Voor mij is de lol er af

In een vorig leven ging ik graag winkelen. Ik ging er speciaal vroeg op uit, zaterdagochtend. Vóór iedereen wakker was, was ik al weer thuis. Soms met een speciaal doel, meestal niet. Even neuzen of ze nog leuke, nieuwe dingen hadden. Kleding, schoenen, maar ook cd’s of gadgets. Hebbedingetjes, met maar één functie: het vullen van de leegte.

Ik had zo mijn vaste adressen, waar ik langsging. Een warenhuis, een grote kledingwinkel, een platenzaak, een sportkledingwinkel, er zat wel wat variatie in, al lag de nadruk wel op kleding. Als ik nu weer eens door de binnenstad loop, mis ik juist die variatie. Het zijn alleen nog maar kleding winkels, sommige vintage, of schoenenwinkels. Hippe, trendy fastfoodtenten voor de lekkere trek. Maar het moet wel snel gaan!

Laatst zag ik in Tilburg een gourmet frietzaak. Gourmet? Ik denk dat ze bedoelen dat ze extra lekkere, speciaal gemaakte en vooral verse friet verkopen. Ik geloof dat je zelfs zelf de aardappel mag uitkiezen, die voor je ogen tot friet verwerkt wordt.

In dezelfde stad zag ik een filiaal van een Canadese warenhuisketen, die de plaats ingenomen heeft van V&D. In sommige steden, niet overal. V&D, tot voor niet al te lang geleden bijna niet weg te denken uit de binnenstad van elke, zichzelf respecterende winkelstad. Maar nu bijna vergeten, behalve door de ex-werknemers.

Als ik vroeger ging winkelen, kwam ik meestal niet met lege handen thuis. Met als gevolg een uitpuilende kledingkast. Pure verspilling, je kunt maar één T-shirt, trui of overhemd tegelijk aan. Tenzij het koud is en je verwarming stuk is, of je naar buiten moet, natuurlijk.

Sinds mijn lief in mijn leven is, is er iets veranderd. Ik heb een hoop overbodige kleding weggeven, die ik nooit aandeed. En als ik een kledingwinkel binnen loop, om eens even te kijken wat er te koop is, loop ik met lege handen naar buiten. Zo ook deze keer. Te duur, of ik heb het niet nodig.

Tja, de conclusie is onvermijdelijk. De shopper in mij is niet meer. De leegte is gevuld, mijn kledingkast hoeft niet langer bang te zijn te bezwijken onder de immer toenemende last. Voor mij is de lol ervan af, van het shoppen.

Mijn portemonnee daarentegen is voller dan ooit tevoren. En dan zeggen ze dat vrouwen geld kosten! Alleenstaand zijn was voor mij duurder.

Plantsoenlijk gedaan

Ik werd er wakker van, van het getik van schoffels tegen de bestrating. Eerst dacht ik dat het de buurman was in een actieve bui, al kon ik niets zien vanuit het raam.

Ik dacht er niet meer aan, totdat ik boodschappen ging doen. Ze waren met z’n drieën, druk schoffelend in het gemeentelijke groen. De plantsoenendienst, dacht ik, al zag ik nergens het bijbehorende busje met het logo van de gemeente. Misschien waren ze gedropt of zo.

Vriendelijk knik ik naar de dichtstbijzijnde en zeg: ‘Hallo!’ Meer als een vriendelijke knik terug zat er niet in, blijkbaar. Een verlegen type?

Het was warm die dag, zo op de grens van lente en zomer. Na een paar dagen wisselvallig weer had de zon weer de overhand en scheen genadeloos op hun witte borst, rug of onbedekte hoofd. Hoewel ze hard werkten, liep het zweet niet tappelings over hun rug. Waar mogelijk zochten ze de schaduw op.

Met verbazing keek ik naar de stoep. Waar eerst een oerwoud van onkruid stond, minstens een halve meter hoog, lag de stoep er nu strak en schoon bij. Ik kon de stoeptegels weer zien, het stukje zandgrond aan de straatkant was netjes bijgeharkt.

