Kabaal

Afbeelding van Neven Divkovic via Pixabay

Ruw werden mijn vrouw en ik gewekt uit onze slaap, midden in de nacht. Een oorverdovend kabaal klonk op vanaf de parkeerplaats achter ons huis, aan de kant van onze slaapkamer. Een hard, monotoon en aanhoudend geluid weerklonk tussen de huizen.

Een autoalarm, dachten we eerst. Nee, dat was het niet. ‘Wanneer doet iemand er eens iets aan?’ dacht ik. ‘Komt het uit onze garage?’ vroeg mijn lief. We besloten te gaan kijken, maar dat was het niet. Verrek, het komt van de parkeerplaats. Van mijn eigen auto, bleek al gauw toen ik de poort opendeed. De claxon, die een paar dagen tevoren was gerepareerd, wist van geen ophouden. Een beetje té goed gerepareerd.

In mijn nachtgoed deed ik de motorklep open en stond met mijn handen in het haar. Waar zit de uitknop? Uit pure wanhoop en vol schaamte kroop ik achter het stuur en drukte de claxon in. Zowaar, het hielp! De buurt baadde weer in rust, tenzij ik te hard of te zacht drukte, en de brulboei weer loeide, op volle toeren. ‘Sorry!’ riep ik, zonder dat iemand het kon horen.

Mijn lief en een buurvrouw, de enige die op het lawaai afkwam, keken onder de motorkap. De ingeschakelde hulplijn van de garage adviseerde de accu los te koppelen, tot een monteur zou komen. Twee vrouwen die het technische deel voor hun rekening nemen, terwijl de enige aanwezige man achter het stuur zit, het is het toppunt van feminisme.

De rust was weergekeerd, het wachten was nu op de monteur. Repareren kon hij het niet, maar wel een relais eruit halen, waardoor de claxon niet meer af kon gaan.

De andere ochtend, na een gebroken nacht, gingen we terug naar de garage. Het euvel was snel gevonden, de oplossing niet. Er was een onderdeel nodig dat ze niet op voorraad hadden, dat werd besteld. Twee dagen later kon ik terecht, twee dagen zonder claxon. Het is opmerkelijk, pas als je iets niet hebt, mis je het.

Die avond stond mijn auto weer op zijn vertrouwde plek, op de parkeerplaats achter ons huis. Het duurde een paar dagen voor ik met vertrouwen weer durfde te gaan slapen, zonder bang te zijn dat de claxon weer af zou gaan.

Eind goed, al goed. De garage heeft het probleem opgelost, met excuses. Geen van mijn buren heeft geklaagd, al hadden ze daar alle reden toe. Sorry buren, voor het kabaal!

Douze points

girl-4212637_1920
Bron: Pixabay.com

Het is niet dat het niet kan, als heteroman, het Eurovisie Songfestival leuk vinden. Ik houd er niet van, van die wanstaltige vertoning die menig inzending op de bühne brengt. Waar het zou moeten gaan om de muziek, gaat het om de show, die blik in de camera, het opzichtig vertoon van al dan niet oprechte emotie. Om de vertoning, dus.

Om de muziek gaat het allang niet meer. Ooit, in den beginne, was dat misschien zo. Verstand heb ik er niet van. Geef mij maar voetbal!

Mijn lief houdt wel van het songfestival, tenminste als Nederland de finale haalt. Enig chauvinisme is haar niet vreemd. ‘Onze’ Duncan haalde de finale, dus zaten we gezamenlijk voor de TV zaterdag 18 mei. Mijn lief geëngageerd kijkend, ik met mijn laptop op schoot. Terwijl de optredens elkaar opvolgen, verdiepte ik me in vakantieopties voor eind september, als we mijn verjaardag weer ontvluchten.

Of ik wilde of niet, ik kreeg het een en ander mee. Op zijn best waren het aardige liefjes, met muziek die je in beweging brengt, hoe houterig het ook moge zijn (in mijn geval). Met refreinen die lekker meezingen, zoals ‘soldi, soldi’ van de Italiaanse inzending, zo waren er wel meer.

