Spring naar toolbar

Trendsetter

Afbeelding van Ben Kerckx via Pixabay

Ik ben een trendsetter! Nooit heb ik het geweten, nooit heb ik ook maar kunnen vermoeden dat ik een trendsetter zou kunnen zijn. Ziet u, ik ben het type muurbloempje. Zo iemand die niet opvalt, totdat hij in beweging komt. Iemand die liever op de achtergrond blijft, zelden of beter gezegd nooit het voortouw neemt of haantje de voorste is. Een afwachtende persoonlijkheid, die achter de meute aanloopt, eens kijkt of het wat is waar iedereen zo vol van is, om dan schouderophalend en wenkbrauwen fronsend zijn eigen gang te gaan. Zonder dat de rest dat in de gaten heeft.

U begrijpt mijn verbazing dat het ineens anders bleek te zijn. In deze tijden van lockdown-light, of intelligente lockdown, waar mensen zich nauwelijks buiten wanen en cafés, restaurants en winkels gesloten zijn, maken mensen zich grote zorgen. Want ook kappers moesten hun nering sluiten. Sommigen proberen er nog iets van te maken, door filmpjes online te zetten waarin ze mensen leren hoe ze zelf hun haar kunnen verven. God moge verhinderen dat anderen onze ware haarkleur zouden zien! De verf zelf wordt door de kapper of kapster bij u thuis afgeleverd, op gepaste afstand uiteraard. Zo hoeven ze niet bang te zijn om hun klandizie helemaal te verliezen.

Het bijkleuren van ons haar is maar een deel van het verhaal, de lengte is een ander. Waar de ene kapper ons ten strengste afraadt zelf het haar te knippen, laat een andere zien hoe het moet. Met een tondeuse in de ene hand en een spiegel in de andere, puntte de kapper in kwestie zijn haar bij. Menigeen neemt zelf het haar van hun kroost of partner onder handen. Voorbeelden van bloempotkapsels zijn op social media in overvloed te vinden, oude tijden herleven! Niet uit armoede, maar uit bittere noodzaak.

Sinds mijn haar enige decennia geleden aan een terugtrekkende beweging is begonnen, waar geen einde aan lijkt te komen, zit ik met een dilemma. Kaal of kammen, om het maar in de woorden van Extince te zeggen. Het werd kaal, eerst liet ik het tondeuse werk over aan de kapper. Sinds ik mijn lief ken, neemt zij de honneurs waar. Zodra ik me een hippie begin te voelen, kortwiekt ze me, met plezier!

Steeds meer mannen meten zich een ‘coupe de Luc’ aan, glimmende schedels schijnen ons tegemoet. Iets wat ik dus al jaren heb. Zo bezien, ben ik een echte trendsetter!

Een moetje

Bron: Pixabay.com

Het zou mij niet verbazen als het woord ‘moeten’ een van de meest gebruikte woorden is in de Nederlandse taal. U zou er voor de gein eens op moeten letten hoe vaak u dit woord gebruikt. Ik dus ook weer, daarnet. Ik moet dit, ik moet dat. We moeten werken voor ons geld, we moeten studeren, carrière maken, we moeten een nieuwe auto, een nieuw huis én een nieuw mobieltje. We moeten van alles en nog wat, maar is er sprake van echte noodzaak?

Volgens Van Dale (u weet wel, die dikke) heeft ‘moeten’ verschillende betekenissen, u mag ze zelf opzoeken. Er zit vooral een component van dwang in, van verplichting, van noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid. Er wordt gesuggereerd dat er geen keuze is, het móét wel. Een keuze is er altijd, al is het soms een keuze uit twee kwaden. Ik moet naar mijn werk? Welnee. Niet gaan betekent uiteindelijk ontslag en dus geen inkomen. Ik moet studeren? Welnee. Een opleiding is wel verrekte handig als je een leuke baan wilt, met een bijbehorend leuk inkomen. Ik moet carrière maken? Het is net alsof ik mijn moeder hoor praten. Dan heb je meer inkomen, meer aanzien? Ik vind het belangrijker dat een baan leuk is en me voldoende uitdaagt. We moeten belasting betalen? Ja, als u de Fiscus niet achter u aan wilt hebben, is dat wel raadzaam. Veel genade kennen die jongens niet, afgaande op de toeslagenaffaire. Zonder belastinginkomsten kan de overheid het wegenonderhoud ook niet betalen, om maar iets te noemen.

