Spring naar toolbar

Herinneringen

Fotograaf: Astrid Timmers

Ik kan me de dag herinneren, als de dag van gisteren. Mijn lief, mijn bruid, stralend naast me. Onze trouwambtenaar Judith, die een prachtige toespraak hield, waarvan ik wilde dat die zo snel mogelijk voorbij was. Zodat ik ‘Ja, ik wil’ kon zeggen. Zodat ik dat prachtige, liefdevolle schepsel naast me kon kussen, iets wat ik dolgraag wilde. Zodat iedereen wist dat ze mijn vrouw was, de liefde van mijn leven. Mijn alles.

Er zijn veel dingen, die een mens zich kan herinneren van zijn trouwdag. De mooie, korte witte jurk die mijn lief droeg. De Schotse Hooglander, die nieuwsgierig in haar nek snuffelde toen we foto’s aan het maken waren bij het Oud Meer. De schommel, die we daags tevoren ophingen aan een boom, vlakbij datzelfde Oud Meer, tussen de buien door. Het stralende weer op onze trouwdag zelf, het openluchttheater waar we trouwden, de verbaasde blikken van de gasten toen mijn bruid en ik arriveerden, op de fiets. Hoe iedereen verwachtingsvol naar ons keek, toen we hand in hand van de trap afliepen, op weg naar het podium. Hoe ik een traantje weg moest pikken toen Judith de door mij geschreven woorden aan mijn lief voorlas, en ik de liefde voelde.

Dit jaar is het vijf jaar geleden, ons houten huwelijksjubileum. Vijf jaar, het is een mooi rond getal. Het is ons eerste lustrum, ook een leuk detail. Elke trouwdag is me kostbaar, zoals elke dag met mijn lief me kostbaar is. Zoals mijn lief zelf me nog het kostbaarst is van alles! We zouden onze vijfde trouwdag in Noorwegen gevierd hebben, ware het niet dat de reis niet doorging. Noorwegen, daar wilde mijn lief graag naartoe, een lang gekoesterde wens die eindelijk in vervulling zou gaan. Niet dat we per se ons eerste lustrum op een bijzondere plek wilden vieren. Dat kan volgend jaar ook, als we ons ijzeren jubileum vieren.

Als je ware liefde hebt gevonden, dan ben je een gelukkig mens. Al vijf jaar hoor ik bij de Quote 500 van de gelukkigste mensen in Nederland, al is het niet alleen rozengeur en maneschijn. Ook wij kennen momenten dat het even minder gaat, we komen er altijd weer uit. Liefde is werken, je moet er wel wat voor doen.

Zoveel herinneringen, zoveel mooie tijden. Ik koester ze allemaal, of het vijf jaar geleden is of vijftig.

Ik hou van je, mijn lief, nu en in alle eeuwigheid!

Examenfeesttijd

Afbeelding van Marjon Besteman-Horn via Pixabay

Aan de vlaggen en boekentassen te zien, is het alweer voorbij, de examentijd. Als je geen kinderen hebt, merk je er niet zoveel van. Dan gaat het in stilte aan je voorbij.

Het is een bijzonder moment, een soort ‘rite of passage’, een stap naar volwassenheid, het eindexamen. Een moment dat normaal gesproken gepaard gaat met feesten, gala’s zelfs, en niet te vergeten de diploma-uitreiking. Het is een moment om even terug te denken aan toen ik zelf examen deed. Gymzalen, gevuld met tafels, op ruim 1,5 meter afstand, toen al. Een zwijgzame menigte scholieren, gebogen over wiskunde, Nederlands of geschiedenis. Krassende pennen, gevolgd door zuchten van verlichting of wanhoop, als het teken ‘Pennen neer!’ werd gegeven. Om tenslotte gespannen af te moeten wachten, tot het verlossende telefoontje, het telefoontje dat NIET kwam.

