Kwestie van geduld

Afbeelding van Jo Stolp via Pixabay

Het is een kwestie van geduld, vroeg of laat is het zo ver: tijd voor vakantie! Dat was nog wel een ding. In het voorjaar zouden we naar Noorwegen gaan, maar dat land ging op slot, net als Nederland trouwens. In het najaar wilden we nog een poging wagen, maar waar naartoe? Eerst ging onze aandacht uit naar Zwitserland, al gauw bekroop ons het gevoel dat het geen goed idee zou zijn. Wat als corona een comeback zou maken en het land op slot ging? Het vooruitzicht vast te zitten in het buitenland trok ons niet aan.

Dus werd het een vakantie in eigen land, Zuid-Limburg om precies te zijn. Net op het randje van Nederland zaten we, bij Vaals. Een stukje buitenland in eigen land, met het ‘echte’ buitenland binnen handbereik. Het zacht golvende landschap, de afwisseling van bomen en open velden, van stijgen en dalen, bossen en weilanden, bomen en heggen, het is een lust voor het oog. Met de ‘sjpatzierkaart’ als trouwe met gezel doorkruisten wij al wandelend het herfstige Limburgse land. Tussen twee hoge heggen door, net breed genoeg voor één persoon, door schilderachtige dorpjes, langs het prachtige riviertje de Geul, via de enige berghut van Nederland, het drielandenpunt en de Wilhelminatoren.

Het landschap was nog niet in de grip van de herfst, al had de zomer ons land nét verlaten. Met een extra trui aan en een waterdichte jas verkenden wij het prachtige landschap, zwierven door bossen met prachtige beuken, statige eiken en slanke dennen en over menig weiland, al slalommend tussen de koeien en hun vlaaien door. We lunchten op een heuveltop (met uitzicht, uiteraard), of gezellig samen schuilend onder een afdakje, gewoon op het gras of in de berm, wel op een stukje plastic als het net geregend had. Of het nou het landschap was, of gewoon het feit dat we even uit de dagelijkse sleur waren, ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik verliefd werd. Verliefd op het mooie Zuid-Limburg, verliefd op de heuvels, de haagjes, de bossen en ja, ook op de Limburgse vlaai. Is het niet meer dan een vakantieliefde, die uitdooft naarmate de vakantie langer achter me ligt? Wellicht, de tijd zal het leren.

Waar ik er eerst als rechtgeaard Brabander niet aan wilde, zing ik het nu uit volle borst mee met Rowwen Heze:

‘t is een kwestie van geduld

rustig wachten op de dag

dat heel Holland Limburgs lult!

De klant is koning

Afbeelding van David Mark via Pixabay

Schrijven is mijn passie. Ik schrijf, zo veel en zo vaak ik kan, over van alles en nog wat. Ik schrijf, ook al word ik er niet rijk van. Ik schrijf, zolang mijn vingers een pen vast kunnen houden of een toetsenbord kunnen beroeren. Ik schrijf, dus ik besta!

Als schrijver heb je ook een held nodig, een voorbeeld om na te streven, of om je aan op te trekken. Mijn voorbeeld is niet Jan Wolkers of Harry Mulisch, ook niet Özcan Akyol of Martin Bril, evenmin is het Saskia Noort of Esther Verhoef. Mijn voorbeeld is een man die niemand kent, een man wiens gezicht niemand kent, maar diens woorden wel: Jan Snoek.

Jan is de man achter koning Willem-Alexander, de man die al sinds 2013 zijn toespraken schrijft. Als (tekst)schrijver is het zo ongeveer het hoogste dat je kunt bereiken, schrijven voor de koning. Jan kijkt ook naar setting en presentatie. Hij bedenkt niet alleen wat de koning zegt, maar ook hoe hij het zegt en tegen welke achtergrond.

