In de buurt

stop-2785450_1920
Bron: Pixabay.com

Het is een rijtjeshuis, zoals er zoveel zijn in Nederland. In een nette straat, auto’s voor de deur en de stoep netjes geveegd. Een rijtje bomen omzoomd de straat.

Het huis is verzegeld, op last van de burgemeester. Het is een drugspand, blijkbaar. Iets dat je zou verwachten in een achterstandswijk in Eindhoven, Amsterdam of Rotterdam, of in een andere stad. Maar niet in een dorp als Son en Breugel, waar nooit wat gebeurt.

Het huis staat bij mij om de hoek, ik loop erlangs als ik boodschappen ga doen. De tuin ziet er nog net zo verwaarloosd als voor de sluiting, gras, paardenbloemen en onkruid telen welig. Een slaplantage zou mijn broer het noemen.

Ik zag de bewoners wel eens, als ik langs liep. Een rustig, net gezin, zo op het eerste gezicht. De vader, een peuk tussen zijn lippen, keek schichtig om zich heen, leunend in de deuropening. Zijn kinderen, spelend de tuin. De moeder, bezig in de keuken, op de achtergrond. Een aanhanger stond naast het pad, voor de bezorging wellicht.

Nooit heb ik ook maar iets gemerkt, dat de beste man een Nederwietkweker was. Het heeft niet veel gesneeuwd afgelopen winter, anders had ik wellicht het mijne ervan gedacht.

De drugscriminaliteit neemt hand over hand toe, ook in rustige dorpen ontkom je er niet meer aan. Net als de overlast die het met zich meebrengt, chemisch afval wordt achteloos gedumpt.

Lang heb ik gedacht dat het iets was van de grote steden, maar die vlieger gaat niet langer op. Verlaten schuren en afgelegen panden in het buitengebied worden meer en meer omgetoverd tot drugsfabrieken, nu is het dus ook naar onze wijk gekomen.

Wat hem heeft verraden, weet ik niet. Waar hij en zijn gezin naar toe zijn gegaan, weet ik evenmin. Naar vrienden of familie, neem ik aan. Het zal je maar gebeuren, als je kind uit zijn huis gezet wordt omdat het een wietkweker is. Misschien zijn ze het gewend, als ze hem maar liefdevol ontvangen.

Het huis zal wel weer bewoond gaan worden, als het stof is gaan liggen. Het zal terugkeren in de maatschappij, net als de voormalige bewoner. Zal hij op het rechte pad blijven, of is de verleiding van het snelle geld te groot?

Een drugspand bij ons in de buurt, het moet niet gekker worden. Net als je denkt dat de drugscene een ver-van-je-bedshow is, komt het akelig dicht in de buurt.

Chef!

kitchen-731351_1920
Bron: Pixabay.com

‘Chef!’ riep de serveerster schuin over haar schouder, in de richting van de keuken. Terwijl ze het zei, blies ze een blonde lok uit haar ogen. Haar ogen spraken boekdelen: ‘Wéér zo een!’

Ik zat meteen gespannen overeind, wetende wat ging komen. De aangesprokene stormde naar buiten, zijn mond zei: ‘Wat is er aan de hand?’, zijn lichaamstaal sprak andere woorden: ‘Wat nou weer?’

‘Ehm’, zei ik, toen de serveerster naar mij wees. ‘Ahem’, voegde ik er welbespraakt aan toe. ‘Meneer heeft een klacht over de soep’, zei de serveerster, wiens geduld duidelijk op was.

Zo vaak gaan we niet uit eten, mijn lief en ik. Als we dan een keer gaan, wil ik graag iets bijzonders eten, dat ik thuis niet zelf zou maken.

Dus bestelde ik vol goede moed champignonsoep, hopende op verse, overheerlijke champignons. En flink veel, als het even kan. Dat was niet te veel gevraagd, als je de prijzen op de menukaart zag.

