Sneeuwjacht

Foto: Luc van de Wiel

Het KNMI had ons al gewaarschuwd. Het zou gaan sneeuwen, ijzelen en het zou koud worden. De harde, snijdende oostenwind zou leiden tot sneeuwjacht. Hoewel ik een dergelijke waarschuwing niet in de wind wil slaan, is het altijd afwachten wat ervan terechtkomt. Dat er sneeuw zou gaan vallen, zoveel was zeker. Maar hoeveel?

Met een hoopvol gevoel stond ik zondagochtend op. En ja hoor: er lag een behoorlijk pak sneeuw. Onze tuin, bomen, struiken en auto’s, ze waren bedekt met een aardig laagje sneeuw. Op alle daken lag ook sneeuw, tegen schoorstenen en muren van naastgelegen huizen waren kleine sneeuwduinen zichtbaar. Het sneeuwde nog steeds, maar heel licht. Kleine, bijna niet zichtbare volkjes dwarrelden naar beneden, af en toe ruw terzijde geschoven door een windvlaag, die de sneeuw van de daken blies, en opklopte tot een mini-sneeuwstorm. De wind die sneeuw voor zich uitjaagt, dat is wat de KNMI een sneeuwjacht noemt. Ook al sneeuwt het niet meer, als de wind de sneeuw op doet stuiven, merk je het verschil niet.

De wind was koud, en ging door merg en been. Het liet menigeen bepaald niet Siberisch, massaal trokken mensen erop uit, met de slee met daarop de kinderen achter zich aan. De taferelen waren nog winterser dan een paar weken daarvoor, het bruidskleed nog witter. De lucht was nog zwangerder van nog meer sneeuw. De lente, het huwelijk tussen winter en zomer, het leek een moetje te gaan worden.

Aan het ontbijt zaten we te dubben. Ook wij wilden naar buiten, het winter wonderland in. Zouden we dat ’s ochtends doen, of na de middag? Het leek erop dat het de hele dag zou blijven sneeuwen, op een pauze hoefden we niet te wachten. Het witte tapijt, dat zelfs de grauwe lucht helderder doet lijken, het lokte ons naar buiten. Dik ingepakt, de Siberische ijsmuts op het hoofd, waagden we ons naar buiten. Op vele plekken waren kinderen met sleeën in de weer, af en toe vlogen er sneeuwballen door de lucht. Ik durfde te wedden dat veel mensen de (langlauf)ski’s uit het vet gehaald hadden. Moeder natuur zal gedacht hebben: als de mensen niet naar wintersport kunnen, haal ik de wintersport wel naar hier!

Net op het moment dat we twijfelden of we ooit nog sneeuw zouden zien in ons land, op het moment dat we niet zelf op sneeuwjacht konden gaan in winterse gebieden, maakt Koning Winter alsnog zijn entree. Ik moet zeggen: het was een grootse, indrukwekkende entree!

Een wit bruidskleed

Afbeelding van Free-Photos via Pixabay

Winter, het is volgens mij het minst populaire seizoen. Lente, ja, dan ontkiemt het leven en wordt alles weer groen. Zomer, zeker, dan is het lang licht en warm. Herfst, dan kleurt de natuur zo prachtig, vlak voor de winterslaap. Maar winter? Het is koud, guur en dan ook nog eens donker. Winter, veel mensen slaan dit seizoen liever over, het liefst zouden zij willen vluchten, de zon achterna. Helaas, vluchten kan niet meer, in deze tijden van lockdown.

Of we willen of niet, we moeten de winter doorstaan, voordat de lente weer aanbreekt. Leven zonder seizoenen, als het altijd ongeveer even warm is, en winter alleen betekent dat het regelmatig ongenadig hard regent, dat is ook niet alles. Winter kan ook mooi zijn. Als er een waterig zonnetje schijnt, dat de bomen en huizen oplicht en een beetje warmte schenkt in kille tijden. Als de lage zon lange schaduwen werpt, als de opkomende zon de rijp op de bladeren en takken verandert in kleine lichtbolletjes, die als prisma’s het licht in alle windrichtingen verstrooien. De wind snijdt door je wangen, je duikt extra diep weg in je jas, maar als de zon je gezicht verwarmt, is het genieten.

