is het wel omdat ik niet het oog van een liefhebber heb, auto’s lijken steeds meer op elkaar, ongeacht het merk. Natuurlijk, er is een duidelijk verschil tussen grote en kleine auto’s; binnen de specifieke segmenten zijn de verschillen klein, en is het moeilijker de verschillende merken van elkaar te onderscheiden. Als je niet naar de emblemen kijkt, tenminste.

Zo ben ik erin geslaagd om bijna een hele vakantie lang mezelf wijs te maken dat de auto waarin we het Griekse eiland Rhodos doorkruisten een Peugeot 107 was, terwijl het toch echt een Citroën C1 was, wat duidelijk te zien was middels het embleem op het stuur. Waar mijn reisgenoot me lachend op wees.

Het is eenheidsworst, met het merkembleem als keurmerk. Ook qua kleuren is er weinig verschil, de meeste auto’s zijn zwart, donkerblauw of verschillende tinten grijs.  Ze vliegen als een grijze, grauwe flits aan je voorbij op de snelweg. De uitzonderingen, auto’s met een afwijkende kleur, vallen des te meer op. Ook oude auto’s vallen ook steeds meer op. Niet alleen omdat ze zeldzamer worden, de meeste exemplaren zijn afgevoerd naar andere oorden of verwerkt tot blikjes. Ook omdat het ontwerp en de vormen afwijken.

Laatst zag ik onderweg een auto Ford escort, zilvergrijs. Ik schat dat de auto ergens in de jaren ’80 gebouwd is, zeker weten doe ik het niet. De auto schoot me voorbij, de motor deed het nog prima, zo te zien. Het was misschien niet de mooiste auto die ik ooit gezien heb, het deed mijn ogen plezier een klassieker te zien, te midden van al die eenheidsworsten.

Het is ontnuchterend om te bedenken dat er een tijd was, waarin klassiekers juist eenheidsworsten waren. Het is dus een kwestie van geduld, tot de eenheidsworsten van vandaag klassiekers geworden zijn.

Frenkie & Jacky

Afbeelding van bottomlayercz0 via Pixabay

Ik legde de opbrengst van een ochtendje boodschappen doen bij het filiaal van de Zaanse grootgrutter in het centrum van ons dorp op de kassaband. Op de muur achter de kassa hing een poster met twee bekende voetballers: Frenkie & Jacky. Het was een promotieposter om voetbalplaatjes te slijten, zeer gewild zijn bij het kroost van boodschappen doende ouders. Jongens én meisjes tegenwoordig, de Oranje leeuwinnen halen de mannen aardig in. De leeuwinnen hebben ook een EK op hun naam staan, ze hebben hun eerste WK finale ook al verloren.

Volgens sommige sigaar rokende voetbalcommentatoren kan het vrouwenvoetbal zich niet meten met het mannenvoetbal. Qua commerciële aantrekkingskracht is er nog een lange weg te gaan, qua niveau is het verschil zo groot niet. Ik mag in elk geval graag naar de Oranje leeuwinnen kijken, alsof je bij een gemiddelde wedstrijd op een mannen EK of WK niet in slaap valt, voordat ze met de penalty’s beginnen.

Mijn favoriete leeuwin is zonder meer Jacky Groenen. Onvermoeibaar, overal op het veld te vinden en strooiend met prachtige steekpassjes. Net als Frenkie de Jong. Samen prijkten ze op de poster bij de grootgrutter. Dat bracht me op een idee. Wat de burgerlijke staat van Jacky is, weet ik niet. Frenkie is met vriendin en al neergestreken in Barcelona. Het zal dus wel een fantasie blijven, maar wat als Frenkie en Jacky een kind zouden krijgen? Een heel elftal, voor mijn part. Jongens of meisjes, dat maakt me niet uit.