Het was druk in het restaurant, de serveerster en haar collega’s moesten hard werken. Het duurde even voordat we het voorafje kregen, voor mij dus een dampend bord champignonsoep.

Dampend deed het, tot zover voldeed het aan mijn verwachtingen. Hoe zeer ik ook mijn best deed, champignons waren niet te vinden. Een flardje hier en daar, die wellicht ooit tot een champignon behoord kon hebben.

Misschien dat de champignons even in de soep gezwommen hadden, op weg naar een ander gerecht. Ik besloot bij de bovenvermelde serveerster te informeren, die meteen de schuldige erbij riep, zonder dat ik daarom vroeg.

‘O, is dat zo?’ vroeg de chef, zijn ogen vuurspuwend in mijn richting. ‘Ehm, er zitten geen champignons in mijn soep’, deed ik een nieuwe poging. ‘Ah’, zei de chef. Zonder verder iets te zeggen, pakte hij mijn bord en liep naar de keuken.

Even later kwam hij weer terug, in het midden ontwaarde ik nu een hoopje grijze, glazige klompjes die in de verte iets weg hadden van de gewenste champignons. Er is maar één ding erger dan géén champignons, en dat is champignons uit blik.

‘Dank u wel’, stamelde ik. Snel nam ik een hap. ‘Hmmm’, voegde ik eraan toe. Tevreden draaiden de chef en de serveerster zich om. Het was al een hele overwinning dat ik überhaupt er iets van zei, de volgende stap was er een te ver.

Schielijk wierp ik een blik naar de keuken, waar de chef moest verblijven. Ik raapte mijn moed bijeen, en riep: ‘Chef!’

Datenight

love-316640_1280
Bron: Pixabay.com

Ik was best zenuwachtig, ik geef het toe. Zit mijn haar wel recht? Och nee, doet niet meer ter zake. Heb ik mijn tanden wel gepoetst? Zitten mijn kleren wel goed, staat mijn gulp open?

Het zijn de normale taferelen die iedereen wel kent, die (recentelijk) gedatet heeft. Voor mij was het even geleden, bijna vijf jaar om precies te zijn. Niet zo vreemd, dat ik bang was het verleerd te zijn.

Dit keer was het anders. Dat ze de ware is, dat wist ik al. Ook hoefde ik niet ver te gaan, de date was gewoon in mijn eigen huis. Ook mijn date hoefde niet ver te gaan: het was mijn vrouw!

In onze huiskamer kwamen we samen, ik met een stapel cd’s onder mijn arm, zij hoefde alleen zichzelf mee te nemen. Cd’s, we luisteren er nauwelijks meer naar, in deze tijd van Spotify. We wilden een keer wat anders dan naar de beeldbuis staren. Met onze totale aandacht ergens anders zijn, bij elkaar en bij de muziek. Om zo mogelijk nog dichter bij elkaar te komen.

Het was een leuke uitdaging. Om een aantal cd’s uit te kiezen, met liedjes die echt iets voor me betekenen. En vervolgens die aan mijn lief te laten horen, met uitleg waarom ik ze mooi vind. De eerste was niet zo moeilijk: The Police. De eerste band die ik goed vond, na The Beatles. Een beetje punk, een beetje rock, ontegenzeggelijk de sound van eind jaren ’70, begin jaren ’80. De muziek van mijn jeugd. Of Joe Jackson, uit dezelfde tijd. Simpele, pure muziek. Gitaar, basgitaar, drums en zang. Drie minuten gas geven, dan was het klaar. Heerlijk!

Daarna draaide ik ‘The River’, van Bruce Springsteen, een lied vol melancholie, rauwe emotie en verlangen. Eenvoudige, directe muziek, in een compleet geheel dat nooit zijn glans verliest. Een klassieker!