Even verderop is een donkere hoek, beschermd door tuinmuren en hoge muren. Een paradijs voor mos, dat er welig tierde. Niet meer, de mannen hadden al het mos weg geschraapt en de straat netjes aangeveegd. Wie waren die mannen, waar kwamen ze vandaan, waar hadden ze geleerd zo netjes te werken? Dat zijn we niet gewend!

Bij terugkomst van het boodschappen doen volgde weer hetzelfde ritueel. Weer groette en knikte ik beleefd, dit keer naar de oudste van de drie. Opnieuw kreeg ik niet meer dan een vriendelijke knik terug, alsof hij niet begreep wat ik zei.

Tussen de middag waren ze plots verdwenen. Mijn oog viel op een oude, rode Opel Corsa, geparkeerd op de hoek. Met zijn drieën zaten ze daar, te lunchen en te schuilen voor de zon.

Nog een raadsel: waar lieten ze al het gewiede onkruid? Her en der zag ik bijna lege vuilniszakken, waar waren de volle gebleven?

De hele dag waren ze bezig, voorzichtig manoeuvrerend langs geparkeerde auto’s, vastberaden de strijd tegen het halsstarrige onkruid te winnen. Het onkruid gaf zich niet eenvoudig gewonnen, zodra de mannen hun rug toekeren, zal het terugkeren, vroeg of laat. Het is een niet te winnen strijd, maar de mannen lieten zich niet ontmoedigen.

Gestaag verdween het ongewenste groen, onder het onstuitbare geschuifel van de schoffels. De gele hesjes die ze eerst aanhadden, hingen al gauw over de heg.

Onder elkaar praatten de mannen wel, in een taal die ik niet verstond. Het is een vreemd idee, mannen die weet-ik-veel waar vandaan komen om hun geluk te zoeken in ons land. Hadden ze van te voren al bedacht dat ze in een vreemd land zouden staan schoffelen?

Zo plots als ze ’s ochtends verschenen, zo plots waren ze ’s avonds verdwenen. Een opgeknapt hofje achterlatend, ontdaan van onkruid en netjes aangeharkt, een weldaad voor het oog. Een geel hesje lag nog over de heg, een eenzame herinnering aan de aanwezigheid van de vreemde mannen.

Ik hoop dat ze terugkomen, zodat ik ze kan zeggen: ‘plantsoenlijk gedaan!

Slakkengang

Stel je voor, je bent een slak. Een kleintje, hooguit 2-3 centimeter lang. Zo klein, dat je nauwelijks opvalt tussen de woudreuzen, of op de stoep of op het fietspad. Je huis op je rug, dat heb je altijd bij je.

Als je zo klein bent, lijkt alles immens. Een kleine muis is een reus, een mens is gigantisch. Maar klein zijn heeft ook voordelen: je valt minder snel op, en je hebt minder nodig.

Dat je niet de snelste bent, weet je zelf ook wel. In je eigen tempo vervolg je je weg, je reukzin achterna. Altijd op zoek naar eten, een partner of een schuilplaats. Altijd op je hoede voor gevaar. Als er gevaar dreigt, kruip je in je schulp.

Gevaar dreigt overal. Egels, vogels en allerlei andere wezens vinden je wel een lekker ding. Om op te vreten!. Zelf ben je een overtuigd vegetariër, dat maakt geen verschil.

Het liefst zou je de hele dag wegkruipen, veilig schuilen in een donker, vochtig plekje. Als de zon volop schijnt, is dat een extra gevaar. Uitdroging, of levend gebakken worden, of gekookt in je eigen slijmspoor. Als het niet al opgedroogd is.

Alleen als het donker is, of een regenachtige dag, waag je je buiten. Telkens als je dat doet, riskeer je je leven. Als je dan alle gevaren hebt ontweken, dan is er nog het ongeziene gevaar.

Het gevaar dat je niet aan ziet komen, het gevaar dat letterlijk zó groot is, dat je het niet kunt zien. Op het harde asfalt voel je het ook niet aankomen. Twee banden, één voor en één achter, gaan achtereenvolgens over je heen. Zonder dat je het in de gaten hebt, is het in een oogwenk voorbij.

Zelf ben ik niet een van de snelsten, ik kon je ontwijken toen ik je tegenkwam op het fietspad, maar net. Het scheelde niet veel, of ik had je voor een takje aangezien. Tot het al te laat was. Zover kwam het niet, dit keer.