Nee dan de SM show van IJsland, of de Russische inzending, die dacht te winnen met een vreemde vertoning in een soort douchecel (Was dat het wel? Ik keek maar met een half oog, niet eens mijn goede oog). Voor mij was het een voorbeeld van Russische wansmaak, wat ik ook opmerkte. Het ontlokte zowaar een glimlach op het gezicht van mijn lief.

Het enige spannende is de puntentelling, wie krijgt de ‘douze point’? Het begon goed voor Duncan.  Daarna bleven de punten een beetje achter bij de favorietenrol die hij van tevoren kreeg toebedeelt. Tot de ‘publieke’ stemmen aan bod kwamen.

De presentatoren hielden op kunstmatige wijze de spanning erin. Tot vervelens toe herhaalden ze hoeveel punten Zweden nodig had voor de overwinning. 254, meen ik. Het werden er 93. Terwijl ongeloof en vertwijfeling om voorrang vochten op het gezicht van de Zweedse deelnemer, ontlaadden de emoties van Duncan en zijn gevolg zich op orgastische wijze.

Volgend jaar mogen ‘wij’ dus het songfestival organiseren, een dure grap. Of we daar zo blij mee moeten zijn, is nu niet belangrijk. Nu zijn we blij, voor Duncan. 44 jaar hebben we moeten wachten, nu kunnen we er weer even tegen.

Wanneer wordt Nederland eindelijk wereldkampioen?

Moederdag

teddy-1338930_1920
Bron:Pixabay.com

Met bezwete gezichtjes stonden mijn broer en ik te zwoegen boven het gasfornuis. Hoe doet mamma dat toch, iedere dag weer? Het leek zo simpel, als zij het deed. Onze vader keek bezorgd over onze schoudertjes mee, het brandblusapparaat in de aanslag. De zelfgemaakte kunstwerkjes lagen al klaar, mooie tekeningen met moeder als stralend middelpunt.

Een eitje koken, een paar boterhammen toasten, zo moeilijk was het niet. Het eitje moet drie minuten in kokend water, had mamma tegen pappa gezegd. ‘Dat weet ik ook wel!’, had pappa een beetje geprikkeld geantwoord. Om het vervolgens even gauw op te schrijven, toen mamma even niet keek.

Mamma hoorde het gerommel beneden in de keuken aan, en zuchtte nog maar eens. Voor haar hoefde het niet zo nodig, ik ben toch elke dag moeder, dacht ze bij zichzelf. Onze verwachtingsvolle gezichtjes toen we met het resultaat van onze noeste arbeid boven kwamen, dat was onbetaalbaar.

Ze nam het eitje dat net te zacht gekookt was en de toast die enigszins geblakerd en dik besmeerd was met liefde en jam graag voor lief.

Het ontbijtje zit er niet meer in, op Moederdag zijn we present. Het eitje en de kunstwerken hebben plaatsgemaakt voor een bloemetje of een mooie tuinplant, die we vroeger samen gingen halen. Sinds ik verder weg woon, en mijn moeder al wat ouder is, haal ik het alleen.

‘De zorgen worden niet minder, ook nu jullie volwassen zijn’, zegt mijn moeder wel eens. Mijn moeder en ik, we waren en zijn het niet altijd met elkaar eens. De band is en blijft, ze was er altijd voor me, als ik vroeger uit school thuiskwam. Een koekje bij de thee, ’s avonds wat lekkers en ze kan nog steeds heerlijk koken. De liefde van de zoon gaat ook door de maag!

Ze heeft andere ideeën als ik, als het gaat om mijn carrière. Zij heeft meer ambitie dan ik, gevoed door het feit dat ze haar ambities niet heeft kunnen realiseren. Als oudste van zes kinderen moest ze gaan werken, waar haar broers en zussen wel een opleiding mochten volgen.