Frank Boeijen mocht ook niet ontbreken, met ‘Bonze Tongen’, uit dezelfde tijd. Ook toen al schreef Frank prachtige teksten; ‘Wat ik van jou gekregen heb, is meer dan iemand mij ooit geven kan’. Of De Dijk met ‘Als ze er niet is’. Een prater ben ik niet, net zomin als Huub van der Lubbe. Maar ik kan van mijn vrouw houden, zoals niemand anders kan.

Het was een prachtige, bijna magische avond. Gefascineerd keken en luisterden we naar elkaar, en naar de muziek. Het gaf het nog meer betekenis, doordat ik zelf óók ontdekte waarom deze muziek zoveel voor me betekent.

De tirannie van de klok

alarm-clock-2175382_1920
Bron: Pixabay.com

 

We leven in een tijd die geregeerd wordt door de klok. TV, I-pad of mobiel, ze laten ons weten hoe laat het is en of we een afspraak dreigen te missen. Tijd, we hebben er zo weinig van, dus willen we elk moment van de dag weten hoe laat het is.

Als ik wil weten hoe laat het is, kijk ik op mijn mobiel. Een horloge heb ik allang niet meer.

Dat scheelt weer als we weer van wintertijd naar zomertijd gaan, of andersom. Mijn mobiel past automatisch de tijd aan, daar hoef ik niets aan te doen. Alleen mijn wekker heeft in dat opzicht mijn onverdeelde aandacht nodig, twee keer per jaar.

Het valt op zich wel mee, de tijd verzetten op al die klokken. Het uurtje slaap dat je moet missen in het voorjaar, dat valt vies tegen. Is dat het uurtje extra licht op een zwoele zomeravond wel waard?

Die discussie laat ik graag over aan de experts, die hebben er verstand van. Wintertijd schijnt het beste te zijn, al hoorde ik een expert op de radio verkondigen dat we eigenlijk de Engelse tijd aan zouden moeten houden. GMT in plaats van CET dus, om in vaktermen te blijven.

Zelf heb ik er niet zo’n last van het verzetten van de klok, er zijn mensen die dat wel hebben. Die een week van slag zijn, net als wanneer ze jetlag zouden hebben. Ik heb geen idee hoe dat voor ze is, het lijkt me geen pretje.

Wat is de oplossing? Toch maar de wintertijd aanhouden, en dat uurtje extra licht op zomeravonden maar laten voor wat het is? Ze worden er echt niet minder zwoel van.

Er is een alternatief, dat ons kan bevrijden van de tirannie van de klok. Op 31 maart, de ochtend nadat de klok verzet was, werden wij wakker. Niet van de wekker, die stond uit. Nee, van de kippen, die onze buren van een paar deuren verder houden.

Het was een heerlijk geluid om te horen, dat rustgevende gekakel. Een natuurlijk geluid is het.

Kippen weten van nature hoe laat het is, of het tijd is om wakker te worden, te eten of op stok te gaan.

Dus kunnen we zomer- én wintertijd afschaffen, ook GMT en CET kunnen de deur uit. Vanaf vandaag leven we op kippentijd!

Vroeg uit de veren en met de kippen op stok.

Badplaats in de winter

Het strand bij Praia da Rocha.
Het strand bij Praia da Rocha.
Foto: Luc van de Wiel

Een badplaats in de winter is het ergste dat er is, zingt Rob de Nijs. Als ik begin februari samen met mijn lief door de straten loop van Praia da Rocha, zie ik wat hij bedoelt. Praia da Rocha ligt er verlaten bij. Het is goed te zien hoe anders het hier ’s zomers moet zijn. Dan bruist het er van het leven, dan zijn de straten zo vol dat je over de hoofden kunt lopen.

Slechts een enkele toerist of autochtoon waagt zich naar buiten in het druilerige, grijze weer. Inderdaad, er is niets erger dan een badplaats in de winter, als het regent.