Gala’s waren er niet in mijn tijd, niet dat ik me kan herinneren. Ik herinner me ook niets van afgeslagen of niet gekregen uitnodigingen voor examenfeestjes, zo niet mijn ding. Een dodelijk verlegen tiener, die moet je ook niet naar een feestje sturen, om vol verlangen te moeten kijken naar dansende stelletjes. Dat ook wel willen, dolgraag zelfs, maar niet kunnen. Terugverlangen doe ik niet naar mijn middelbareschooltijd, al zou ik best wel willen weten hoe het voelt om achttien te zijn. Een strak lichaam te hebben, zonder buikje, mét haar. Ik zou een brommer aanschaffen, of hard fietsen, tegen de wind in. Zodat mijn haar kon wapperen.

Wat was ik jong en wat wist ik weinig. Het is vreemd, dat je je voor moet bereiden op je leven als volwassene, keuzes moet maken welke kant je op wil met je leven, zonder te weten wie je bent, waar je goed in bent en wat je wilt.

Als ik kijk naar de huidige tijd, waarin feesten, gala’s en diploma-uitreikingen uit den boze zijn, denk ik wel eens dat ik te vroeg geboren ben. Voor mij zou het geen straf geweest zijn het zonder deze dingen te moeten doen, eerder een beloning. Voor veel jongeren die dit jaar examen deden is het wel een gemis. Een anticlimax, de beloning voor vier tot zes jaar hard werken word je ontnomen, ik kan me voorstellen dat het zo voelt. Een fase in je leven wordt afgesloten, op een manier die suggereert dat het er niet toe heeft gedaan.

Zouden er openlucht-examenfeesten zijn? Doe het geluid alsjeblieft een beetje zachtjes, voor deze stilteliefhebber.

Spinnen zijn monsters

Fotograaf: Gineke de Laat

Ineens zag ik ze, drie joekels van spinnen, tegen de muur waar ik een hoop planken tegenaan had staan. Toen ik de planken weghaalde, kwamen ze tevoorschijn. De spinnen bewogen niet, alsof er niets aan de hand was bleven ze zitten. Even later was er één weg, opgegeten of gevlucht, ik weet het niet. Spinnen zijn voor veel mensen enge beesten, monsters zijn het! Dankbaar maken makers van horrorfilms of -boeken gebruik van de angst die veel mensen voor deze beestjes hebben. Ze zien er zo anders uit, ‘alien’ bijna, met hun acht poten en acht ogen. Lange, dunne poten, harige lijven en monsterlijke kaken, als je ze uitvergroot ziet. Het is om bang van te worden.

Hoe gevaarlijk ze ook ogen, de meeste spinnen zijn het niet. Spinnen zo groot als die in de Lord of the Rings trilogie zijn er gelukkig niet, anders was het een ander verhaal. Sommige spinnen zijn wel gevaarlijk, die zijn uiterst giftig. Al komen fatale spinnenbeten zelden voor, sowieso niet in Nederland, waar geen spinnen voorkomen die giftig zijn voor de mens.

Spinnen, ze lijken slachtoffer te zijn van een slechte publiciteitscampagne. Ze hebben een slechte reputatie, veel mensen zijn bang voor ze en durven ze niet aan te raken. Spinnen zijn uiterst nuttig, veel insecten waarvan we niet eens weet hebben dat ze in onze huizen rondwaren worden door spinnen gevangen. De webben die spinnen bouwen, zijn kunstwerken op zich. Perfect symmetrisch, en gemaakt van ongelooflijk sterke zijde, die de mens niet na kan maken. De natuur overtreffen of zelfs evenaren, is soms moeilijker dan het lijkt.

Natuurlijk, het is vervelend als je een spinnenweb in je gezicht krijgt, als je even niet uitkijkt. Op drukbevaren routes houden de webben niet lang stand, in vergeten hoekjes floreren ze. Niet alle spinnen bouwen webben, sommige spinnen zoals de wolfspin besluipen hun prooi, net zoals een kat. Het zijn intelligente wezens, die uiterst precies de perfecte route uitrekenen om hun prooi te kunnen benaderen. Prooien, die wij nog minder graag zien als spinnen zelf, zoals zilvervisjes, muggen en vliegen.