Jan is mijn voorbeeld. Ik ben jaloers op hem, op zijn baan, ik wil het óók! Niet vanwege de eer, de tekstschrijver van de koning te zijn. Ook niet vanwege het feit dat 17 miljoen mensen je woorden horen of lezen, zij het soms indirect. Evenmin omdat als je tekstschrijver van de koning bent je ongeveer in de Champions League van het schrijverschap speelt. Nee, ik ben jaloers om één simpele reden: de uitdaging. Om recht te kunnen schrijven wat nog krommer is dan een banaan. Om te zorgen dat onze koning niet overkomt als een onverschillige man die alleen geeft om zijn behoeften en niet in de gaten heeft dat hij een voorbeeldfunctie heeft, of als een superrijke vent die geen weet heeft hoe het is om met weinig rond te moeten komen, of een elitair figuur die zich verheven voelt boven de massa die officieel zijn onderdanen zijn.

Het vakantietripje naar Griekenland in coronatijden, het is maar het meest recente voorbeeld. Het vakantiehuisje in Mozambique, weet u het nog? De koning schijnt ook een motorboot gekocht te hebben voor bij zijn vakantievilla in Griekenland, voor een kleine twee miljoen euro. En dat midden in de coronacrisis. Stuk voor stuk geweldige uitdagingen, die het uiterste vragen van een tekstschrijver.

Het zou niet eenvoudig zijn, ik zou wellicht mijn ideeën en principes op moeten offeren. Wat moet, dat moet. Want de klant is koning!

Alle zegen komt van boven

Afbeelding van Markus Spiske via Pixabay

Alle zegen komt van boven, luidt het gezegde. De ene keer komt er wat meer zegen dan de andere. Ik laat me hooguit door een overdaad aan neerslag weerhouden van mijn dagelijkse wandeling rond het middaguur, om even de benen te strekken.

Zo ook op een regenachtige nazomerdag. Het leek in eerste instantie mee te vallen, anders was ik er niet aan begonnen. ‘Het regent hoor’, zei de dame aan de receptie op mijn werk. ‘Dat geeft niet’, antwoordde ik. ‘Ik ben gewapend’, zei ik, wijzend op mijn paraplu. Op het eerste gezicht leek het mee te vallen. Het drupte licht, als de kwast van een overijverige priester bij een inzegening. Ik klapte mijn paraplu uit, meer uit voorzorg. Ik was de hoek nog niet om, hooguit een paar honderd meter ver, toen het harder begon te regenen. Vooralsnog hield mijn paraplu dapper stand!

Gaandeweg namen de problemen toe. Erg stevig was mijn paraplu niet, de wind kreeg er aardig grip op. Met twee handen moest ik mijn paraplu vast proberen te houden, terwijl de regen ons geselde. Hoezo ‘regen is een zegen’? Zo voelde het in elk geval niet. Het was een verloren gevecht, hoewel de paraplu niet openklapte, hield hij geen stand. De wind waaide de regen langs alle kanten over me heen, alleen mijn hoofd en schouders bleven enigszins droog. Was-ie nog ergens goed voor, die paraplu.

Even stond ik in dubio. Word ik boos, en barst ik uit in een creatieve stroom (zachte) vloeken? Daar ben ik de persoon niet naar. Kies ik voor ‘Singing in the rain’? Nee, ik beperk mijn vocale uitingen tot de privacy van mijn douche. Ik bevond me precies halverwege, omkeren had dus weinig zin. Verder gaan beloofde ook een nog natter pak, schuilplaatsen waren niet voor handen. Wat te doen?

Wat kun je doen, als je geconfronteerd wordt met een situatie waar je niets aan kunt veranderen? Nat was ik toch al. Ik begon te lachen, eerst zachtjes, daarna harder. Niemand die me hoorde, iedereen had een veilig maar vooral droog heenkomen gezocht. Behalve ik, zei de gek. Met een lach op mijn gezicht liep ik verder, banjerend door de plassen als een uitgelaten kind. Als een verzopen kat kwam ik weer terug op mijn werk, waar ik weer op kon drogen.