‘Je had binnenhuisarchitecte moeten worden’, zeg ik wel eens tegen haar. Gevoel voor gezelligheid en sfeer heeft ze, als het gaat om het inrichten van een huis.

Ze is uniek, mijn moeder. Ik ben zuinig op haar, geniet van de momenten samen. Straks, als die momenten slechts herinneringen zijn, zal ik ze koesteren.

Twee minuten stilte – de vrijheid schreeuwt niet

wreath-3377472_1920
bron: Pixabay.com

Ik zou het uit willen schreeuwen, op de Dam, tijdens de Dodenherdenking. Een oerschreeuw, uit het diepst van mijn hart. Niet uit disrespect, noch uit wanhoop of om de aandacht te trekken. Nee, uit pure vreugde!

Vreugde om het feit dat ik de vrijheid heb om te schreeuwen, of liever: om te zeggen wat ik denk. Dat wij in vrijheid kunnen leven, ongeacht afkomst, geloof of geaardheid. Die vrijheid hebben we te danken aan de mannen en vrouwen die hun leven gegeven hebben, in de Tweede Wereldoorlog en daarna.

Deze mensen streden tegen racisme, tegen de verderfelijke, misdadige ideeën van de Nazi’s. Ideeën die het slechtste in de mens naar boven brachten, zoals Jodenjagers, die 7,50 Gulden kregen voor iedere Jood die ze aanbrachten. Joden, die vervolgens onder onmenselijke omstandigheden afgevoerd werden naar vernietigingskampen. Opeen gepropt in treinwagons als beesten, in afwachting van hun trieste lot.

In die kampen werden ze ofwel meteen vermoord, ofwel uiterst langzaam. Door uitputting, ondervoeding en mishandeling.

Dat alles omdat ze anders waren, en blijkbaar een bedreiging. Ook andere mensen die om de een of andere reden afwijken van de norm krijgen in toenemende mate te maken met agressie. Discriminatie is van alle tijden, het zal wellicht nooit verdwijnen.

De strijd die we op 4 en 5 mei herdenken, is nooit echt voorbij. Ook nu staat de vrijheid voortdurend onder druk. Iedere roep om ‘minder, minder’ is niets minder dan een aanslag op de vrijheid van ons allemaal. Een vrijheid waar zo hard voor gevochten is, een vrijheid die we niet zomaar op mogen geven.

De vrijheid schreeuwt niet. Ze fluistert zachtjes in je oor, bijna onhoorbaar. ‘Zie mij, hoor mij, beleef mij’. Een smeekbede bijna, een vraag om aandacht.

Schreeuwlelijken zijn er genoeg. Mannen of vrouwen die schreeuwen om aandacht, die zo maar wat roepen. Of juist doelbewust roepen wat mensen willen horen, mensen die denken vanuit hun onderbuik. Ze zaaien haat en onverdraagzaamheid, omdat ze zo kunnen scoren. Hun ideeën, als ze die al hebben, werken volgens mij niet. De wereld zou aardig leeg zijn, als ze hun zin zouden krijgen.

Twee minuten stilte, dat is niet te veel gevraagd. Het offer van de strijders voor de vrijheid verdient respect. Twee minuten denken aan de vrijheid, wat die voor ons betekent.

Als we onze geschiedenis vergeten, zijn we gedoemd haar te herhalen. Dus ben ook ik twee minuten stil. Om 20.03 uur schreeuw ik het uit, van pure blijdschap.

Wankel evenwicht

rollator-3480878_1920
Afbeelding van Jasmin Sessler via Pixabay

Aarzelend kwam ze de winkel binnen, alsof ze niet zeker wist of ze hier wilde zijn. Een stevige kin stak vooruit, een kin waar tante Sidonia jaloers op zou zijn. Haar hoofd stak naar achteren, het leek te zwaar voor haar nek. Een dun, breekbaar lichaam, met twee benige handen die zich vastklemden aan de handvatten van haar rollator. Alsof ze bang was dat die er zonder haar vandoor zou gaan.