De verlaten straten ademen een verlangen uit, dat ook te zien is in de ogen van de restaurant-, bar en winkeleigenaren die verveeld een sigaret roken, net voor hun zaak. Een verlangen naar betere tijden, als het hier druk is en ze niet hoeven te vechten om belangstelling.

Het is een plaats in ruste, die winterslaap lijkt te houden. Slechts een enkel restaurant is open, een paar groepjes mensen zitten verspreid aan een tafel. Het liefst zitten ze aan het raam, met uitzicht op zee en strand, uit de wind maar wel in het spaarzaam schijnende zonnetje.

De badplaats ademt ook nostalgie uit, het ademt ook ongeduld uit. De zomer, met in de slipstream de hordes toeristen en betere tijden, is al zichtbaar op de horizon. Maar ze zijn nog ver weg.

Mijn lief en ik genieten van de rust. Wandelingen langs de ruige kust, met haar beukende golven en steile kliffen, goudgeel en roodbruin gekleurd, zijn een waar genot. Natuurschoon om verliefd op te worden, een liefde die we alleen met elkaar en een enkele andere toerist hoeven te delen.

Voor ons hoeft het niet zo, dat bruisende (nacht)leven. De lallende, stomdronken mensen, in de straten of hangend over een balkon. Overvolle restaurants, waar je moet zoeken naar een plaatsje, om na afloop je een weg te moeten banen door de massa mensen, op weg naar je appartement, waar hopelijk nog wel rust te vinden is.

Nee, geef ons maar een badplaats in de winter. In plaats van te zoeken naar een vrije plaats, zoeken we een restaurant dat open is. De boulevard, én het strand, hebben we vrijwel voor ons zelf alleen. De zon, een vanzelfsprekendheid in de zomer, is nu een geschenk, waar we dankbaar voor zijn.

Een badplaats in de winter, ik vind het helemaal geweldig.

De man die geen kind mocht zijn

michael-jackson-2997510_1920
Bron: Pixabay.com

Gary, Indiana, begin jaren ’60. Een vijftal jongens, kinderen nog, is druk bezig met repeteren. Danspasjes, zangpartijen, alles moet kloppen. In een stoel, iets verderop, zit een man, hun vader, hen nauwlettend in de gaten te houden.

In zijn hand zijn riem, half opgevouwen. Zo nu en dan slaat hij met de riem in zijn andere hand, een snerpend geluid producerend dat snijdt door de ziel. Ze weten wat dat geluid betekent, ze weten wat hen te wachten staat als er iets fout gaat. Niets mag er fout gaan, niet zal in de weg staan van de droom van rijkdom van Joseph Jackson.

Later zou Michael Jackson zeggen dat het gedrag van zijn vader hem veel gebracht heeft in zijn carrière. Hij zal het ongetwijfeld zo ervaren hebben. Wat het mij zegt, is dat Michael nooit kind heeft mogen zijn. Dat hij nooit buiten mocht spelen, vriendjes maken en dat ze nooit pijltjes gevouwen hebben van stukjes papier, of van die witte besjes in dunne, plastic buisjes gedaan hebben om te vergeten dat je eerst adem moest halen vóórdat je dat ding aan je mond zette.

Het was een jeugd die in het teken stond van muziek, eerst met zijn vijf broers en later alleen. Een jeugd in het teken van dwang in plaats van bemoedigende woorden, met slaag in plaats van knuffels.

Geen wonder dat hij Neverland bouwde als een paradijs voor kinderen. Geen wonder dat hij graag kinderen om zich heen had, geen wonder dat hij zo’n zorgzame vader was, die misschien wel te zeer beschermend was ten opzichte van zijn eigen kinderen. Omdat hij zelf dat nooit gekend heeft, geen (kinder) vrienden had en geen liefhebbende vader. Dat is een gemis, dat geen enkel jongetje ooit zou mogen voelen.