Het leven is kort, het leven is hard. Het leven is soms snel voorbij, ook al leef je op een slakkengang.

Geloof, hoop en liefde

Ik zie verwachting, ik zie hoop in de ogen van de mensen om me heen. Rond half een hebben we ons verzameld, voor het begin van de SamenLoop voor Hoop in Geldrop, mijn geboortedorp.

SamenLoop voor Hoop, zelden past een naam beter. Het is een samenloop van mensen, die ook nog eens samen lopen, om hoop te bieden.

Hoop, dat is het thema. Hoop dat er een geneesmiddel gevonden wordt voor die vreselijke k-ziekte, die sluipmoordenaar, die verrader die zich tegen het eigen lichaam keert. Hoop dat het goed komt, hoe diep het dal is waar iemand met die k-ziekte in zit. Hoop op een menswaardig bestaan, of tenminste een menswaardig einde.

Ik zie ook geloof. Geloof dat het middel er zal komen Geloof en vastberadenheid, om de strijd niet op te geven. Een strijd die opgegeven wordt, is bij voorbaat verloren. De vastberadenheid is te zien in de ogen van de ruim 600 wandelaars, die trouw hun rondjes lopen, om beurten. De vastberadenheid is ook te zien in hun tred, in de stem van degenen die een toespraak houden. Wij geven ons niet gewonnen!

Ik zie ook liefde. Liefde voor dierbaren die de strijd hebben verloren, die met dankbaarheid herdacht worden. Zolang mensen je nog herinneren, je naam liefdevol fluisteren, ben je niet vergeten.

Iedereen die er is, is hier voor dezelfde reden. Of ze hebben zelf aan den lijven ondervonden hoe het is om die k-ziekte te hebben, of iemand in hun naaste omgeving. Dat geeft een grote saamhorigheid. We hebben een gemeenschappelijk doel, een gemeenschappelijke strijd. Al weten we niet hoe dat doel bereikt moet worden, we zetten er ons gezamenlijk voor in, met hart en ziel.

Ik zie kameraadschap, niet alleen vanwege het gezamenlijke doel, ook omdat we een andere kant van elkaar zien. We zijn allemaal mensen van vlees en bloed, met gevoel, met een eigen geschiedenis. Hoe anders we ook zijn, op deze plaats en in dit moment zijn we allemaal hetzelfde, zijn we één!

Een lange rij papieren zakken langs het parcours, gevuld met een waxinelichtje en in de meeste gevallen voorzien van een persoonlijke boodschap. Soms een heel verhaal, soms alleen een hartenkreet, of een foto met een geboorte- en sterfdatum, een herinnering aan een dierbare.

Ik ben blij en trots, dat ik mee heb mogen lopen. Dat ik op bescheiden manier iets heb kunnen bijdragen, geloof, hoop en liefde heb kunnen bieden.

Deze is voor jou, Frank.

 

De koning op zijn troon

Met enige vrees neem ik plaats, als een koning op zijn troon. Normaal gesproken ken ik geen angst, niet als het gaat om mijn troon. Dat was nu anders.

Het kwam niet uit de lucht vallen. Ze hadden het van te voren aangekondigd, ik wist wat me te wachten stond. Eens in de zoveel tijd moet ook mijn troon er aan geloven, zich onderwerpen aan een grondige inspectie en schoonmaak. Ongezien en achter de schermen strekt een netwerk aan pijpen zich uit, dat ook onderhoud nodig heeft.

Wanneer dat onderhoud precies plaats zou vinden, konden ze niet zeggen. Wel dat er sprake kon zijn van overlast. Ze adviseerden om de troon af te dekken met iets zwaars, omdat de pijpleidingen onder hoge druk gereinigd zouden worden. Om te voorkomen dat de stukken eraf zouden vliegen, of om de oren.

U begrijpt mijn vrees, mijn terughoudendheid. Wat anders mijn troon is, de plek waar ik me even terugtrek uit de wereld om me te verlossen van een zware last, is nu zelf een zware last. Waar ik me normaal gesproken veilig en op mijn gemak voel, daar dreigt nu gevaar.