Net over de drempel aarzelde ze weer. Ga ik naar links, of ga ik naar rechts? Zo groot was de winkel niet, al was er voldoende te kiezen. Het werd rechts, voor de kijkers thuis links.

Wankel was haar evenwicht, ze had zichtbaar de rollator nodig om overeind te blijven. Ze oogde frêle, breekbaar, iel. Een schim van de kranige vrouw die ze ooit geweest moet zijn, toen ze met ferme tred door het leven ging.

Die tijd lag ver achter haar, een ver vervlogen tijd, nog net zichtbaar in de achteruitkijkspiegel. Het is een teken van vastberadenheid dat iemand zich hierdoor niet laat ontmoedigen. Dat je je wereld niet laat beperken tot je slaapkamer, huiskamer, keuken, toilet en badkamer. Dat je je toch buiten waagt, hoeveel moeite het ook kost. Hoe wankel ook het evenwicht.

Langzaam struinde ze door de winkel, dan weer hier kijkend naar een bloesje, dan weer daar kijkend naar een trui. Even snel als ze gekomen was, verliet ze weer de winkel.

Ineens zag ik haar man, die al die tijd buiten op een bankje zat te wachten. Hij moest zich haasten om zijn vrouw bij te halen, die al op snelheid lag. In de ene hand had hij een riem met daaraan een (jonge) hond, die als een gek aan de riem trok, de man met zich meesleurend. In de andere hand had hij een wandelstok.

Twee mensen, bij wie het evenwicht wankel was geworden. Twee mensen, die zich niet meer op hun evenwichtsgevoel konden verlaten, wat voor de meeste mensen een vanzelfsprekendheid is. Tot je het kwijt bent.

Een teken van een wereld, die aan het afbrokkelen is en steeds kleiner dreigt te worden. Waarbij elke stap je uit je evenwicht kan brengen, alsof je langs een afgrond loopt. Dan is het zaak je niet uit het veld te laten slaan.

Dan moet je alle hulpmiddelen inzetten die je maar kunt, om toch naar buiten te kunnen gaan. Zodat je je horizon, en daarmee je wereld, breed kunt houden.

In de buurt

stop-2785450_1920
Bron: Pixabay.com

Het is een rijtjeshuis, zoals er zoveel zijn in Nederland. In een nette straat, auto’s voor de deur en de stoep netjes geveegd. Een rijtje bomen omzoomd de straat.

Het huis is verzegeld, op last van de burgemeester. Het is een drugspand, blijkbaar. Iets dat je zou verwachten in een achterstandswijk in Eindhoven, Amsterdam of Rotterdam, of in een andere stad. Maar niet in een dorp als Son en Breugel, waar nooit wat gebeurt.

Het huis staat bij mij om de hoek, ik loop erlangs als ik boodschappen ga doen. De tuin ziet er nog net zo verwaarloosd als voor de sluiting, gras, paardenbloemen en onkruid telen welig. Een slaplantage zou mijn broer het noemen.

Ik zag de bewoners wel eens, als ik langs liep. Een rustig, net gezin, zo op het eerste gezicht. De vader, een peuk tussen zijn lippen, keek schichtig om zich heen, leunend in de deuropening. Zijn kinderen, spelend de tuin. De moeder, bezig in de keuken, op de achtergrond. Een aanhanger stond naast het pad, voor de bezorging wellicht.

Nooit heb ik ook maar iets gemerkt, dat de beste man een Nederwietkweker was. Het heeft niet veel gesneeuwd afgelopen winter, anders had ik wellicht het mijne ervan gedacht.

De drugscriminaliteit neemt hand over hand toe, ook in rustige dorpen ontkom je er niet meer aan. Net als de overlast die het met zich meebrengt, chemisch afval wordt achteloos gedumpt.