Wat een geweldig voetbaltalent zou hun kind zijn. Twee keer zoveel techniek en tactisch inzicht, twee keer zoveel kappen en draaien en steekpassjes. En twee keer zo vaak een sporadisch, maar wel fantastisch mooi doelpunt, in het geval van Jacky op een cruciaal moment, met een finale plaats als resultaat. Op welke positie de zoon of dochter van Frenkie & Jacky zou spelen, maakt niet zoveel uit. Het zou zo maar kunnen dat hij of zij doelman/vrouw wordt, zoals de zoon van Ronald Koeman.

Het zal wel nooit meer zijn dan een droom, wel een mooie. De zoon of dochter van Frenkie & Jacky, die vlak voor tijd de winnende maakt in de WK finale, liefst tegen Duitsland. Dat zou voor mij de ultieme voetbaldroom zijn. Ik hoor wijlen Hugo Walker al: ‘Komt dat schot!’, gevolgd door Jack van Gelder: ‘Ja! Jaa! Jaaaaa!’

Dromen zijn bedrog, aldus Marco Borsato. Waar zouden we zijn, als we niet meer zouden durven dromen?

Zoendag

Afbeelding van Bessi via Pixabay

Ik vind het altijd spannend, de eerste werkdag van het nieuwe jaar. Mijn collega’s heb ik vorig jaar voor het laatst gezien, twee dagen geleden dus. Dat is niet wat het spannend maakt. Wel het feit dat er verwacht wordt dat je elkaar een gelukkig nieuw jaar wenst, en vooral wat daarbij komt kijken. De eerste werkdag in het nieuwe jaar: het is een echte zoendag!

Begrijp me niet verkeerd: ik heb niets tegen zoenen, integendeel. Ik heb wel een sterke voorkeur: ik kus het liefst mijn eigen vrouw. Ook al is een vrouw niet de mijne, ik kus haar met plezier. Op de wangen, drie keer, zoals een rechtgeaard Brabander betaamd, dat dan weer wel. Ik ben blij dat we niet zoals in oostelijke landen de gewoonte hebben dat mannen elkaar kussen, op de wang. Die prikbaarden van tegenwoordig, ik moet er niet aan denken! Nee, geef me dan maar een gladde, zachte wang.

Wat het spannend maakt, is meer de vraag wat te doen. Ga je alleen de afdeling af waar je werkt, of ga je het hele gebouw door om iedereen de beste wensen te geven? Als je bij een groot bedrijf werkt, met duizenden werknemers, ben je wel even bezig. Bij het bedrijf waar ik werk, gaat het om zo’n 100 personen. Dat is nog te doen, al houd ik het voor het gemak bij de verdieping waar ik werk, met zo’n 20-30 mensen, die niet eens allemaal aanwezig waren. De rust in de kerstvakantie, op weg naar werk of huis, de overvloed aan beschikbare parkeerplaatsen op het werk (normaal gesproken is dat best een probleem, als je niet vroeg begint), ik kan er best aan wennen.

Of het de gouden regel is, weet ik niet, als ik op het werk kom, nadat de champagne en oliebollen gezakt en de kruitdampen opgetrokken zijn, is de collega’s die aanwezig zijn begroeten. De mannen krijgen een hartelijke, stevige handdruk, de vrouwen drie ferme, welgemeende zoenen op hun wangen. Allen krijgen van mij de beste wensen voor het nieuwe jaar, wat zeg ik: het nieuwe decennium. De roaring twenty-twenties, het zal me benieuwen wat het komende jaar op ons pad gaat komen. De collega’s die na mij op het werk verschijnen doen hetzelfde. Het is even onrustig, tot alle nieuwjaarswensen gedeeld zijn, dan gaan we weer aan de slag.

Ook al delen u en ik geen zoendag, ik wens iedereen een mooi, gezond en gelukkig 2020!

Bel-me-wel-register

Bron: Pixabay.com

Het vreemde, doordringende geluid drong maar langzaam tot me door. Het was mijn mobiel dat rinkelde. Gek, ik gebruik hem nauwelijks nog om te bellen. Een onbekend nummer, zag ik op de display. Na een eerste ergernis voelde ik blijdschap, dat iemand de moeite nam om mij te bellen. Mij! Nieuwsgierig nam ik op.  Of het uitkwam dat hij belde, vroeg de onbekende. ‘Natuurlijk!’ antwoordde ik. Het bleek een verkooppraatje, dat al snel ten einde kwam, toen bleek dat ik niet ging kopen.