De mooiste dagen zij het zeldzaamst, dagen dat er sneeuw valt, en de sneeuw nog blijft liggen ook. Dagen dat de lucht grijs is, en naadloos overgaat in het grijs van de gestaag vallende sneeuwvlokken. Als de grijze, grauwe lucht weer is opgeklaard, ligt er een prachtig wit tapijt, dat alles bedekt. Het lijkt  alsof we in een winters tafereel terecht zijn gekomen, geschilderd door Anton Pieck. Het heeft iets magisch, het heeft iets van onbedorvenheid.

Het witte tapijt ligt als een deken van stilte over de wereld, die tot rust lijkt te komen. Op drukke wegen blijven auto’s langsrazen, al rijden ze wel iets voorzichtiger. Spelende kinderen, die sneeuwballengevechten houden, sleetje rijden of een sneeuwpop aan het maken zijn, doorbreken de stilte. Het zijn mooie beelden, die ik voor altijd in mijn geheugen wil prenten. Het knisperen van de sneeuw, is er een mooier geluid? De eerste voetstappen in de maagdelijk witte sneeuw, het blijft bijzonder, hoe vaak je het ook meemaakt. Zeker als die momenten steeds zeldzamer worden.

Het is als een wit bruidskleed, dat moeder natuur speciaal voor ons heeft aangetrokken. Om zich alvast voor te bereiden op de lente, het huwelijk tussen winter en zomer.

Verbijstering

Afbeelding van Myriams-Fotos via Pixabay

Ik zag het, vlak voordat we een film zouden gaan kijken. ‘Zo meteen een extra journaal’, was de boodschap. Een verzwaring of verlenging van de lockdown, vermoedde ik. Tot mijn verbazing zag ik dat het ging om iets heel anders, de bestorming van het Capitool, het Amerikaanse parlement. De verbazing sloeg om in verbijstering, bij het gadeslaan van de gebeurtenissen. Een man, met ontblote borst en een bizonvel op zijn hoofd (compleet met hoorns), een man met een doodskop op zijn T-shirt en de slogan ‘Camp Auschwitz. Work brings freedom’, het was een bonte mengeling van fans van Trump. Van aanhangers van complottheorieën tot rechts-extremisten, ze drongen het heilige der heiligen van de Amerikaanse democratie binnen, en lieten een chaos achter.

De hele wereld was zo’n beetje verbijsterd, verontwaardigd, boos! Amerika, het symbool van westerse democratie, werd gegijzeld door een stelletje gekken, die erop uit leken die democratie omver te werpen. Een poging die averechts lijkt te werken, de steun voor Trump lijkt steeds meer af te brokkelen, er werd zelfs gesproken over een afzettingsprocedure. Of het zover komt, is de vraag. Een betere vraag is: hoe kon het zover komen?

Dan heb ik het niet over het falen van de politie in Washington DC, die ondanks de voortekenen én de oproep van Trump ‘Stop the steal’ overduidelijk niet voorbereid was op wat ging gebeuren. Hadden ze dat kunnen, nee móéten weten? Ondanks alle uitspraken van Trump, ondanks de veelheid aan voortekenen, kon ik in elk geval niet geloven dat het daadwerkelijk zou gebeuren. Totdat het gebeurde. Een veel interessantere vraag is wat Trump en zijn aanhangers beweegt om te doen wat ze doen.

Wat er omgaat in de hoofden van deze mensen, ik weet het niet. Ik weet ook niet of ik het zou willen weten, of ik rond zou willen kijken in de donkere krochten van hun gedachten. Wat ik wel weet, is dat er veel onbegrip is, woede zelfs. De Trumpaanhangers zien hun acties als legitiem, noodzakelijk zelfs, ze zijn bereid alles te doen om hun doel te bereiken. Als we niet kijken naar wat hen drijft, wat hen zo heeft gemaakt, zal het probleem niet verdwijnen. Dan kan er zo maar weer een Trump president worden, dan kan het zomaar zijn dat er weer een bestorming plaatsvindt, of dat er daadwerkelijk een burgeroorlog losbarst.