Misschien jaag ik u de stuipen op het lijf: het schijnt dat er honderden spinnen door uw huis kruipen, terwijl u dit leest. Het zijn er zoveel, en ze zijn zo taai, weg krijgen we ze niet. Willen we dat ook wel, nuttig als ze zijn?

Spinnen zijn geen monsters, niet meer dan u of ik.

Paniek in de VS

Afbeelding van Shutterbug75 via Pixabay

Er heerst paniek in de VS. Het is vreselijk, het fundament van de beschaving staat onder druk, dreigt te worden weggevaagd. Niet vanwege overvolle IC-afdelingen. Niet vanwege het almaar stijgende aantal mensen die overleden zijn als gevolg van corona. Zelfs niet omdat alleskunner Trump aanraadt om jezelf te injecteren met ontsmettingsmiddel, tegen corona. Nee, het is erger. Véél erger.

De hamburgers dreigen op te raken. U leest het goed: het land van McDonald’s en Burger King, het mekka van fastfood, dreigt het zonder dat platte stukje vleesachtige substantie te moeten doen. Net nu het barbecueseizoen aanbreekt, dreigen de Amerikanen het te moeten doen zonder de halve koe op de barbecue, om het langzaam te laten garen. In het vleesland bij uitstek moet menig hamburgerrestaurant het zonder doen, de supermarkten stellen een maximum in aan de hoeveelheid vlees die iedere klant mag kopen. Of ze willen of niet, tot augustus moeten de Amerikanen op dieet. Het zal wennen zijn!

Wat is de reden? Amerika is het land van onbegrensde mogelijkheden. Je kunt het ver schoppen, van krantenjongen tot mediamagnaat. Dat is slechts voor een enkeling weggelegd, de meeste Amerikanen moeten hard werken om het hoofd boven water te houden. Immers, geen werk betekent geen inkomen. Geen eten, geen dak boven je hoofd en al helemaal geen ziektekostenverzekering. Dan pak je alles aan wat je kunt, ook werk in een vleesverwerkingsfabriek, waar je schouder aan schouder staat met je al even laagbetaalde lotgenoten. Zonder enige bescherming, ziekmelden is er niet bij. Uit angst hun baan (en dus inkomen) te verliezen, werken de immigranten door. Met als gevolg dat het coronavirus vrij spel heeft, sommige slachterijen hebben onder druk van lokale overheden en vakbonden de deuren gesloten.

President Trump, betrokken als hij is, heeft de vleesverwerkers opgedragen te blijven draaien. Om dat doel te bereiken heeft hij een oude oorlogswet van stal gehaald, die de mogelijkheden beperkt om bedrijven aansprakelijk te houden als werknemers ziek worden of overlijden. Trump wil dat de vleesfabrikanten hun productie opschroeven. Volgens mij is hij bang het zonder zijn favoriete voedsel te moeten doen.

Om afstand te kunnen houden, en vanwege ziekteverzuim, draaien de slachthuizen maar op halve kracht. Goed nieuws voor de dieren, zou je denken. Niet helemaal, sommige boeren zijn ertoe overgegaan hun dieren te ruimen, nu de slachtcapaciteit is afgenomen.

Paniek omdat er minder vlees is, het is wat. Misschien eens een Vega burger proberen?

D’n contente mens

Door Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=24251045

Er zijn mensen die van drukte houden. Ze hebben reuring nodig, er moet wat te doen zijn, wat te beleven. Cafés, vol gezelligheid en muziek, en restaurants, een snelle hap of uitgebreid dineren. En terrassen, om naar de andere mensen te kunnen kijken, als ze al stil kunnen blijven zitten. Ergens naartoe, iets doen. Stilstand is voor hen achteruitgang.