Ik voelde me werkelijk een door en door gezegende man. Dankzij de zegen van boven.

Code geel

Afbeelding van Wolfgang Vogt via Pixabay

We leven in een in een in georganiseerd land. Van geboorte tot de dood, alles wordt geregistreerd. Van leerplicht tot sollicitatieplicht, van rijbewijs of paspoort tot vis- en kapvergunningen, overal zijn regels voor.

Geen wonder dus dat als er een keer extreem weer is we de KNMI nodig hebben om ons te vertellen wat wel en wat niet kan. De KNMI is, geheel in de traditie van ons land, een supergeorganiseerd geheel. Voor elk weertype hebben de bollebozen een kleurcode bedacht. Te beginnen met groen. Groen, het teken dat we weer mogen gaan rijden bij een stoplicht, dat is de beste kleur. De kleur van niets aan de hand, u kunt gewoon doen als normaal, er zijn geen bijzondere of gevaarlijke weersomstandigheden. Een gevoel van opluchting maakt zich van me meester: ik hoef geen maatregelen te nemen. Dat scheelt!

Dan komt geel. Als code geel geldt, is er mogelijk kans (!) op gevaarlijk weer. Gladheid, flinke sneeuwbuien, extreem warm weer of onweersbuien, al dan niet gepaard gaand met windstoten, het is goed om dat te weten. De tip van de KNMI is een goeie: wees alert! Een goed begin, mijn nieuwsgierigheid is gewekt.

Oranje, de kleur die bij stoplichten voor menigeen reden is het gaspedaal extra in te trappen in plaats van af te remmen, is wel een stapje hoger: er is grote kans op gevaarlijk weer.  Meer gladheid, driftsneeuw, nog warmer weer of nog hardere windstoten. Het gevoel van stijgende ongerustheid wordt niet bepaald getemperd door het advies van de KNMI: wees niet alleen alert, maar tref ook maatregelen. Gossie. Welke maatregelen dan?

Rood is de kleur van gevaar, de kleur die ons vertelt dat we moeten stoppen, in elk geval bij een stoplicht. Je zou verwachten dat alles uit de kast gehaald wordt. Verder dan ‘Je kunt er zeker van zijn dat er problemen ontstaan’ en ‘Je doet er verstandig aan al je activiteiten aan te passen’ komt het KNMI niet. Geen zandzakken voor de deur, geen aanrader om toch vooral voldoende wc-papier in te slaan, niets van dat al. Een beetje een anticlimax.

Prachtig, die kleuren codering van het KNMI. Welke maatregelen ik zou moeten treffen bij code oranje, ik gebruik gewoon mijn fantasie. Bij rood blijf ik gewoon binnen. Code geel, die vond ik nog het mooist. Wie had daar ooit aan gedacht, om alert te zijn onderweg?

Sowieso wel handig, als je je in het verkeer begeeft.

Verjaardagsfeest

Afbeelding van Jeevan Singla via Pixabay

Verjaardagen, ik heb er niets mee. Niet met die van anderen, al helemaal niet met die van mezelf. In de ochtend van de dag dat ik 54 jaar geleden geboren werd, voelde ik me hetzelfde als de dag ervoor. Een jaar ouder, maar niet per se wijzer. Iedere dag dat ik wakker word, ben ik een dag ouder. Niets bijzonders, toch?

Ik werd wakker in een bed dat niet het mijne is, naast een vrouw die dat wel is. Al jaren ontwijk ik de dag die voor mij geen bijzondere is, gevierd heb ik het nooit. Wat vrienden, uit eten met goede vrienden, dat is voor mij feest genoeg. Wakker worden in een vreemde omgeving, om die samen met mijn lief te verkennen, dat is voor mij de ideale manier om mijn verjaardag te beleven. Er zijn mensen die het leuk vinden om jarig te zijn en een feestje te vieren. Mijn ding is het niet, om eerlijk te zijn. Ouder worden, het overkomt je, het is niet per se een verdienste. Meer een kwestie van geluk.