Als we niet leren van de geschiedenis, zijn we gedoemd haar te herhalen. Dat zou nog het meest verbijsterend zijn.

Rollercoaster

Afbeelding van Free-Photos via Pixabay

Het was me het jaar wel, 2020. Het was echt een ‘rollercoaster’, een wilde rit in een achtbaan, keer op keer gingen we over de kop. De rit is nog lang afgelopen, ook nu het nieuwe jaar ingeluid hebben. Misschien dat we over een jaar niet eens meer in de gaten hebben dat we nog steeds in die achtbaan zitten, kijken we niet meer op van wéér een ‘helix’, wéér een ‘camelback’ of ‘bunnyhop’. Om maar eens wat achtbaantermen te gebruiken.

Dat corona de verkiezing van het woord van het jaar domineerde is dan ook niet verwonderlijk. De winnaar van deze verkiezing? In Nederland won ‘anderhalvemetersamenleving’, op de voet gevolgd door ‘fabeltjesfuik’ en ‘viruswappie’. Blokjesverjaardag, hoestschaamte, covidioot, het zijn woorden die we over een paar jaar volledig vergeten zijn. Alleen raambezoek zou een blijvertje kunnen zijn, al zal het wellicht een andere betekenis krijgen. Nee, dan waren de Belgen inventiever, daar werd ‘knuffelcontact’ de winnaar. Een mooi woord, waar ik een warm gevoel bij krijg.

Dat had aan het begin van dit jaar niemand kunnen denken. Van een lockdown, intelligent of niet, hadden we nooit gehoord. Laat staan dat we gedacht hadden dat het een thema of aanleiding voor een feestje zou kunnen zijn, voor degenen die het niet wilden geloven. Kuchschermen of mondkapjes, ach dat was iets voor verre landen, met veel luchtverontreiniging en zo. Vakantie in eigen land? Het kwam bij de meesten van ons niet eens op. Nu is corona niet meer weg te denken, zelfs als je denkt dat het niet meer dan een griepje is. Corona, je kunt het voor bijna elk woord zetten. Coronamoe, wie is dat niet? En wat te denken van de coronabonus voor zorgmedewerkers, die eerst applaus kregen, maar uiteindelijk niet gevrijwaard bleven van het ongeduld dat onze samenleving zo kenmerkt tegenwoordig. Bij het woord ‘golf’ denken we niet meer aan een auto of aan de zee, maar ‘eerste’ of ‘tweede’. Wie weet komt er ook nog een ‘derde’.

Horeca open of dicht, thuiswerken of op kantoor, welke beroepen en winkels wel of niet essentieel zijn, de regering weet het zelf niet eens, heb ik het idee. Of de huidige lockdown de laatste is, en of straks alles en iedereen thuis moet zitten, al dan niet werkend, niemand die het weet.

Dan is het misschien wel passend, dat juist in 2020 het nummer ‘Rollercoaster’ van Danny Vera op 1 staat in de Top 2000. Opdat we nooit vergeten.

De klant is koning

Afbeelding van David Mark via Pixabay

Schrijven is mijn passie. Ik schrijf, zo veel en zo vaak ik kan, over van alles en nog wat. Ik schrijf, ook al word ik er niet rijk van. Ik schrijf, zolang mijn vingers een pen vast kunnen houden of een toetsenbord kunnen beroeren. Ik schrijf, dus ik besta!

Als schrijver heb je ook een held nodig, een voorbeeld om na te streven, of om je aan op te trekken. Mijn voorbeeld is niet Jan Wolkers of Harry Mulisch, ook niet Özcan Akyol of Martin Bril, evenmin is het Saskia Noort of Esther Verhoef. Mijn voorbeeld is een man die niemand kent, een man wiens gezicht niemand kent, maar diens woorden wel: Jan Snoek.