Er zijn ook mensen die van rust houden. Grote mensenmassa’s, luide muziek, het is een marteling. Cafés, prima, maar dan als het niet te druk is, zodat je nog met elkaar kunt praten zonder stemverheffing. Restaurants, gezellig, maar dan wel met een rustgevende ambiance, en weer: niet te druk. Liever zijn ze in de natuur, luisterend naar vogels die zingen zoals ze gebekt zijn. Een hutje op de hei, dat klinkt voor deze mensen zo gek nog niet.

Het is een kwestie van twee uitersten, zo lijkt het. De drukke stad, of een rustig dorp. Zelf heb ik vrijwel mijn hele leven in de stad gewoond, nooit is het in me opgekomen dat ik iets anders zou willen. Ik ben een stadsmens, dacht ik, ik wil een supermarkt op loopafstand, het centrum en alle winkels binnen handbereik, ik wil mensen om me heen. Dat dácht ik. Want eigenlijk heb ik een hekel aan grote mensenmassa’s. Het klinkt gezellig, met z’n allen bij elkaar. Ik heb het meteen al gehad, zou het liefst gelijk rechtsomkeer maken. Maar om de stad te verlaten, dat ging me te ver.

Tot ik mijn lief ontmoette. Mijn lief, een rustige, lieve schat, die je echt niet gelukkig maakt tussen al dat beton en baksteen, in een flatje met een klein balkon (waar ik woonde) of in een huis zonder tuintje. Gehecht als ze is aan haar geliefde dorp, kwam het niet eens in me op om ook maar te proberen haar weg te halen uit haar natuurlijke omgeving. Dus werd deze stadsmens een dorpsmens.

Nu, als ik weer eens in de stad kom, weet ik niet hoe snel ik weer terug moet. Weg van die drukte, de herrie, de onrust. Terug naar mijn rustige dorp, waar ik weer tot rust kom. Waar ik, langzaam maar zeker, veranderd ben in een contente mens.

In Eersel staat een beeldje van d’n contente mens, op het marktplein. Zo’n beeld zou in elk dorp in Brabant moeten staan, als eerbetoon aan het mooie, heerlijke dorpsleven.

Vooruit dan, ook buiten Brabant.

Bevrijding – een moment van dankbaarheid

Afbeelding van Myriam Zilles via Pixabay

 

Het is jammer dat we er maar één keer per jaar stil bij staan. Dit jaar is het 75 jaar geleden, bijna net zo lang als een gemiddeld mensenleven. Voor we het weten, is er niemand meer in leven die het heeft meegemaakt, de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. De bezetting, de vernietigingskampen, het enorme verlies aan mensenlevens. Dat allemaal vanwege de grootheidswaanzin van Hitler en zijn trawanten, die zich onoverwinnelijk en onkwetsbaar achten. Gelukkig waren ze dat allesbehalve.

Ik ben dankbaar voor de vrijheid waarin in leef. Dankbaar dat ik mag gaan en staan waar ik wil, zij het niet in grote groepen. Dankbaar dat ik dit stukje mag schrijven, zonder te vrezen voor die klop op mijn deur, die een enkele reis naar een vernietigingskamp betekende. Of een langdurig verblijf in een cel, om te eindigen voor een vuurpeloton, ergens in de bossen. Dankbaar dat miljoenen soldaten van de geallieerden zich opgeofferd hebben voor die vrijheid, van de stranden van Normandië tot de oevers van de Wolga. Om niet te spreken over de vele verzetsstrijders, mensen zoals Hendrik Veeneman, waarnemend burgemeester van Son en Breugel, die omkwam in een kamp omdat hij geen mensen wilde leveren die moesten werken voor de Nazi’s. Waar ik misschien nog wel het meest dankbaar voor ben, is dat ik leef in een land dat al 75 jaar geen oorlog meer heeft gekend, niet hier in onze eigen rivierendelta.