Ik moet bekennen: stiekem vind ik het wel fijn dat ze me bellen. Gewoon, omdat ik dan weet dat ze even aan me denken. Dat ze het fijn vinden dat ik klant ben, bij hun bedrijf! Het gaat echt niet om het geld, ze missen me écht! Dat voel je gewoon, dat hoor ik in de stem van de jongen of het meisje aan de andere kant van de lijn. Ze zeggen het niet, ze houden het zakelijk. Dat het doel zo goed is, dat mijn bijdrage zo belangrijk is. Of dat het product wat ze verkopen zo goed is, dat het bijna onmisbaar is. Een hoorbare snik, even een trilling in de stem, het is duidelijk. Het gaat om mij! Daarom is het zo jammer, dat aan het eind van een fijn gesprek je doorverwezen wordt naar het Bel-me-niet register. Dat lijkt me volkomen overbodig, het is juist hinderlijk. Was het net gezellig!

Op zich is het geen ingewikkelde opgave om je te registreren in het Bel-me-niet register. Je hoeft alleen maar je (mobiele) telefoonnummer in te voeren, daarna mag je niet meer benaderd worden. Hoewel, het mag wel als je klant bent of bent geweest van het desbetreffende bedrijf of ooit donateur geweest bent. Het is de omgekeerde wereld. In plaats van een Bel-me-niet register zou er een Bel-me-wel register moeten komen. Bedrijven, ideële of charitatieve instellingen mogen alleen iemand bellen als de betreffende persoon expliciet toestemming gegeven heeft. Ook eenzame mensen kunnen zich aanmelden, die om een praatje verlegen zitten. Mensen die een einde willen maken aan de voortdurende telefoonterreur van niet aflatende verkopers hoeven niets te doen, het houdt vanzelf op.

Ik zie het wel zitten. Als het gemis te erg wordt, als ik weer eens gebeld wil worden, meld ik me aan. En ga zitten wachten bij de telefoon, tot die weer eens rinkelt.

Ik ben benieuwd hoe lang ik moet wachten.

Holland bestaat niet

Afbeelding van Mabel Amber, still incognito… via Pixabay

 

Wat zegt u als u in het buitenland bent en iemand vraagt waar u vandaan komt? Zegt u dan ‘I am from Holland’ of ‘I am from The Netherlands’? Volgens de ministeries van Buitenlandse en Economische Zaken worden de twee zo vaak door elkaar gebruikt, dat het voor buitenlanders niet meer te volgen zou zijn. Ze willen orde scheppen in deze chaos, vanaf nu bestaat Holland niet meer en is het alleen nog maar The Netherlands.

Een typisch staaltje bemoeizucht uit Den Haag, zou je denken. De knappe koppen op beide ministeries hopen zo dat de drommen toeristen niet alleen naar de Randstad komen, maar ook de rest van ons land ontdekken. Ze willen ons land ook afhelpen van het imago van kaas, klompen en drugs.

Zouden buitenlandse toeristen niet meer en masse naar Amsterdam komen als we onszelf The Netherlands noemen? Staat Holland synoniem voor tulpen en grachten? William Shakespeare zei het al: ‘What’s in a name’. Hoe we ons land ook noemen als we buiten onze landsgrenzen zijn, het veranderd niets aan het land dat we met z’n allen vormen, aan de verbondenheid die we voelen met onze geboortegrond of de plek waar we ons thuis gemaakt hebben, het veranderd niets aan wie we zijn: mensen die met 17 miljoen op dat kleine stukje aarde wonen, ingeklemd tussen Duitsland, België en de Noordzee.