Jan is de man achter koning Willem-Alexander, de man die al sinds 2013 zijn toespraken schrijft. Als (tekst)schrijver is het zo ongeveer het hoogste dat je kunt bereiken, schrijven voor de koning. Jan kijkt ook naar setting en presentatie. Hij bedenkt niet alleen wat de koning zegt, maar ook hoe hij het zegt en tegen welke achtergrond.

Jan is mijn voorbeeld. Ik ben jaloers op hem, op zijn baan, ik wil het óók! Niet vanwege de eer, de tekstschrijver van de koning te zijn. Ook niet vanwege het feit dat 17 miljoen mensen je woorden horen of lezen, zij het soms indirect. Evenmin omdat als je tekstschrijver van de koning bent je ongeveer in de Champions League van het schrijverschap speelt. Nee, ik ben jaloers om één simpele reden: de uitdaging. Om recht te kunnen schrijven wat nog krommer is dan een banaan. Om te zorgen dat onze koning niet overkomt als een onverschillige man die alleen geeft om zijn behoeften en niet in de gaten heeft dat hij een voorbeeldfunctie heeft, of als een superrijke vent die geen weet heeft hoe het is om met weinig rond te moeten komen, of een elitair figuur die zich verheven voelt boven de massa die officieel zijn onderdanen zijn.

Het vakantietripje naar Griekenland in coronatijden, het is maar het meest recente voorbeeld. Het vakantiehuisje in Mozambique, weet u het nog? De koning schijnt ook een motorboot gekocht te hebben voor bij zijn vakantievilla in Griekenland, voor een kleine twee miljoen euro. En dat midden in de coronacrisis. Stuk voor stuk geweldige uitdagingen, die het uiterste vragen van een tekstschrijver.

Het zou niet eenvoudig zijn, ik zou wellicht mijn ideeën en principes op moeten offeren. Wat moet, dat moet. Want de klant is koning!

Alle zegen komt van boven

Afbeelding van Markus Spiske via Pixabay

Alle zegen komt van boven, luidt het gezegde. De ene keer komt er wat meer zegen dan de andere. Ik laat me hooguit door een overdaad aan neerslag weerhouden van mijn dagelijkse wandeling rond het middaguur, om even de benen te strekken.

Zo ook op een regenachtige nazomerdag. Het leek in eerste instantie mee te vallen, anders was ik er niet aan begonnen. ‘Het regent hoor’, zei de dame aan de receptie op mijn werk. ‘Dat geeft niet’, antwoordde ik. ‘Ik ben gewapend’, zei ik, wijzend op mijn paraplu. Op het eerste gezicht leek het mee te vallen. Het drupte licht, als de kwast van een overijverige priester bij een inzegening. Ik klapte mijn paraplu uit, meer uit voorzorg. Ik was de hoek nog niet om, hooguit een paar honderd meter ver, toen het harder begon te regenen. Vooralsnog hield mijn paraplu dapper stand!

Gaandeweg namen de problemen toe. Erg stevig was mijn paraplu niet, de wind kreeg er aardig grip op. Met twee handen moest ik mijn paraplu vast proberen te houden, terwijl de regen ons geselde. Hoezo ‘regen is een zegen’? Zo voelde het in elk geval niet. Het was een verloren gevecht, hoewel de paraplu niet openklapte, hield hij geen stand. De wind waaide de regen langs alle kanten over me heen, alleen mijn hoofd en schouders bleven enigszins droog. Was-ie nog ergens goed voor, die paraplu.

Even stond ik in dubio. Word ik boos, en barst ik uit in een creatieve stroom (zachte) vloeken? Daar ben ik de persoon niet naar. Kies ik voor ‘Singing in the rain’? Nee, ik beperk mijn vocale uitingen tot de privacy van mijn douche. Ik bevond me precies halverwege, omkeren had dus weinig zin. Verder gaan beloofde ook een nog natter pak, schuilplaatsen waren niet voor handen. Wat te doen?