Lang heb ik gedacht dat het iets was van de grote steden, maar die vlieger gaat niet langer op. Verlaten schuren en afgelegen panden in het buitengebied worden meer en meer omgetoverd tot drugsfabrieken, nu is het dus ook naar onze wijk gekomen.

Wat hem heeft verraden, weet ik niet. Waar hij en zijn gezin naar toe zijn gegaan, weet ik evenmin. Naar vrienden of familie, neem ik aan. Het zal je maar gebeuren, als je kind uit zijn huis gezet wordt omdat het een wietkweker is. Misschien zijn ze het gewend, als ze hem maar liefdevol ontvangen.

Het huis zal wel weer bewoond gaan worden, als het stof is gaan liggen. Het zal terugkeren in de maatschappij, net als de voormalige bewoner. Zal hij op het rechte pad blijven, of is de verleiding van het snelle geld te groot?

Een drugspand bij ons in de buurt, het moet niet gekker worden. Net als je denkt dat de drugscene een ver-van-je-bedshow is, komt het akelig dicht in de buurt.

Chef!

kitchen-731351_1920
Bron: Pixabay.com

‘Chef!’ riep de serveerster schuin over haar schouder, in de richting van de keuken. Terwijl ze het zei, blies ze een blonde lok uit haar ogen. Haar ogen spraken boekdelen: ‘Wéér zo een!’

Ik zat meteen gespannen overeind, wetende wat ging komen. De aangesprokene stormde naar buiten, zijn mond zei: ‘Wat is er aan de hand?’, zijn lichaamstaal sprak andere woorden: ‘Wat nou weer?’

‘Ehm’, zei ik, toen de serveerster naar mij wees. ‘Ahem’, voegde ik er welbespraakt aan toe. ‘Meneer heeft een klacht over de soep’, zei de serveerster, wiens geduld duidelijk op was.

Zo vaak gaan we niet uit eten, mijn lief en ik. Als we dan een keer gaan, wil ik graag iets bijzonders eten, dat ik thuis niet zelf zou maken.

Dus bestelde ik vol goede moed champignonsoep, hopende op verse, overheerlijke champignons. En flink veel, als het even kan. Dat was niet te veel gevraagd, als je de prijzen op de menukaart zag.

Het was druk in het restaurant, de serveerster en haar collega’s moesten hard werken. Het duurde even voordat we het voorafje kregen, voor mij dus een dampend bord champignonsoep.

Dampend deed het, tot zover voldeed het aan mijn verwachtingen. Hoe zeer ik ook mijn best deed, champignons waren niet te vinden. Een flardje hier en daar, die wellicht ooit tot een champignon behoord kon hebben.

Misschien dat de champignons even in de soep gezwommen hadden, op weg naar een ander gerecht. Ik besloot bij de bovenvermelde serveerster te informeren, die meteen de schuldige erbij riep, zonder dat ik daarom vroeg.

‘O, is dat zo?’ vroeg de chef, zijn ogen vuurspuwend in mijn richting. ‘Ehm, er zitten geen champignons in mijn soep’, deed ik een nieuwe poging. ‘Ah’, zei de chef. Zonder verder iets te zeggen, pakte hij mijn bord en liep naar de keuken.

Even later kwam hij weer terug, in het midden ontwaarde ik nu een hoopje grijze, glazige klompjes die in de verte iets weg hadden van de gewenste champignons. Er is maar één ding erger dan géén champignons, en dat is champignons uit blik.

‘Dank u wel’, stamelde ik. Snel nam ik een hap. ‘Hmmm’, voegde ik eraan toe. Tevreden draaiden de chef en de serveerster zich om. Het was al een hele overwinning dat ik überhaupt er iets van zei, de volgende stap was er een te ver.

Schielijk wierp ik een blik naar de keuken, waar de chef moest verblijven. Ik raapte mijn moed bijeen, en riep: ‘Chef!’