Het zou wellicht effectiever zijn als de betrokken ministeries meer zouden doen aan de promotie van het toerisme in de rest van Nederland. Als ze beperkingen zouden stellen aan het toerisme in de Randstad, zoals dat ook gebeurt in steden als Rome, waar je geen ijsje of broodje mag eten op de Spaanse trappen, of mag zitten op de rand van de Trevi fontein. Betuttelend? Zeker! Maar als je niets doet, verandert er ook niets.

Het lijkt meer een publiciteitsstunt, met het Songfestival (én de Grand prix van Zandvoort) in aantocht is het natuurlijk hét moment om ons land in de aandacht te brengen, om erop te wijzen dat Nederland meer is dan alleen Amsterdam, Kinderdijk en de Zaanse Schans. Meer dan alleen drugs, bier en voetbal. Meer dan tulpen, kaas en klompen en een ventje met zijn vinger in de dijk. Iets wat wij provincialen allang weten, maar dat terzijde.

Laat ze maar roepen, laat ze maar zeggen: ‘Holland bestaat niet’. Als je op de tribune zit als Oranje speelt, bekt ‘Hup Holland’ toch net even lekkerder.

Autoloze zondag

Afbeelding van Free-Photos via Pixabay

Er was een tijd dat de snelwegen er verlaten bij laten, op de dag des Heren. Het was een tijd van spelende kinderen, die de lege snelwegen in bezit namen. Kinderen op steps of fietsen, kinderen die knikkeren, rolschaatsen of op een skelter reden. Heerlijke tijden waren het, tijden van rust, ook voor de ongelovigen. Niet alleen kinderen maar ook volwassenen grepen hun kans, de kans om snelwegen voor iets anders te gebruiken dan tomeloos geraas.

Het zijn tijden die misschien terugkomen. De stikstofcrisis legt de bouw stil, en zorgt dat de boeren in opstand komen. Eén autovrije zondag per maand zou al twee ‘mol’ per jaar opleveren, mol is de eenheid waarin de hoeveelheid stikstof gemeten wordt. Zo’n vreemd idee is het dus niet, om de autoloze zondag opnieuw te introduceren. Het is de vraag of de autoloze zondag er daadwerkelijk gaat komen. Er schijnt geen meerderheid te zijn binnen de regeringscoalitie. Alleen de gristelijke partijen zijn voor, niet vanwege de gunstige effecten voor het milieu, maar vanwege het herstel van de voor hen heilige zondagsrust.

Een verlaging van de maximumsnelheid maakt meer kans, ook bij ‘vroempartij’ VVD, wiens lijsttrekker zich voor de verkiezingen nog liet fotograferen met een namaak verkeersbord met ‘130’ erop, om aan te geven dat de partij er voor de automobilisten is. De meeste automobilisten willen echter niet 100 rijden, die willen harder. Véél harder. Op elk moment van de dag, niet alleen op bepaalde tijden of op bepaalde trajecten. Op elke dag van de week, óók zondag. Zij stellen snelheid gelijk aan vrijheid, een vrijheid die ingeperkt wordt als de maximumsnelheid verlaagd zou worden. De auto één dag per maand laten staan, niet vrijwillig, dat kan voor hen echt niet!

Dat een verlaging van de maximumsnelheid minder files oplevert, doordat het verkeer beter doorstroomt bij lagere snelheden (naar het schijnt doordat auto’s dichter op elkaar kunnen rijden, en er dus meer auto’s per kilometer kunnen rijden), dat realiseren deze snelle rakkers zich wellicht niet. Of het telt niet voor hen, evenmin als de verminderde uitstoot van andere schadelijke stoffen.

Het zijn zeker belangrijke argumenten, of de autoloze zondag er nu komt of niet. Wat voor mij het zwaarst weegt, is de rust. Ik geniet van de rust, als ik met 100, 110 over de snelweg tuf, terwijl iedereen me voorbijraast.

Laat maar komen, die autoloze zondag. Of nee, wacht nog even. Ik moet eerst nog een cursus rolschaatsen regelen.