Wat kun je doen, als je geconfronteerd wordt met een situatie waar je niets aan kunt veranderen? Nat was ik toch al. Ik begon te lachen, eerst zachtjes, daarna harder. Niemand die me hoorde, iedereen had een veilig maar vooral droog heenkomen gezocht. Behalve ik, zei de gek. Met een lach op mijn gezicht liep ik verder, banjerend door de plassen als een uitgelaten kind. Als een verzopen kat kwam ik weer terug op mijn werk, waar ik weer op kon drogen.

Ik voelde me werkelijk een door en door gezegende man. Dankzij de zegen van boven.

Code geel

Afbeelding van Wolfgang Vogt via Pixabay

We leven in een in een in georganiseerd land. Van geboorte tot de dood, alles wordt geregistreerd. Van leerplicht tot sollicitatieplicht, van rijbewijs of paspoort tot vis- en kapvergunningen, overal zijn regels voor.

Geen wonder dus dat als er een keer extreem weer is we de KNMI nodig hebben om ons te vertellen wat wel en wat niet kan. De KNMI is, geheel in de traditie van ons land, een supergeorganiseerd geheel. Voor elk weertype hebben de bollebozen een kleurcode bedacht. Te beginnen met groen. Groen, het teken dat we weer mogen gaan rijden bij een stoplicht, dat is de beste kleur. De kleur van niets aan de hand, u kunt gewoon doen als normaal, er zijn geen bijzondere of gevaarlijke weersomstandigheden. Een gevoel van opluchting maakt zich van me meester: ik hoef geen maatregelen te nemen. Dat scheelt!

Dan komt geel. Als code geel geldt, is er mogelijk kans (!) op gevaarlijk weer. Gladheid, flinke sneeuwbuien, extreem warm weer of onweersbuien, al dan niet gepaard gaand met windstoten, het is goed om dat te weten. De tip van de KNMI is een goeie: wees alert! Een goed begin, mijn nieuwsgierigheid is gewekt.

Oranje, de kleur die bij stoplichten voor menigeen reden is het gaspedaal extra in te trappen in plaats van af te remmen, is wel een stapje hoger: er is grote kans op gevaarlijk weer.  Meer gladheid, driftsneeuw, nog warmer weer of nog hardere windstoten. Het gevoel van stijgende ongerustheid wordt niet bepaald getemperd door het advies van de KNMI: wees niet alleen alert, maar tref ook maatregelen. Gossie. Welke maatregelen dan?

Rood is de kleur van gevaar, de kleur die ons vertelt dat we moeten stoppen, in elk geval bij een stoplicht. Je zou verwachten dat alles uit de kast gehaald wordt. Verder dan ‘Je kunt er zeker van zijn dat er problemen ontstaan’ en ‘Je doet er verstandig aan al je activiteiten aan te passen’ komt het KNMI niet. Geen zandzakken voor de deur, geen aanrader om toch vooral voldoende wc-papier in te slaan, niets van dat al. Een beetje een anticlimax.

Prachtig, die kleuren codering van het KNMI. Welke maatregelen ik zou moeten treffen bij code oranje, ik gebruik gewoon mijn fantasie. Bij rood blijf ik gewoon binnen. Code geel, die vond ik nog het mooist. Wie had daar ooit aan gedacht, om alert te zijn onderweg?

Sowieso wel handig, als je je in het verkeer begeeft.

Monster in schaapskleren

Afbeelding van Nicky ⭐🕯️⭐ MERRY CHRISTMAS ⭐🕯️⭐ • 👉 PLEASE STAY SAFE 👈 via Pixabay

Met een blik vol afschuw keek ze naar hem, een blik vol boosheid. Onzekerheid, over wat precies gebeurd is die nacht. Een verdriet, onmetelijk veel verdriet. ‘Voor mij ben jij geen mens, je bent een monster’, zei Femke Verstappen, de zus van Nicky. Het verdriet van Nicky’s familie is niet te bevatten. Als je zoiets hebt meegemaakt, kun je het je misschien een beetje inbeelden. Een beetje. Jos B., het doelwit van deze hartenkreet, hoorde schijnbaar onbewogen toe.