Wat zou er gebeuren als we het woord ‘moeten’ los zouden laten, als we het niet zouden gebruiken? Beter nog, als we ook het woord ‘niet’ los zouden laten? Makkelijker gezegd dan gedaan, gezien het veelvuldig gebruik van beide woorden. Het is soms makkelijker te weten wat je niet wilt, dan wat je wel wilt. Als we die dwang, die verplichting loslaten, als we uitgaan van wat we vooral wel willen, wat zou er dan veranderen?

Volgens mij zouden we veel vrijer zijn, zonder de dwang van het moeten. We zouden veel meer gericht zijn op wat we wel willen, op wat goed en positief is in ons leven en in de wereld. Wat je aandacht geeft, groeit. Daarom wil af van het moeten, van wat ik niet wil. Ik schrap het woord ‘moeten’ uit mijn woordenboek.

Het zal lastig zijn, ik zal regelmatig struikelen, maar ik heb geen keuze. Het is een moetje!

Een onvervuld verlangen

Afbeelding van 💛 Passt gut auf euch auf und bleibt gesund! 💛 via Pixabay

Het is vreemd, dat je iets kunt missen dat je nooit gekend hebt. Van mensen die hun vader en/of moeder nooit gekend hebben, kan ik het me voorstellen. Je ouders in je leven hebben, voor de meesten onder ons is het de normaalste zaak van de wereld. Vanzelfsprekend is het echter niet. Je hoeft maar een keer te kijken naar een aflevering van ‘Spoorloos’, het medeleven in de ogen van Derk Bolt vertelt je een ander verhaal. Het zijn slopende zoektochten, soms eindigend in een dood spoor als het gemiste familielid overleden is, of niet gevonden wil worden.

Veel mensen hebben soortgelijke verhalen. Zelf heb ik ook vele jaren mijn (biologische) vader moeten missen, gelukkig heb ik hem nog kunnen vinden. Minder geluk heb ik als het gaat om mijn schoonvader. Hem ken ik alleen van foto’s, van verhalen die mijn vrouw en schoonmoeder vertellen.

Het lijkt misschien ideaal, geen schoonouders. Tenminste, als je relatie met een of beide schoonouders te wensen overlaat en je het leed en het gemis van je partner even buiten beschouwing laat. Ik heb niets te klagen in dat opzicht, mijn schoonmoeder is een schat. Mijn schoonvader had ik ook graag gekend, het heeft niet zo mogen zijn.

Heel erg bewust was ik me niet van dit gemis. Tot ik onlangs de rubriek ‘Ik heb geleefd’ van Annemarie Haverkamp las. Het zijn meeslepende verhalen over mensen in de laatste fase van hun leven, in dit geval Rob, die ALS heeft. Robs verhaal is er een van langzame aftakeling, van leven dat langzaam maar zeker wegglipt, als zijn spieren het de een na de ander opgeven. Geen prettig vooruitzicht.

Zoals zovelen wiens verhaal in ‘Ik heb geleefd’ verschijnen laat Rob zich echter niet kisten. Hij haalt uit het leven wat er inzit, zolang het nog kan. Hoe meeslepend zijn verhaal ook is, wat mij raakte was wat Rob tegen zijn vriendin Nanda zei. Rob: ‘Zie ik in de hemel eindelijk je vader’, waarop Nanda antwoordde: ‘Hij zal je een aardige kerel vinden’. Precies wat mijn vrouw en schoonmoeder ook altijd tegen mij zeggen.