Al snel na het ontwaken begon het. Eerst mijn schoonmoeder, die voor me zong. Later mijn eigen moeder, die anders nooit belt, maar gebeld wil worden. Appjes, van familie en vrienden. Een berg aan felicitaties op Gezichtsboek. Veel mensen, veel meer dan ik gedacht had, namen de moeite even aan mij te denken, even een kort bericht te sturen. Eén woord, meer hoeft ook niet. Ik kreeg zelfs een e-mail, van mijn afdelingshoofd. Voor al deze mensen een kleine moeite misschien, voor mij een groot plezier.

In de ochtend gingen mijn vrouw en ik een potje minigolf spelen, op het vakantiepark in Zuid-Limburg waar we verbleven. In de regen, een traditie die een paar jaar geleden ontstond. Tja, als je met alle geweld eind september jarig wil zijn, heb je kans op minder weer. Dat hoeft de pret niet te drukken! Het golfen was lastiger dan je zou denken, met steile hellingen en allerlei barrières. Met geduld en af en toe een klein beetje valsspelen (‘Vooruit dan, het is dat je jarig bent’, zei mijn schat) heb ik het volbracht. ’s Middags gingen we op zoek naar een lekker stukje Limburgse vlaai, geen makkelijke opgave op een maandag. Een dag later hebben we de schade dan maar ingehaald. Een heerlijke maaltijd in een gezellig restaurant lukte wel, gelukkig.

Zo werd de verjaardag die ik liever niet vierde toch nog een feestje.

Voor de spiegel

Aarzelend stond ik voor de spiegel. In die spiegel zag ik een man, die onzeker en enigszins gespannen afwachtte wat er ging komen.

‘Hoe ben ik hier terecht gekomen?’ vroeg ik me af. Ik wist het wel: het was het verjaardagsfeestje van mijn vrouw. Die heeft een nieuwe passie: buikdansen. Een passie die ze graag deelde met haar familie, en met mij. Een deel van me deed graag mee, een ander deel maakte zich zorgen, grote zorgen. Ziet u, ik heb de beweeglijkheid van een hark, een stijve wel te verstaan. Op de dansvloer, welke dansvloer dan ook, kom ik het best tot mijn recht als muurbloem. In gedachten dans ik mee op de muziek, zelfs in de maat. Mijn lichaam weigert elke vorm van medewerking, met een onwennig geschuifel als resultaat. En dat is bij ‘normaal’ dansen. Buikdansen is een graadje ingewikkelder, het is hogeschooldansen.

Zo vond ik mezelf terug voor te spiegel, op een dansvloer ergens in Eindhoven-Noord. Ik was niet alleen, een tiental familieleden en vrienden had zich verzameld. Ik was zelfs niet eens de enige man! In het Midden-Oosten, waar deze dansvorm vandaan komt, wordt ook door mannen gebuikdanst. Dat vertelde Ana, onze lerares, ik geloofde haar graag. Afgezien van de sierlijkheid van de bewegingen van geoefende beoefenaars, is het ook de beste manier om buikspieren te trainen en (buik)vet te verbranden.

Ana deed eerst de pasjes en bewegingen voor. ‘Dat ziet er eenvoudig uit’, dacht ik overmoedig. Om er op het moment dat het erop aankwam erachter te komen dat het allesbehalve eenvoudig was. Mijn voeten waren de pasjes vergeten, mijn armen zwaaiden maar wat en mijn ogen konden niet volgen wat Ana of de anderen ervan maakten. Tot overmaat van ramp zakte mijn heupsjaal af, dat kostte een groot deel van de dansroutine. Het moeilijkst van alles: de shimmy. Voor de leken onder u: bij de shimmy beweeg je vanuit je knieën, heupen of schouders, zonder dat de rest meebeweegt. Mijn shimmy was meer een Sjors.