Wie Michael Jackson echt was, wat er echt gebeurd is, we zullen het wellicht nooit weten. Al geloof ik dat Michael Jackson een lieve, zachte, uiterst verlegen man was. Een man met een fantastisch muzikaal talent, wiens invloed tot op de dag van vandaag zichtbaar is. Een man die slachtoffer was van de grote roem en adoratie die hem ten deel viel. Een man ook die tot op gevorderde leeftijd geen idee had wat liefde en intimiteit betekenden. Een man, die dat wellicht nooit geweten heeft.

Zeker is dat Michael Jackson een tragische figuur is, een man die nooit kind mocht zijn.

Ik ga een rechtszaak beginnen!

gavel-2492011_1920
Bron: Pixabay.com

Waar is de Rijdende Rechter als je hem nodig hebt? Ik ga een rechtszaak beginnen. Tegen wie? Dat weet ik nog niet. Doet ook niet ter zake, het gaat immers puur om aandacht. Als er ook nog wat te halen valt, is dat mooi meegenomen.

Het is een ware trend, zo lijkt het, om de meest onzinnige rechtszaak te beginnen. Het lijkt wel een wedstrijd! De een wil dat de rechter voor God speelt en zijn leeftijd 20 jaar terugdraait, de ander klaagt zijn ouders aan. Niet omdat ze hem mishandelt hebben of iets dergelijks. Nee, omdat ze hem op aarde gezet hebben. En daar had meneer niet om gevraagd!

Het is wat, moet je als ouders tegenwoordig ook al een toestemmingsformulier van te voren in laten vullen en ondertekenen? Misschien kun je het tegelijk regelen als je met je date een toestemmingsformulier invult, nog voordat je aan kussen of het zwaardere werk begint.

Waar moet mijn rechtszaak over gaan? Het moet origineel zijn, dus leeftijdsverlaging valt af. Ik voel me daar ook te jong voor, misschien over 20 jaar. Tegen die tijd is iedereen Emile Ratelband wel vergeten.

Ik kan mijn ouders aanklagen omdat ze me te weinig zakgeld betaald hebben, of achteraf een inflatiecorrectie eisen. Of smartengeld eisen, vanwege mijn kaalheid. Dat is erfelijk, toch?

Of ik klaag de staat aan. Niet vanwege de herrie van Eindhoven Airport, daar zijn er al genoeg mee bezig. Wel vanwege dat gehannes met de rekenrente en de dekkingsgraad van pensioenfondsen. Kan iemand daar een touw aan vastknopen?

Of vanwege het feit dat ik minimaal tot mijn 67e door moet werken. Een tijdje geleden kreeg ik deze mededeling van mijn pensioenfond, het voelde alsof ik levenslang gekregen had. Eenzame opsluiting in een klein kantoortje, zonder ramen en erger nog, zonder internet.

Ik kan Rutte aanklagen, vanwege het feit dat hij Nederland in de uitverkoop doet, zoals bij de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting. Of vanwege oproepen en aanzetten tot geweld, zoals toen hij stoer zei dat hij relschoppers wel even in elkaar zou meppen. Hij wel, met zijn spaghetti-armpjes.

Er is te veel keuze, ik weet het niet. Die rechtszaak, die gaat er komen. Ik strijd immers voor de goede zaak, voor mijn goed recht. Ik wil mijn ’15 minutes of fame’!

Hou dus de kranten, de tv en de social media in de gaten. Hij komt er aan, ik ga een rechtszaak beginnen!

Het kamermeisje

maid-3614636_1920
Bron:Pixabay.com

Wat moet ze wel niet denken, het kamermeisje, als ze ons ziet zitten, buiten op het balkon. Het is begin februari, midden in de Portugese winter. Voor ons is het een weldaad hier te zijn, weg van de sneeuw en de grijze wolken van ons thuisland, die we even ontvlucht zijn.