Het lijkt zo zinloos, te verlangen naar iets dat je nooit zult hebben, nooit zult kennen. Hoe zinloos het ook is, het onvervuld verlangen laat zich niet onderdrukken.

‘Ik hoef alleen geduld te oefenen’, zei ik tegen mijn vrouw, na het lezen van Robs verhaal. Ik hoop wel nog lange tijd te mogen oefenen, voordat mijn verlangen vervuld wordt.

Liefde in tijden van corona

Bron: Pixabay.com

Het zijn vreemde tijden, deze tijden van corona. Tijden van stilte, van lege straten, lege cafés en restaurants. Tijden van volle supermarkten met lege schappen. Tijden van paniek en hysterie, hoezeer de overheid de gemoederen ook probeert te bedaren. Tijden waarin we leven in angst, tijden waarin er geen ruimte lijkt te zijn voor rede.

Ik zie niet een wereld die tot stilstand is gekomen, maar een die juist tot rust is gekomen. Even geen voetbal op TV, geen files op weg naar het werk. In plaats van verlaten wegen zie ik schone lucht. Al dan niet verplicht thuiswerken maakt meer verschil dan de verlaging van de maximumsnelheid, die toevallig of niet ook in deze tijd ingaat. Ik zie geen wereld van mensen die geïsoleerd van elkaar leven, maar een van mensen die juist dichter tot elkaar komen, ook al mogen ze elkaar niet aanraken. In tijden van crises komt het beste in de mens naar boven. Denk maar aan de beelden van mensen op balkons, ergens in Italië, die samen een lied zingen. Het is prachtig, om stil van te worden. Laten we ook samen zingen, wat, dat maakt niet uit. Zelf kan ik geen instrument bespelen, vals of uit de maat zingen lukt me wel.

Als we het niet zien als een probleem, maar als een kans, dan gaat een wereld van mogelijkheden voor ons open. Twee weken thuiszitten, het kan ook twee weken met meer contact met je partner en/of kinderen betekenen. Twee weken geen sociale interactie kan ook betekenen dat je series in kunt halen op Netflix, of dat je die stapel ongelezen boeken wegwerkt.

Twee weken dat we geen handen mogen schudden of elkaar een knuffel of omhelzing mogen geven, het is niet niks. Ik las het verhaal van een stel dat gescheiden leefde, omdat de een wel en de ander niet besmet was. Zij had de benedenverdieping, hij de bovenverdieping. Het zou voor mij een hel zijn, om gescheiden te moeten leven van mijn lief, ook al duurt het maar even. Volgens Gers Pardoel zouden we juist wel moeten knuffelen, elkaar wel liefde moeten tonen. Ook al is het geen goed idee, behoefte aan liefde hebben we allemaal. We moeten even wachten, Gers. Zoals de Italiaanse premier Conte zei: ‘We houden nu even afstand, om elkaar straks nog steviger te omarmen’.

Liefde in tijden van corona, het valt niet mee. De liefde helpt ons er wel doorheen.

Waterkoud

Afbeelding van Free-Photos via Pixabay

Het was een grijze, grauwe winterdag. Een zaterdag, een verdwaalde ‘Blue Monday’. Het was intens koud, waterkoud, zou mijn moeder zeggen. Het voelde alsof kille, klamme vingers zich maar mij uitstrekten. Niet om me liefdevol te strelen, maar om me te omarmen in een ijskoude omhelzing.