Hoe leuk het ook was, een zucht van verlichting kon ik ternauwernood onderdrukken, toen het afgelopen was. Voordat we van een heerlijke Libanees/Turkse lunch konden genieten, gaf mijn lief nog een galavoorstelling. Het was adembenemend mooi, hoe ze eruitzag, hoe ze danste, hoe ze genoot, ondanks een lichte nervositeit.

Nog één keer keek ik in de spiegel, voordat we weggingen. De onzekerheid en spanning waren verdwenen. De twijfel ook: een danser ben ik niet.

Paniekvoetbal

Afbeelding van Ben Kerckx via Pixabay

We moeten er toch aan geloven. Mondkapjes, persoonlijk verafschuw ik ze. Als je iemands gezichtsuitdrukking niet kunt zien, mis je de lichaamstaal, het belemmert de communicatie. Je bent gedwongen mensen te geloven op hun ogen, blauw of niet. De regering, die maandenlang stug volhield dat mondkapjes niet helpen, adviseert ineens het dragen ervan. Baat het niet, dan schaadt het niet, is de uitleg. Dat klinkt niet alsof ze zelf niet overtuigd zijn, hoe willen ze ons dan overtuigen? In voetbaltermen: het is paniekvoetbal.

Het coronavirus is langzamerhand niet meer weg te denken uit ons leven. Totdat er een geneesmiddel en vaccin zijn, is het raadzaam het virus onder controle te houden, voor zover mogelijk. Veel is er niet dat we kunnen doen, afstand houden is met afstand het effectiefst, voor sociale wezens als ons is het wel erg lastig. Als je iemand hebt, is het nog wel vol te houden. Als je alleen bent, mis je toch (fysiek) contact. Een knuffel, een korte aanraking, we hebben het nodig. Ik wel, tenminste. Anders sta je buitenspel.

Als het dragen van een mondkapje verplicht wordt, dan zal ik me daartegen niet verzetten. Zelfs al geloof je dat het allemaal wel meevalt met corona, zelfs al ben je tegen alle maatregelen, de snelste manier om ervan af te komen, is eraan mee te werken. Nog afgezien van het feit dat je niemand wil besmetten. Protesteren bij de scheidsrechter heeft weinig zin, die veranderd zelden van mening.

Dus heb ik ook maar mondkapjes aangeschaft.  Al maakt het je niet immuun en werkt het alleen als je het mondkapje goed om- en afdoet, en telkens een nieuw gebruikt. Is het idee dat mondkapjes mensen eraan herinneren dat ze afstand moeten houden? Dat lijkt me een illusie, zoals wel gebleken is in Spanje. In het land waar iedereen een mondkapje draagt maar niemand afstand houdt, zijn de meeste besmettingen in de EU. In Duitsland werkt het wel, maar daar houden ze netjes afstand.

Als mensen geen afstand houden, moet je iets. Alleen een advies geven, dringend of niet, dat voelt twijfelachtig, alsof de regering geen keuze wil maken. Niet kiezen is ook kiezen. Misschien een idee voor Mark en Hugo: je krijgt een gele kaart als je het mondkapje aan de buitenzijde aanraakt en je krijgt een rode kaart als je het mondkapje na gebruik opvouwt en in je broekzak stopt. Zou dat werken?

Ik ben blij dat Mark Rutte geen bondcoach geworden is, met paniekvoetbal win je maar zelden een wedstrijd.

Onbeschoft

Afbeelding van Robin Higgins via Pixabay

Ik was in opperste concentratie verzonken, de denkrimpels trokken diepe groeven in mijn voorhoofd. In de verte hoorde ik een geluid: mijn mobiel. Eigenlijk vond ik het een beetje onbeschoft, wie waagde het mij te storen?