Als je je probeert voor te stellen hoe het is om te leven in een land dat bezet wordt door een vreemde mogendheid met een waanzinnige, allesvernietigende ideologie, of hoe moedig de mensen geweest moeten zijn die zich daartegen verzetten, dan klaag je niet over lockdowns. Alleen onze bewegingsvrijheid is ingeperkt, maar niet geheel en op vrijwillige basis. Er is geen censuur als het gaat om nieuws, we kunnen tv kijken, series bingewatchen of elk boek lezen dat we willen. Iedereen is vrij om te zeggen of denken wat hij of zij wil, om te zijn wie hij of zij is. We hebben voedsel in overvloed, daar konden ze in de hongerwinter alleen maar van dromen.

We hebben genoeg om dankbaar voor te zijn, ook in deze bijzondere, uitdagende tijden. Hoewel elke vergelijking met de Tweede Wereldoorlog mank loopt, is er wel één overeenkomst. Op het moment dat het allemaal achter de rug is, een moment van dankbaarheid, zal het voelen als een bevrijding.

Een doffe knal

Afbeelding van Alexas_Fotos via Pixabay

Met een doffe knal stootte ik mijn hoofd. De knal dreunde secondenlang na in mijn hoofd, voordat ik kon reageren. Wat er gebeurd was? Het begon die middag, of eigenlijk daarvoor al. Onze stofzuiger begon mankementen te vertonen. Het volume nam straaljager-proporties aan, zonder dat het zuigvermogen toenam. Tot overmaat van ramp wilde het snoer niet meer automatisch oprollen. Dat was de druppel!

‘Zullen we gaan shoppen?’ vroeg mijn lief, toen de ergernis over de stofzuiger een hoogtepunt bereikt had. Dat hoeft ze sowieso maar één keer te vragen. Een bezoek aan het mini-warenhuis in het centrum van ons dorp leverde een blits, blauw model op. Vol verwachting snelden we naar huis, waar onze aanwinst al snel uit de verpakking gehaald was. Alle onderdelen waren aanwezig, het was eenvoudig in elkaar te zetten, ook zonder de handleiding te raadplegen (tja, wat kan ik zeggen, ik ben een man). Hij was klaar voor actie, het enige dat nog nodig was, was de stekker in het stopcontact doen. Vlug stak ik mijn hoofd om de hoek, deed de stekker erin en trok mijn hoofd even snel weer terug. ‘Doenk’ klonk de doffe knal, toen de deurstijl de terugtrekkende beweging van mijn hoofd ruw onderbrak. Even keek ik verdwaasd voor me uit, om vervolgens vrolijk verder te gaan, alsof er niets aan de hand was. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg mijn lief verschrikt, bij het zien van de ravage op mijn voorhoofd. ‘Je bloedt als een rund!’ Juist ja. Dat het geen handige actie was, wist ik zelf ook wel.

Ontkennen had geen zin, ik vertelde haar precies wat er gebeurd was. ‘O schatje!’, zei ze bezorgd. Met een pleister op de wonde was alles weer in orde, op mijn geschonden eer na. Tot ik mijn collega’s weer onder ogen moest komen. Vruchteloos zocht ik naar een geloofwaardig verhaal, spannende scenario’s van een heldhaftig afgeslagen aanval van een grote overmacht aan struikrovers waren bij voorbaat kansloos, in deze tijden van zelfisolatie en verlaten straten. Geen alternatief kwam in me op, alles wat ik had, was de waarheid. ‘Tegen de lamp gelopen’, probeerde ik nog. Kansloos was het.

Dat die doffe knal een litteken opleverde, vind ik niet erg. Iedereen doet wel eens onhandig, ik zeker. Dat ik er niet eens een mooi verhaal van kan maken, dat steekt!

Wat heb je aan een litteken, als je er niet eens een mooi, stoer verhaal over kunt vertellen?