Snel fietste ik verder, in een poging de kille vingers te snel af te zijn en misschien een beetje op te warmen. De kou drong door tot in mijn botten, bleef hangen in mijn kleren. Als ik al te lang zou dralen, alvorens huiswaarts te gaan, zou het alleen maar erger worden. Zaterdagochtend is mijn moment om boodschappen te doen, vlees, vis en groenten, zo vers mogelijk. Dan moet je vroeg uit te veren, ook op zaterdag. Dat is niet erg, dan houd je ook meer over van je dag. Het is lekker om je dag actief te beginnen door een stukje te fietsen, al is het niet ver. Mits het niet regent, of het waterkoud is.

Dikke handschoenen doe ik liever niet aan, dan heb je helemaal geen gevoel in je vingers. De dunne handschoentjes die ik altijd in mijn jaszakken heb zitten (dan weet ik zeker dat ik ze bij heb!) voldeden niet helemaal, enigszins verkleumd en met koude handen stapte ik van mijn fiets, in het centrum van ons mooie dorp. Het was niet druk bij de visboer, ook niet bij de slager, dus voor ik het wist zat ik weer op de fiets. De verkleumende vingers strekten zich wederom naar mij uit, vasthoudender dan op de heenweg. De kou trok meer en meer in mijn kleren, tot in me nauwelijks voor kon stellen het ooit weer warm te krijgen.

De zon liet zich niet zien, verschool zich achter dikke wolken. Zo midden in de winter komt ze simpelweg kracht te kort om de wolken te doen smelten. Van de zon had ik weinig te verwachten, deze dag. Hard fietsen was de enige oplossing, wel een met een vervelende consequentie: een koude wind, die steeds sneller langs mijn gezicht streek, als een kille streling, koud en liefdeloos. Mijn oren en mijn kale knikker zaten verscholen onder een dikke muts, geen overbodige luxe.

Met elke trap kwam mijn bestemming dichterbij, mijn thuis waar mijn lief op me wachtte. Blij deed ik de poort open, zette mijn fiets weg en snelde naar binnen. Naar de warme omhelzing van mijn lief, en weg uit die waterkou.

Een beetje verliefd

Afbeelding van Michal Jarmoluk via Pixabay

Ik kan het niet langer voor me houden: ik ben een beetje verliefd! Het is eigenlijk niets voor mij, over het algemeen ben ik tevreden. Tevreden met wat ik heb, ik hoef niet om de haverklap een ander. Ik ben van nature trouw, ik houd niet zo van verandering. Daarom kwam het als een volslagen verrassing, ook voor mijzelf. Toen ik die ander zag, ging mijn hart sneller kloppen. Mijn mond werd droog, mijn handen klam. Het was maar goed dat ik al zat!

Natuurlijk kijk ik regelmatig om me heen, ik ben tenslotte een man. Al het schoons om ons heen, het is er om bewonderd te worden. Kijken mag, als je er maar afblijft, toch? Het oog wil per slot van rekening ook wat. Wat maakt het uit als je buiten de deur trek krijgt, zolang je thuis komt voor het eten? Het is vreselijk, dit soort clichés schieten ineens door mijn hoofd, om mijn gedrag te rechtvaardigen.

Ik probeer het te onderdrukken. Ik heb het toch goed, zoals het nu is? Ik heb geen enkele reden jou ontrouw te zijn, je doet alles wat ik vraag. Alles! Niets is te veel, zolang ik ook maar goed voor jou zorg. Dat is niet meer dan normaal, dat geef ik toe. Je vraagt nooit wat terug, je klaagt nooit, je stelt geen eisen. Je bent alles wat ik me zou kunnen wensen, alles. Ik heb niets te wensen over. Je bent in één woord perfect! Je bent niet meer de jongste. Dat waardeer ik juist aan je, we zijn zo goed op elkaar ingespeeld. We weten precies wat we aan elkaar hebben, wat we van elkaar kunnen verwachten. Een beetje aandacht, een paar lieve woordjes, dat is niet te veel gevraagd. Ook dat was vergeten, toe ik die ander zag.