Een blik op de display maakte me niet veel wijzer: een onbekend nummer. Onbekend maakt onbemind, als het gaat om onbekende bellers. 076 zag ik als kengetal in het scherm. Dat is het kengetal van mijn voormalige thuisstad, de parel van het zuiden. Mijn moeder was het niet, wie zou me willen bellen? Willen ze me terug?

‘Met Luc’, ze ik. ‘Spreek ik met de heer Van de Wiel?’ klonk het terug. Het is nooit goed nieuws, als iemand me bij mijn achternaam noemt. ‘Daar spreekt u mee’, antwoordde ik, al wetend welke kant het op zou gaan. En ja hoor: ‘Met het Energie Loket’ zei de man. Of was het Energie Label? Om eerlijk te zijn, na het woord ‘energie’ was ik al afgehaakt. ‘Daar gáán we weer’ dacht ik, met een zucht. ‘Sorry dat ik u onderbreek’, zei ik, ‘Ik heb geen belangstelling en zou nu graag het gesprek willen beëindigen’. De man, duidelijk verbouwereerd, sputterde tegen. ‘Maar meneer, wilt u niet even horen wat ik te zeggen heb?’ Nogmaals herhaalde ik dat ik het gesprek wilde stoppen. ‘Maar meneer’ probeerde hij nog eens. Vasthoudend was hij zeker, een goed luisteraar niet. Na de derde keer hing ik op, kokend van woede. Wie niet horen wil, moet maar voelen. En wie zijn billen brandt, zit behoorlijk ongemakkelijk.

Ik zie het al voor me, een callcenter gevuld met puistige jonge mannen en -vrouwen, angstig kijken naar het prikbord met daarop de target die ze moeten halen. Als ze zien hoe ver ze er nog vanaf zijn, breek het angstzweet hen uit. De banen liggen bepaald niet voor het oprapen, in deze barre tijden. Met dat beeld voor ogen schaamde ik me.  Was ik onbeschoft geweest? Zo ben ik helemaal niet! Altijd beleefd, altijd aardig, ook al de situatie er niet om vraagt. Zoals wanneer iemand me iets aan wil smeren, ongevraagd, en dan ook nog met een contract waar alleen hun baas beter van wordt, en waar je niet zomaar onderuit komt.

Mijn schuldgevoel smolt als sneeuw voor de zon. Bovendien, ik had hem gewaarschuwd, tot drie keer toe. De maat is vol, no more Mr. Nice Guy!

Mij lastigvallen als ik druk bezig ben, dát is pas onbeschoft!

Never ending story

De kogel is door de kerk, schreef ik nu bijna een jaar geleden. Na jaren van bakkeleien was er een ontwerp gepresenteerd, waarbij het zo vurig (door de politiek) gewenste dorpshuis er eindelijk zou komen. Nou ja, we zouden weten hoe het eruit zou komen te zien, in de nieuwe oude Sint-Petrus Bandenkerk. Nog maar een jaar daarvoor was het plan van de toenmalige coalitie om de kogel door de kerk te jagen, maar dan een sloopkogel. Eén enkele vleermuis gooide roet in het eten, anders was de kerk al verleden tijd geweest.

Enfin, de kerk was gered. Daar ging het ons om, afgaande op de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen. Nu zou het dan eindelijk gaan gebeuren, de gemoederen zouden kunnen bedaren. Het vervolg is bekend: pas na twee jaar werd onlangs het definitieve ontwerp met bijbehorende begroting aangenomen. Het bedrag is fors (maar liefst 9 miljoen), daar krijgen we ook wat voor terug. Een dorpshuis, dat niet iedereen wil. Zou dat anders niet ook het geval zijn geweest? Immers, het futuristische ontwerp van Dorpsbelang kreeg ook niet bij iedereen de handen op elkaar. Ook in dat geval zouden er vragen zijn over kosten en exploitatie.