Voor de lokale bevolking zijn we vast een mysterie. Sneeuw kennen ze niet, alleen van TV of films, of van familie die in noordelijke streken wonen. Veel Portugezen zijn geëmigreerd, om de armoede en uitzichtloosheid te ontvluchten.

Ze zijn in elk geval niet weggegaan vanwege het weer. Het is bewolkt, af en toe regent het, soms flink. Het is desondanks een graad of 10 tot 15 warmer dan in Nederland. We zijn gekomen voor de zon. Als die zich laat zien, zuigen we de zonnestralen gretig op, ook al duurt het maar even.

We zitten dan ook buiten, als ze schuchter aanbelt, het kamermeisje. Bescheiden gebaart ze dat ze schoon wil maken, wat al duidelijk was vanwege de schoonmaakspullen die ze bij zich had.

‘It’s Ok, go ahead’, zeg ik. Ik gok maar dat ze me begrijpt. Blijkbaar wel, ze gaat voortvarend aan de slag. Wij trekken ons weer terug op het terras.

Het is best lekker op het balkon, zon en regenbuien wisselen elkaar af. Met een warme trui en jas is het goed te doen, moet je in Nederland eens proberen, begin februari!

Voor de Portugezen is het vast koud. Die zie je dan ook rondlopen in warme truien en jassen, terwijl de toeristen korte mouwen en –broeken aanhebben.

Ze verklaart ons vast voor gek. Dat we buiten zitten, in dit weer. Dat we in de winter op vakantie gaan, terwijl het over een maand of twee pas lekker weer zal zijn.

Het is best prettig zo gek te zijn. Het is rustig, en beter weer dan thuis. We genieten van de prachtige kust en van de woeste golven, beukend op de fragiel ogende zandstenen rotsen. Die kleuren van goudgeel tot roodbruin, ze schitteren in het zonlicht.

Steile kliffen, afgewisseld door open baaien. Rotsen in de meest fantastische vormen, gevormd door golven en wind. Afwisselend en kleurrijk, het is adembenemend om er naar te kijken. Maar ook om er langs te wandelen, als het weer droog is.

We genieten nog verder, als het kamermeisje de deur weer achter zich dichttrekt. Op weg naar de volgende.

Merel-kerel

blackbird-3249123_1920
Bron: Pixabay.com

Parmantig hupt hij over het grasveldje, vlak voor onze neus. Zijn gele snavel steekt perfect af tegen zijn zwarte verenkleed. Met een schuin oog kijkt hij ons aan, alsof hij wil vragen: ‘Wat doen jullie hier?’

‘Kijken naar de schuimkoppen op de zee, luisteren naar het geluid van de branding en ons laven aan het zonlicht, dat af en toe dapper door het wolkendek breekt’, antwoord ik hem.

Hij lijkt genoegen te nemen met mijn antwoord, de merel-kerel, hij hupt weer verder. Het is een vreemd idee, dat dit kleine, sierlijke wezen afstamt van de dinosauriërs, waarvan sommigen ook op twee benen liepen (en veren hadden). Ik probeer me voor te stellen hoe dat er uit zou zien, als zo’n groot monster rond zou huppelen, net als een vogel.

De merel is zich niet bewust van deze overpeinzingen, hij steekt zijn snavel in het gras, op zoek naar een worm of insect. Aan de rand van het grasveld rommelt hij wat tussen de gevallen bladeren, op zoek naar iets eetbaars. Een zoektocht, die hij zijn leven lang vol zal moeten houden.

Weer kijkt hij om zich heen, alert op gevaar. Dan ziet hij een rivaal, op een paar meter afstand. De brutaliteit! Hij vliegt erop af, ze dansen om een struik heen, de indringer probeert de eigenaar te ontwijken. Al snel ziet de indringer in dat hij niet met rust gelaten zal worden, hij gaat ervandoor. Zonder fysiek geweld wordt het opgelost.