En toch. En toch, toen ik die ander zag, was ik dit alles op slag vergeten. Vergeten waren al die jaren samen, vergeten is alles dat we meegemaakt hebben, de vele kilometers die we samen afgelegd hebben. Ik zag alleen die ander, hoe mooi ze is, hoe jong.

Het is niet dat ik toe ben aan iets anders, iets nieuws, om mijn leven op te fleuren. De gedachte kwam in me op en is niet meer weg te krijgen. Of ik er echt iets mee ga doen, weet ik nog niet.

Misschien ga ik toch eens informeren wat je inruilwaarde is.

Buikdansen

Afbeelding van Silke Schäfer via Pixabay

Voorzichtig deed ik de deur open, en keek naar binnen. Mijn lief heeft sinds kort een nieuwe passie, naast mij. Zachtjes wiegden haar heupen naar links en naar rechts, zonder dat haar schouders meebewogen. Dat is makkelijker geschreven dan gedaan, zoals ik even later aan den lijve ondervond. ‘Sorry, ik wilde je niet storen’, zei ik. Voordat ik de deur weer dicht kon doen, zei mijn lief: ‘Wil je meedoen?’. Het zag er prachtig uit, aanstekelijk zelfs. Zonder iets te zeggen ging ik achter haar staan, en probeerde haar na te doen. Probeerde. Zo eenvoudig als het eruit ziet als je ernaar kijkt, zo lastig is het om te doen. Hoofd stil, schouders ook, de heupen al wiegend. Ik geef het u te doen. Of met de buik achtjes draaien, zonder verder iets te bewegen.

Mijn lief is begonnen met buikdansen. Buikdansen? Is dat leuk? Jazeker! Het is sowieso leuk om het enthousiasme van die lieve stuiterbal van me te zien, met blinkende ogen die me vol passie aankijken. Met een brede lach op haar gezicht, die ze niet kan onderdrukken, als ze dat al zou willen. Met een swing in haar stap, nog gracieuzer en lieflijk als ze al was. Het is ook nog eens goed voor haar, niet alleen is het een goede manier van lichaamsbeweging, het traint ook nog eens de buik- en andere spieren. Menig bierbuik die met wellustige blik naar buikdansers kijkt heeft meer buik dan de danseres, maar daar zit veel minder beweging in. Hoewel de buiken in kwestie het wel kunnen gebruiken.

Het is opmerkelijk hoe verschillend gereageerd wordt, als mijn lief vertelt over haar nieuwe passie. Sommigen van u zullen wellicht ook denken dat het gaat om een erotische dans, bedoeld om mannen op te winden. Al is daar in veel gevallen niet veel voor nodig. Bij buikdansen gaat het om andere dingen. Het gaat om sensualiteit, om gracieuze bewegingen, om elegantie en om vrijheid. ‘Ik voel me meer vrouw’, zegt mijn lief. Voor mij is ze een en al vrouw, ook al is ze wars van rode lippenstift, hoge hakken en parfum. Als ik haar zie buikdansen, begrijp ik wat ze bedoelt. Het is meer sensualiteit dan seksualiteit, meer elegantie dan erotiek, meer gratie dan begeerte.

Ik kijk in elk geval met grote bewondering naar mijn lief, dan krijg ik zin om weer mee te doen. Al weet ik niet of het zo sensueel of gracieus eruit zal zien, die dansende buik van mij.

Nobelprijs

Born: Pixabay.com

Wie ook de reclamecampagnes van het bekende biermerk uit het Brabantse Lieshout bedenkt, hij of zij verdient een loonsverhoging. De bierbrouwer heeft het Brabantse volksfeest carnaval genomineerd voor de nobelprijs voor de vrede. Uiteraard is dit een reclamestunt, alleen personen en organisaties kunnen worden voorgedragen. Het is wel een briljante stunt, het doel wordt bereikt: meer publiciteit. Het bier wordt er niet lekkerder van, een kniesoor die daar op let.