Piraterij

Afbeelding van Felix Lichtenfeld via Pixabay

Denkt u bij het woord ‘piraterij’ ook aan mannen met woeste baarden, oorringen en hoeden met een veer? Ze landen met een zwierige zwaai op het dek, een sabel in de hand en een mes tussen de tanden. Dit romantische beeld past bij de piraten die in de 16e en 17e eeuw de Caribische Zee onveilig maakten, piraten zijn echter van alle tijden. In de oudheid hadden ze er al last van, in sommige gebieden maken nog steeds piraten de zeeën onveilig. Al bedienen ze zich van moderne schepen en automatische wapens, in plaats van pistolen en sabels.

Hun werkterrein beperkt zich allang niet meer tot zeeën en oceanen. Op het internet zijn ze ook te vinden, ze kapen pc’s, mobiele telefoons of computersystemen, in plaats van schepen. Langs slinkse wegen achterhalen ze onze wachtwoorden en/of pincodes, kraken de zwaarst beveiligde systemen en gaan er vandoor met hun buit. Nog steeds laten ze rokende puinhopen achter, een spoor van gezonken digitale schepen.

Er is een vorm van piraterij die begaan wordt door wezens die zo klein zijn, dat we ze met het blote oog niet kunnen zien. Ze zijn bezeten door de drang om hun genen door te geven aan volgende generaties, ze dringen de cellen van een gastheer binnen en dwingen de cel om hun eigen DNA te reproduceren. Met als gevolg dat hun gastheer ziek wordt. Het lijkt niet in het belang van het virus, maar hoe succesvoller een virus is in het vermenigvuldigen, hoe desastreuzer de gevolgen voor de gastheer.

Piraterij, je komt er nooit vanaf. Als veel oplevert, zijn er altijd wel opportunisten die hun kans wagen, hoe groot ook het risico. Sommigen eindigen aan de galg of in het gevang, anderen worden schathemeltje rijk. Als helden worden ze ingehaald, in mijn jeugd zongen we nog over Piet Hein en menig kind had een zilvervlootrekening. Standbeelden werden opgericht, mooie huizen werden neergezet van de opbrengsten.

Steden als Amsterdam, Londen en Parijs staan vol met prachtige gebouwen, gebouwd met de inkomsten van schatten, geroofd uit voormalige koloniën, dat kun je ook als een vorm van piraterij zien. Er zit dus ook een mooie kant aan piraterij, al is die niet voor iedereen zichtbaar en niet voor iedereen mooi. Zoals in het geval van het coronavirus, al stelt dat ons wellicht in staat onze maatschappij en onze manier van leven opnieuw in te richten.

Piraterij, is het een zegen of een vloek? Misschien wel allebei.

Kleur bekennen

Afbeelding van Gerd Altmann via Pixabay

Alle kleuren hebben iets, een geheel eigen schoonheid en uitstraling, toch is het soms nodig om kleur te bekennen. Mijn favoriet? Blauw. Blauw is de kleur van een stralende, onbewolkte dag. De kleur van de hemel, van onbezorgd genieten, van de zon op je gezicht. Blauw is de kleur van veel van mijn kleding, blauw is ook de kleur van mijn auto, al is dat meer toeval. Hoewel blauw favoriet is, is het niet de enige kleur die ik mooi vind. Het dieppaars van een aubergine, het purper van de Romeinse keizers, dat heeft ook wel wat.

Rood, in combinatie met wit, dat zijn de kleuren van mijn favoriete voetbalclub. Nee, niet die van boven de rivieren. Rood is ook de kleur van rozen, van de liefde, van bloed. Een kleur die kracht uitstraalt, of boosheid, in ieder geval passie. Wit is de kleur van zuiverheid, van puurheid en ongereptheid, de kleur die alle andere in zich verenigd.

Zwart is de kleur van somberheid, van dood en het donker. Zwart is de kleur van het licht dat niet kan ontsnappen.