Was Jos B. maar een monster. Was hij maar drie meter hoog, met monsterlijke klauwen en tanden. Kon hij alleen maar vervaarlijk brullen of huilen, in plaats van spreken met zilveren tong. Had hij maar hoorns op zijn hoofd, als een echte duivel. Dan konden kinderen als Nicky tenminste ontsnappen aan roofdieren als Jos of Marc Dutroux. De werkelijkheid is anders. Deze roofdieren dragen schaapskleren, ze zien eruit als een onschuldige, zij het excentrieke buurman. Als een wereldvreemde, enigszins schuwe man. Als een brave huisvader, zoals zo vele beulen uit de vernietigingskampen van de Nazi’s. Monsters, met menselijke trekjes, al zie die die niet, als je kijkt naar hun daden.

Maar Jos B. is een mens, niet zoals u en ik, gelukkig niet. Ergens in zijn leven is het misgegaan, ergens is er een vreselijke kronkel in zijn hersenen ontstaan. Een kronkel waardoor hij deed wat hij gedaan heeft, waardoor hij zijn lusten ten koste van onschuldige kinderen moet bevredigen, wat dat ook voor die kinderen moge betekenen. Een kronkel waardoor hij geen verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn daden.

Had Nicky er mee kunnen leven? Het zou een vreselijk zware last zijn geweest. Of hij de kracht gehad had om ermee om te gaan, zoals Elizabeth Smart, is de vraag. Elizabeth werd op 14-jarige leeftijd ontvoerd werd met een mes op haar keel, terwijl haar zusje naast haar lag. Na negen lange maanden werd ze herenigd met haar familie. Wat haar op de been hield, wat ervoor zorgde dat ze weer verder kon? Het inzicht dat haar familie onvoorwaardelijk van haar hield, ongeacht wat er gebeurd was. Dat ze wel waardevol is, dat ze geen controle heeft over wat haar overkomen is, maar wel over hoe ze daarmee omgaat. Prachtige, inspirerende woorden, waar de familie van Nicky misschien ook wat aan heeft.

Kunnen we ooit de monsters in schaapskleren herkennen? Ik hoop het, van ganser harte. De monsters die ontmaskerd zijn, mogen niet vrijkomen. Zodat er geen nieuwe Nicky’s bijkomen.

Paniekvoetbal

Afbeelding van Ben Kerckx via Pixabay

We moeten er toch aan geloven. Mondkapjes, persoonlijk verafschuw ik ze. Als je iemands gezichtsuitdrukking niet kunt zien, mis je de lichaamstaal, het belemmert de communicatie. Je bent gedwongen mensen te geloven op hun ogen, blauw of niet. De regering, die maandenlang stug volhield dat mondkapjes niet helpen, adviseert ineens het dragen ervan. Baat het niet, dan schaadt het niet, is de uitleg. Dat klinkt niet alsof ze zelf niet overtuigd zijn, hoe willen ze ons dan overtuigen? In voetbaltermen: het is paniekvoetbal.

Het coronavirus is langzamerhand niet meer weg te denken uit ons leven. Totdat er een geneesmiddel en vaccin zijn, is het raadzaam het virus onder controle te houden, voor zover mogelijk. Veel is er niet dat we kunnen doen, afstand houden is met afstand het effectiefst, voor sociale wezens als ons is het wel erg lastig. Als je iemand hebt, is het nog wel vol te houden. Als je alleen bent, mis je toch (fysiek) contact. Een knuffel, een korte aanraking, we hebben het nodig. Ik wel, tenminste. Anders sta je buitenspel.

Als het dragen van een mondkapje verplicht wordt, dan zal ik me daartegen niet verzetten. Zelfs al geloof je dat het allemaal wel meevalt met corona, zelfs al ben je tegen alle maatregelen, de snelste manier om ervan af te komen, is eraan mee te werken. Nog afgezien van het feit dat je niemand wil besmetten. Protesteren bij de scheidsrechter heeft weinig zin, die veranderd zelden van mening.