Je ziet ze overal in het Brabantse, reclameposters met een lachende malloot met een vleeskleurige badmuts op zijn hoofd, met de naam van het dorp of de stad waar de poster hangt. Niet de normale naam, die mensen van boven de rivieren ook kennen (al is het van de atlas, of Google Maps), maar de carnavalsnaam, waarvan de oorsprong niet altijd duidelijk is. Ieder jaar worden alle dorpen en steden omgedoopt en dragen ze vijf dagen lang hun carnavalsnaam, worden de sleutels overgedragen aan Prins Carnaval en gaat iedereen los.

Nou ja, iedereen. Ik vraag me soms wel eens af of ik wel een echte Brabander ben. Koffie drink ik zelden, worstenbrood vind ik dan wel lekker, maar carnaval? Nee, daar houd ik me verre van. Niet vanwege de busladingen van boven de rivieren, die denken dat het tijdens carnaval gaat om zuipen en vrouwen lastigvallen. Of vanwege bezopen Brabanders, die hetzelfde denken. Zelf drink ik, wel met mate. Hossen en hoempapamuziek, ik heb er gewoon niets mee. Je kunt alleen aan mijn zachte ‘g’ horen dat ik uit Brabant kom.

Carnaval is meer dan drank en ‘foute’ muziek, het is meer dan even met z’n allen uit je dak gaan, voor we veertig dagen vasten.  Al wordt het vasten tegenwoordig overgeslagen, het feestje van tevoren gaat gewoon door. Een feestje waarbij mensen een transformatie lijken te ondergaan, evenals hun woonplaats. Menigeen houdt het bij een kiel of lange jas, sommigen maken echt werk van hun kostuum, met een ludieke gedachte erachter.

Het idee om carnaval te nomineren lijkt onzinnig, het blijft natuurlijk een reclamestunt. Carnaval verbroedert, het verbroedert de deelnemers, maar ook degenen die niet deelnemen. Voor de eersten vervagen alle tegenstellingen in een waas van bier en confetti, de laatsten worden verenigd in hun verbazing over al die gekkigheid, op een stokje.

De nobelprijs voor de vrede zal carnaval niet krijgen. De nobelprijs voor originaliteit verdienden de bedenkers van deze campagne in elk geval wel.

Klassieker versus eenheidsworst

Afbeelding van M-ART-IJN via Pixabay

Ik ben geen autoliefhebber. Ik ben niet iemand die zij vehikel een naam geeft (liefst vrouwelijk), iemand die pas leeft als de wereld in een vage, kleurrijke veeg langs hem heen snelt. Iemand voor wie zijn bolide als een verlengstuk van zijn lichaam is, een opvulling van een lege plek. Voor mij is mijn auto een vervoermiddel dat me van A naar B brengt, liefst zonder tegen te sputteren en zonder te haperen.

Dat wil niet zeggen dat ik niet graag naar auto’s kijk. Het is wonderlijk hoe de een gehaast is en alleen maar sneller en sneller lijk te willen gaan, de ander tuft vrolijk en onverstoorbaar door, in zijn eigen tempo. Misschien is het wel omdat ik niet het oog van een liefhebber heb, auto’s lijken steeds meer op elkaar, ongeacht het merk. Natuurlijk, er is een duidelijk verschil tussen grote en kleine auto’s; binnen de specifieke segmenten zijn de verschillen klein, en is het moeilijker de verschillende merken van elkaar te onderscheiden. Als je niet naar de emblemen kijkt, tenminste.

Zo ben ik erin geslaagd om bijna een hele vakantie lang mezelf wijs te maken dat de auto waarin we het Griekse eiland Rhodos doorkruisten een Peugeot 107 was, terwijl het toch echt een Citroën C1 was, wat duidelijk te zien was middels het embleem op het stuur. Waar mijn reisgenoot me lachend op wees.