Oranje vind ik niet heel bijzonder. Het is de kleur van sinaasappels, van mandarijnen en, niet te vergeten, van ons nationaal elftal. Het vervult me van vaderlandsliefde, als ik elf mannen of vrouwen op een rijtje zie staan, luisterend of meezingend met het Wilhelmus.

Roze is de kleur van (veel) bloesems, de kleur soms ook van de hemel bij een zonsondergang. Soms is het een palet aan kleuren, vegen roze, oranje en geel. Je zou willen dat het eeuwig zou duren, veel te snel is het weer voorbij.

Geel is een beetje een twijfelgeval. Het dorre geel, tegen het bruin aan, van verdord gras in een schroeiend hete zomer spreekt mij niet zo aan. Het geel van het Sahara-zand evenmin, daar doet de kleur nog het meest aan denken. De Sahara aan de Noordzee, zeg maar. Het geel van een rijpe banaan, of van een kool- c.q. pimpelmees in de kracht van zijn leven, dat heeft daarentegen wel iets. Geel is ook de kleur van de zon.

Hoe mooi al die kleuren ook moge zijn, hoezeer ik gehecht ben aan blauw, er is één kleur die ze allemaal overtreft. Het is de kleur van leven, van bladeren en van gras, het is ook de kleur van mijn liefjes ogen.

Ik moet toch kleur bekennen. Wat is er mooier dan het jonge, frisse groen van nieuwe lenteblaadjes?

Brave new world

AFBEELDING VAN MANFRED ANTRANIAS ZIMMER VIA PIXABAY

Er is iets veranderd, je ziet het, je proeft het, je ruikt het, zodra je buiten komt. De weinige mensen die je op straat ziet, houden netjes afstand. Schichtig kijken ze om zich heen, of er niet iemand te dicht in de buurt komt. Je ziet de schrik in de ogen als je iemand bijna tegen het lijf loopt, op straat of in de supermarkt. Snel schieten de ogen een andere kant op, op zoek naar een ontsnappingsroute. Het grootste deel van de dag brengen we binnen door, weer of geen weer. Tuinen zijn een uitweg, waar we even kunnen luchten, even van de zon genieten, zonder iemand te hoeven ontwijken. Er is een nieuwe wereld ontstaan, een brave new world.

Er hangt een serene rust in de lucht. Je hoort vogels fluiten, in plaats van auto’s die langs razen. Er zijn nauwelijks of geen vliegtuigen die overvliegen. De lucht is ook schoon, je kunt nog ‘maar’ 25 minuten in het zonnetje zitten zonder te verbranden. De wereld lijkt klein geworden, niet groter dan het scherm van je pc of laptop.  Via internet houden we verbinding met collega’s, familie en vrienden. De agenda’s zijn leeg, de snelwegen ook. We geven elkaar meer ruimte in de anderhalve meter maatschappij van nu. Even niet met z’n allen tegelijk in de stad, of in de natuur. We reizen minder, ook al is het geen bewuste keuze, het is effectiever tegen de uitstoot van fijnstof of CO2 dan welke andere maatregel ook.

Het ritme van het leven is langzamer, bedachtzamer. Voor introverte mensen zoals ik is het een verademing. Wij hebben rust nodig, en ruimte om ons heen. Lege bossen, zodat je de vogels kunt horen fluiten. Lege straten, zodat we niet overprikkeld worden door langskomend verkeer. En lege agenda’s, zodat we veel tijd hebben voor onszelf, om bij te komen. Voor anderen is het een beproeving, die hebben juist overvolle staten, overvolle agenda’s nodig. Zij verlangen terug naar hoe het was.

Bevinden we ons op een kantelpunt, of keren we inderdaad terug naar de wereld zoals we die kenden? De roep om verandering klinkt al langer, altijd was er wel een reden om het vooral niet te doen. Te moeilijk, te duur, het gaat toch goed zo?

Ook al is deze brave new world maar tijdelijk, ze heeft ons wel iets geleerd. Zoals Pieter Derks het zegt: we kunnen niet meer zeggen dat het niet anders kan.