Dus heb ik ook maar mondkapjes aangeschaft.  Al maakt het je niet immuun en werkt het alleen als je het mondkapje goed om- en afdoet, en telkens een nieuw gebruikt. Is het idee dat mondkapjes mensen eraan herinneren dat ze afstand moeten houden? Dat lijkt me een illusie, zoals wel gebleken is in Spanje. In het land waar iedereen een mondkapje draagt maar niemand afstand houdt, zijn de meeste besmettingen in de EU. In Duitsland werkt het wel, maar daar houden ze netjes afstand.

Als mensen geen afstand houden, moet je iets. Alleen een advies geven, dringend of niet, dat voelt twijfelachtig, alsof de regering geen keuze wil maken. Niet kiezen is ook kiezen. Misschien een idee voor Mark en Hugo: je krijgt een gele kaart als je het mondkapje aan de buitenzijde aanraakt en je krijgt een rode kaart als je het mondkapje na gebruik opvouwt en in je broekzak stopt. Zou dat werken?

Ik ben blij dat Mark Rutte geen bondcoach geworden is, met paniekvoetbal win je maar zelden een wedstrijd.

Onbeschoft

Afbeelding van Robin Higgins via Pixabay

Ik was in opperste concentratie verzonken, de denkrimpels trokken diepe groeven in mijn voorhoofd. In de verte hoorde ik een geluid: mijn mobiel. Eigenlijk vond ik het een beetje onbeschoft, wie waagde het mij te storen?

Een blik op de display maakte me niet veel wijzer: een onbekend nummer. Onbekend maakt onbemind, als het gaat om onbekende bellers. 076 zag ik als kengetal in het scherm. Dat is het kengetal van mijn voormalige thuisstad, de parel van het zuiden. Mijn moeder was het niet, wie zou me willen bellen? Willen ze me terug?

‘Met Luc’, ze ik. ‘Spreek ik met de heer Van de Wiel?’ klonk het terug. Het is nooit goed nieuws, als iemand me bij mijn achternaam noemt. ‘Daar spreekt u mee’, antwoordde ik, al wetend welke kant het op zou gaan. En ja hoor: ‘Met het Energie Loket’ zei de man. Of was het Energie Label? Om eerlijk te zijn, na het woord ‘energie’ was ik al afgehaakt. ‘Daar gáán we weer’ dacht ik, met een zucht. ‘Sorry dat ik u onderbreek’, zei ik, ‘Ik heb geen belangstelling en zou nu graag het gesprek willen beëindigen’. De man, duidelijk verbouwereerd, sputterde tegen. ‘Maar meneer, wilt u niet even horen wat ik te zeggen heb?’ Nogmaals herhaalde ik dat ik het gesprek wilde stoppen. ‘Maar meneer’ probeerde hij nog eens. Vasthoudend was hij zeker, een goed luisteraar niet. Na de derde keer hing ik op, kokend van woede. Wie niet horen wil, moet maar voelen. En wie zijn billen brandt, zit behoorlijk ongemakkelijk.

Ik zie het al voor me, een callcenter gevuld met puistige jonge mannen en -vrouwen, angstig kijken naar het prikbord met daarop de target die ze moeten halen. Als ze zien hoe ver ze er nog vanaf zijn, breek het angstzweet hen uit. De banen liggen bepaald niet voor het oprapen, in deze barre tijden. Met dat beeld voor ogen schaamde ik me.  Was ik onbeschoft geweest? Zo ben ik helemaal niet! Altijd beleefd, altijd aardig, ook al de situatie er niet om vraagt. Zoals wanneer iemand me iets aan wil smeren, ongevraagd, en dan ook nog met een contract waar alleen hun baas beter van wordt, en waar je niet zomaar onderuit komt.

Mijn schuldgevoel smolt als sneeuw voor de zon. Bovendien, ik had hem gewaarschuwd, tot drie keer toe. De maat is vol, no more Mr. Nice Guy!

Mij lastigvallen als ik druk bezig ben, dát is pas onbeschoft!