Verder niets te zien? Hij stijgt op en vliegt naar een olijfboom, die op een paar meter afstand staat. Hij heft een lied aan, ik heb geen idee waar het over gaat. Allicht is het een ‘saudade’, een lied van weemoed en hartstocht, van nostalgie en verlies.

Of het is een lied van verlangen, een oproep aan alle aanwezige merel-meiden. Een aankondiging die wil zeggen: hier ben ik! Ik ben beschikbaar!

Het is de Tinder equivalent van de merels, een contactadvertentie in de trant van: prachtige merel-kerel, goed in de veren, in de kracht van zijn leven, zoekt merelin voor lange, romantische huppeltochten langs het strand en zwoele avonden en – nachten.

De dames horen de liederen aan van op een afstand, en swipen vervolgens naar links of naar rechts, al naar gelang het lied in kwestie hen bevalt of niet.

Na afloop van zijn lied vliegt onze merel-kerel weer weg. Op zoek naar groenere wieden, sappige wormen en lekkere meiden. Succes kerel!

Kinderpardon? Pardon, kinderen…

people-3935983_1920
Bron: Pixabay.com

We leven in een land, waar onschuldige kinderen weggestuurd worden. Weggestuurd van het enige thuis dat ze kennen, naar een land dat vreemd voor ze is en waar ze een vreemde zijn. Een land dat ze zich nauwelijks kunnen herinneren, waar ze niemand kennen en de taal niet spreken. Een land dat ze alleen kennen van verhalen.

We leven in een land, waar politici gekozen kunnen worden ondanks, of dankzij, een programma dat uitgaat van de uitzetting van deze kinderen. Of eerst akkoord gaan met deze uitzettingen, om als er verkiezingen in aantocht zijn zich ineens te herinneren dat ze toch eigenlijk tegen zijn.

Het gaat hier om kinderen. Kinderen, wiens enige misdaad is dat ze niet in Nederland geboren zijn, maar in een ander land. Hen terugsturen naar hun land van herkomst lijkt een wrede straf. Ze worden opnieuw ontworteld, moeten opnieuw de taal en cultuur leren. Ze moeten opnieuw integreren.

De verdraagzaamheid waar ons land zo om geroemd werd, is ver te zoeken. Die verdraagzaamheid was vooral economisch geïnspireerd, vluchtelingen waren van harte welkom in onze Gouden Eeuw. Als ze maar iets te bieden hadden, of als (rijke) handelaren, of als arbeidskrachten. Die kon ons dunbevolkte land goed gebruiken, op de schepen die naar Indië voeren.

Al doe je nog zo je best, invloeden van buiten kun je niet buiten sluiten. Al helemaal niet als je het van de handel moet hebben, zoals Nederland. Je kunt ook die elementen overnemen die je aanspreken. Invloeden van buiten zijn een verrijking, als je ze buitensluit leidt dat tot verarming. Vooral van de geest.

Dat inzicht lijken we kwijt te zijn. Elke discussie leidt tot onverkwikkelijke taferelen, met blokkeerfriezen en Zwarte Piet-haters. Het is niet eens een discussie, maar een wedstrijd wie het hardst kan schreeuwen. Een dergelijke wedstrijd kent geen winnaars.

Het kind van de rekening zijn de kinderen van asielzoekers, die voor de tweede keer in hun jonge bestaan huis en haard op moeten geven. Zonder er zelf voor te kunnen kiezen.

Misschien moet ik zelf verhuizen, sommige andersdenkenden zullen me het allicht aanraden. Waar kan ik heen? Niet naar Duitsland, daar doen ze zo streng. Niet naar Amerika, daar bouwen ze hoge muren. Niet naar China, daar is het te druk.

Het Goede Doel kwam er begin jaren ’80 al niet uit. Ook ik heb getwijfeld over België, omdat iedereen daar lacht. Ik stond zelfs in dubio, maar ik nam geen enkel risico.

Spring naar toolbar