Datenight

love-316640_1280
Bron: Pixabay.com

Ik was best zenuwachtig, ik geef het toe. Zit mijn haar wel recht? Och nee, doet niet meer ter zake. Heb ik mijn tanden wel gepoetst? Zitten mijn kleren wel goed, staat mijn gulp open?

Het zijn de normale taferelen die iedereen wel kent, die (recentelijk) gedatet heeft. Voor mij was het even geleden, bijna vijf jaar om precies te zijn. Niet zo vreemd, dat ik bang was het verleerd te zijn.

Dit keer was het anders. Dat ze de ware is, dat wist ik al. Ook hoefde ik niet ver te gaan, de date was gewoon in mijn eigen huis. Ook mijn date hoefde niet ver te gaan: het was mijn vrouw!

In onze huiskamer kwamen we samen, ik met een stapel cd’s onder mijn arm, zij hoefde alleen zichzelf mee te nemen. Cd’s, we luisteren er nauwelijks meer naar, in deze tijd van Spotify. We wilden een keer wat anders dan naar de beeldbuis staren. Met onze totale aandacht ergens anders zijn, bij elkaar en bij de muziek. Om zo mogelijk nog dichter bij elkaar te komen.

Het was een leuke uitdaging. Om een aantal cd’s uit te kiezen, met liedjes die echt iets voor me betekenen. En vervolgens die aan mijn lief te laten horen, met uitleg waarom ik ze mooi vind. De eerste was niet zo moeilijk: The Police. De eerste band die ik goed vond, na The Beatles. Een beetje punk, een beetje rock, ontegenzeggelijk de sound van eind jaren ’70, begin jaren ’80. De muziek van mijn jeugd. Of Joe Jackson, uit dezelfde tijd. Simpele, pure muziek. Gitaar, basgitaar, drums en zang. Drie minuten gas geven, dan was het klaar. Heerlijk!

Daarna draaide ik ‘The River’, van Bruce Springsteen, een lied vol melancholie, rauwe emotie en verlangen. Eenvoudige, directe muziek, in een compleet geheel dat nooit zijn glans verliest. Een klassieker!

Frank Boeijen mocht ook niet ontbreken, met ‘Bonze Tongen’, uit dezelfde tijd. Ook toen al schreef Frank prachtige teksten; ‘Wat ik van jou gekregen heb, is meer dan iemand mij ooit geven kan’. Of De Dijk met ‘Als ze er niet is’. Een prater ben ik niet, net zomin als Huub van der Lubbe. Maar ik kan van mijn vrouw houden, zoals niemand anders kan.

Het was een prachtige, bijna magische avond. Gefascineerd keken en luisterden we naar elkaar, en naar de muziek. Het gaf het nog meer betekenis, doordat ik zelf óók ontdekte waarom deze muziek zoveel voor me betekent.

De tirannie van de klok

alarm-clock-2175382_1920
Bron: Pixabay.com

 

We leven in een tijd die geregeerd wordt door de klok. TV, I-pad of mobiel, ze laten ons weten hoe laat het is en of we een afspraak dreigen te missen. Tijd, we hebben er zo weinig van, dus willen we elk moment van de dag weten hoe laat het is.

Als ik wil weten hoe laat het is, kijk ik op mijn mobiel. Een horloge heb ik allang niet meer.

Dat scheelt weer als we weer van wintertijd naar zomertijd gaan, of andersom. Mijn mobiel past automatisch de tijd aan, daar hoef ik niets aan te doen. Alleen mijn wekker heeft in dat opzicht mijn onverdeelde aandacht nodig, twee keer per jaar.

Het valt op zich wel mee, de tijd verzetten op al die klokken. Het uurtje slaap dat je moet missen in het voorjaar, dat valt vies tegen. Is dat het uurtje extra licht op een zwoele zomeravond wel waard?

Die discussie laat ik graag over aan de experts, die hebben er verstand van. Wintertijd schijnt het beste te zijn, al hoorde ik een expert op de radio verkondigen dat we eigenlijk de Engelse tijd aan zouden moeten houden. GMT in plaats van CET dus, om in vaktermen te blijven.