Het is eenheidsworst, met het merkembleem als keurmerk. Ook qua kleuren is er weinig verschil, de meeste auto’s zijn zwart, donkerblauw of verschillende tinten grijs.  Ze vliegen als een grijze, grauwe flits aan je voorbij op de snelweg. De uitzonderingen, auto’s met een afwijkende kleur, vallen des te meer op. Ook oude auto’s vallen ook steeds meer op. Niet alleen omdat ze zeldzamer worden, de meeste exemplaren zijn afgevoerd naar andere oorden of verwerkt tot blikjes. Ook omdat het ontwerp en de vormen afwijken.

Laatst zag ik onderweg een auto Ford escort, zilvergrijs. Ik schat dat de auto ergens in de jaren ’80 gebouwd is, zeker weten doe ik het niet. De auto schoot me voorbij, de motor deed het nog prima, zo te zien. Het was misschien niet de mooiste auto die ik ooit gezien heb, het deed mijn ogen plezier een klassieker te zien, te midden van al die eenheidsworsten.

Het is ontnuchterend om te bedenken dat er een tijd was, waarin klassiekers juist eenheidsworsten waren. Het is dus een kwestie van geduld, tot de eenheidsworsten van vandaag klassiekers geworden zijn.

Een ongeluk zit in een klein hoekje

Bron: Luc van de Wiel

Het was een gezellige avond, met mijn goede vriend José. We stapten in onze auto’s, om weer huiswaarts te gaan. Het was druk, het leek of iedereen tegelijkertijd naar huis ging. Bij de parkeergarage moesten tientallen auto’s zich langs drie slagbomen zien te werken, die automatisch omhooggingen. Mits je betaald had, natuurlijk. Om twee meter verder op één enkele rijbaan verder te moeten, het was dringen geblazen. Wonderwel ging het goed, en gebeurden er geen ongelukken.

Dat gebeurde een stuk verderop, ik reed rechtdoor, opeens kwam een auto van links. Ontwijken ging niet meer, met een knal botste de auto tegen de mijne, tolde een paar keer om zijn as en kwam tot stilstand op de middenberm. Zelf kon ik gewoon doorrijden, even kwam de gedachte in me op om dat ook te doen. Het verstand kreeg de overhand, ik zette mijn auto langs de kant. Even later klopte een jongedame op mijn raam. ‘Is alles goed met u?’ vroeg ze bezorgd. ‘Ja hoor, met jou ook?’ was mijn wedervraag. Ik voelde de generatiekloof, ze zei nog net niet ‘meneer’ tegen mij. Uit beleefdheid sprak ze me met ‘u’ aan, ook toen ik zei dat ze best ‘je’ mocht zeggen.

Samen vulden we het schadeformulier in, dat ik standaard in mijn dashboardkastje heb liggen. Juist voor een situatie als deze, een situatie die je liever vermijdt, maar die je soms toch overkomt. Dat deze jongedame naar me toekwam, deed me goed. ‘Sorry hoor’, zei ze, ‘Ik had u echt niet gezien!’. Ja, je botst niet voor je plezier tegen een andere auto aan, tenzij je op de kermis bent. En niet in je eigen auto zit, maar eentje die er speciaal voor gemaakt is.

Nadat we het formulier ingevuld hadden, barstte ze in tranen uit. De schrik zat er goed in, bij mij ook. Het gaat je niet in je kouwe kleren zitten, ook niet op een druilerige, winderige avond, ergens in Tilburg. Nogmaals bood ze excuses aan, ‘Hoeft niet hoor, het kan gebeuren’, probeerde ik haar gerust te stellen.

Daarna gingen we op weg naar huis, enigszins trillering zat ik achter het stuur. Gelukkig was er niets ergs gebeurd. Alleen blikschade, dat is te overzien. Het was een vreemd einde van een gezellige avond. Een einde dat ik niet aan zag komen, letterlijk en figuurlijk.

Zo zie je maar, een ongeluk zit in een klein hoekje.