Dat is precies waar het om lijkt te gaan: onze politici moeten iets hebben om ruzie over te kunnen maken. Het gesteggel over het dorpshuis is voor mijn gevoel al een eeuwigheid aan de gang. Discussiëren kun je het niet nomen, daarvoor is het een vereiste dat je naar elkaar luistert en elkaars standpunt respecteert, ook al ben je het niet met elkaar eens. Zelfs als het dorpshuis er eenmaal staat, blijft het geruzie aan de gang. Al is het maar over de lege gemeentekas. Want van de beoogde 9 miljoen is ‘slechts’ 7 miljoen gereserveerd, de overige 2 miljoen moeten nog gevonden worden. Nog afgezien van de vraag of het goedgekeurde budget toereikend zal zijn.

Eén ding is zeker: met onder andere het bespeelbaar maken van De Landing en de verbouwing van de Goudsloot nog voor de boeg, worden het dure jaren. Want wie mag het allemaal uiteindelijk gaan betalen? Niet zoete lieve Gerritje, die is naar Den Bosch. U en ik, dus.

Al met al bekruipt mij het gevoel dat het nog lang niet gedaan is, zelfs nu het er echt van lijkt te komen. De kogel moge dan andermaal door de kerk zijn, het begint meer en meer te lijken op een Never ending story.

Foto in de krant

Met een blij gevoel fietste naar het dorp, een weg die ik al zo vaak heb afgelegd, sinds ik in ons mooie dorp woon. Ook vaak op weg naar het kantoor van de Mooi krant, die tijd ligt inmiddels achter me, een tijd met mooie herinneringen. Nu was ik op weg naar datzelfde kantoor, ditmaal voor een foto.

Ziet u, het is vijf jaar geleden dit jaar, dat Adrie Neervoort een krant begon, die moest gaan concurreren met het Forum. Een krant die het dorpsnieuws op een andere manier bracht, met meer aandacht voor klein, positief nieuws. Gewoon een andere benadering, die mij in elk geval aansprak. Een krant ook waarin mijn columns al drie jaar verschijnen, elke weer één, vakanties daargelaten. Daarom gaf ik met plezier gehoor aan de oproep om een foto te maken van alle mensen die betrokken zijn bij de krant. Veel gezichten waren nieuw voor mij, dat maakte het een klein beetje spannend.

Het regende flink, vlak voordat ik op weg ging. De zomer begon meer te lijken op de herfst, met wind én regen. Op het moment dat ik op weg moest, werd het net een beetje droog. Droog genoeg om met de fiets te kunnen, wat mijn voorkeur had. Ver is het niet, van mijn huis naar het centrum van Son, na een dag thuiswerken kon ik wel wat beweging gebruiken. We verzamelden eerst in het kantoor van de krant, dat niet bepaald berekend was op de stroom aan mensen die bij de krant betrokken zijn. Al gauw vertrokken we richting het Vestzaktheater, waar fotograaf Wil Feijen ons op een corona-bestendige én fotogenieke wijze probeerde te plaatsen. Dat had enige voeten in de aarde, braaf gingen we in rijen staan, op anderhalve meter. Dat was ook weer niet de bedoeling.

Lange mensen achterin, iets meer kriskras door elkaar, het kostte enig geschuif. Eerst even testen op de zelf meegenomen trap (voor een beter perspectief), dan mocht vrouwlief de honneurs waarnemen. Na ongeveer twintig pogingen was het kritisch oog van de fotograaf tevreden, nu moesten er nog portretfoto’s gemaakt worden. Waar eerst nog een geschikte plek (met witte achtergrond) gevonden moest worden. Een voor een mochten we mee, het resultaat kunt u in deze krant zien.

Het is niet mijn jongensdroom, toch is het leuk, mijn foto in de krant. Gefeliciteerd Adrie en alle medewerkers van de Mooi krant, met ons eerste lustrum!