Zelf heb ik er niet zo’n last van het verzetten van de klok, er zijn mensen die dat wel hebben. Die een week van slag zijn, net als wanneer ze jetlag zouden hebben. Ik heb geen idee hoe dat voor ze is, het lijkt me geen pretje.

Wat is de oplossing? Toch maar de wintertijd aanhouden, en dat uurtje extra licht op zomeravonden maar laten voor wat het is? Ze worden er echt niet minder zwoel van.

Er is een alternatief, dat ons kan bevrijden van de tirannie van de klok. Op 31 maart, de ochtend nadat de klok verzet was, werden wij wakker. Niet van de wekker, die stond uit. Nee, van de kippen, die onze buren van een paar deuren verder houden.

Het was een heerlijk geluid om te horen, dat rustgevende gekakel. Een natuurlijk geluid is het.

Kippen weten van nature hoe laat het is, of het tijd is om wakker te worden, te eten of op stok te gaan.

Dus kunnen we zomer- én wintertijd afschaffen, ook GMT en CET kunnen de deur uit. Vanaf vandaag leven we op kippentijd!

Vroeg uit de veren en met de kippen op stok.

Badplaats in de winter

Het strand bij Praia da Rocha.
Het strand bij Praia da Rocha.
Foto: Luc van de Wiel

Een badplaats in de winter is het ergste dat er is, zingt Rob de Nijs. Als ik begin februari samen met mijn lief door de straten loop van Praia da Rocha, zie ik wat hij bedoelt. Praia da Rocha ligt er verlaten bij. Het is goed te zien hoe anders het hier ’s zomers moet zijn. Dan bruist het er van het leven, dan zijn de straten zo vol dat je over de hoofden kunt lopen.

Slechts een enkele toerist of autochtoon waagt zich naar buiten in het druilerige, grijze weer. Inderdaad, er is niets erger dan een badplaats in de winter, als het regent.

De verlaten straten ademen een verlangen uit, dat ook te zien is in de ogen van de restaurant-, bar en winkeleigenaren die verveeld een sigaret roken, net voor hun zaak. Een verlangen naar betere tijden, als het hier druk is en ze niet hoeven te vechten om belangstelling.

Het is een plaats in ruste, die winterslaap lijkt te houden. Slechts een enkel restaurant is open, een paar groepjes mensen zitten verspreid aan een tafel. Het liefst zitten ze aan het raam, met uitzicht op zee en strand, uit de wind maar wel in het spaarzaam schijnende zonnetje.

De badplaats ademt ook nostalgie uit, het ademt ook ongeduld uit. De zomer, met in de slipstream de hordes toeristen en betere tijden, is al zichtbaar op de horizon. Maar ze zijn nog ver weg.

Mijn lief en ik genieten van de rust. Wandelingen langs de ruige kust, met haar beukende golven en steile kliffen, goudgeel en roodbruin gekleurd, zijn een waar genot. Natuurschoon om verliefd op te worden, een liefde die we alleen met elkaar en een enkele andere toerist hoeven te delen.

Voor ons hoeft het niet zo, dat bruisende (nacht)leven. De lallende, stomdronken mensen, in de straten of hangend over een balkon. Overvolle restaurants, waar je moet zoeken naar een plaatsje, om na afloop je een weg te moeten banen door de massa mensen, op weg naar je appartement, waar hopelijk nog wel rust te vinden is.

Nee, geef ons maar een badplaats in de winter. In plaats van te zoeken naar een vrije plaats, zoeken we een restaurant dat open is. De boulevard, én het strand, hebben we vrijwel voor ons zelf alleen. De zon, een vanzelfsprekendheid in de zomer, is nu een geschenk, waar we dankbaar voor zijn.

Een badplaats in de winter, ik vind het helemaal geweldig.

Spring naar toolbar