Er is geen ontsnappen aan. Vroeg of laat, de koning moet op zijn troon, of-ie nu wil of niet. Voorzichtig verwijder ik de boeken die ik gebruik om mijn troon te verzwaren. Langzaam nadert mijn zitvlak de troon. Geen teken van verstoring, geen aanwijzing van komende rampspoed, geen uitbarsting. Ik slaak een zucht van verlichting en ga over tot de orde van de dag.

De spanning blijft echter voelbaar, niet bevorderlijk als je een zware last aan het lozen bent. Waardoor het alleen maar langer duurt!

Met pijn en moeite lukt het om te ontspannen, ik onderdruk visioenen van waterkolken en andere zaken, die ik liever verborgen houd. Mijn oren zijn gespitst op verdachte geluiden. Regelmatig schrik ik op, als ik denk iets verdachts te horen. Wat was dat? Een deur die dicht gaat. En dat? Eén van de buren, die de trap op- of afgaat. Wat nu weer? Elk geluid verstoort mijn gebruikelijke ritueel, dat gebaseerd is op rust (en regelmaat), het verpest mijn tijd op de troon.

‘Mijn koninkrijk voor een ongestoorde tijd op de troon!’ denk ik bij iedere keer dat ik plaatsneem. Dan merk je pas hoezeer je het nodig hebt om niet gestoord te worden bij zo’n delicate gebeurtenis. Hoe fijn het is, even wat tijd voor jezelf.

Morgen is het achter de rug. Dan is alles gecheckt, doorgelicht en doorgeblazen. Dan keert de rust weer terug, dan is mijn lijden voorbij.

Morgen neemt de koning weer plaats op zijn troon, in alle rust.

Fiets aan de hand

Het leven van een fietser gaat niet over rozen. Harde wind, regen, auto’s die geen voorrang geven, stoplichten, voetgangers en soms andere fietsers zijn hinderlijke obstakels, waar je niet omheen kunt.

Het ergste wat een fietser kan overkomen, is overvallen worden door een regenbui, net als je regenpak in je tas zit. Hoewel, een hagelbui is nog erger. Tenzij je een helm op hebt.

De meeste fietsers hebben een hekel aan regenpakken, zeker scholieren. Als het regent, blijven scholieren stug door trappen, alsof ze niet eens gemerkt hebben dat het regent. Alsof het ze niets doet, en ook niets kan schelen.

Je zou denken dat dat het allerergste is, dat een fietser kan overkomen. Dat je tot op het bot doorweekt bent, om dan ook nog nat gespat te worden door elke auto die door de plassen racet.

Maar nee. Dat is niet het ergste. Bij lange na niet. Het ergst is als je onderweg ontdekt dat je een lekke band hebt. Dat de lucht razendsnel uit de band vliegt, of langzaam maar zeker. Onmerkbaar, tot de band bijna leeg is. En dan geen fietspompje bij hebben, natuurlijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het ergst is, als je met je fiets aan de hand loopt, op weg naar huis. De weg is nog lang, want natuurlijk gebeurt het halverwege. Onderweg probeer je de nieuwsgierige blikken te ontwijken van de tegemoetkomende mensen. Of kijk je ze aan met een blik van ‘valt er hier wat te zien?’

Dat helpt niet, met meewarige blikken staren ze je aan. ‘Waarom loopt hij, hij is toch met de fiets?’ Ze proberen te ontdekken wat er aan de hand is. Al snel hebben ze het in de gaten: een lekke tuub!

Die vernedering, die afgang, met in je achterhoofd de wetenschap dat als je eenmaal thuis bent, de band nog geplakt moet worden. Als ik ergens een hekel aan heb!

Het alternatief? Naar de fietsenmaker. Twee tientjes, en dan was-ie nog te beroerd om de band te plakken. Zo’n klein gaatje is niet te vinden, zei hij. Die band krijg je er nooit meer om, voegde hij er aan toe. Pardon?

Het kostte een paar duiten, een nieuwe binnen- én buitenband. Nu kan ik er weer even tegen. Ik moest wel weer met de fiets in de hand, naar de fietsenmaker. Gelukkig alleen op de heenweg.

Paardenbloem

Ik zie het zo voor me. Een grote weide, vol hoog, wuivend gras. Zachtjes beweegt het mee, buigend voor de bries. Om zich weer op te richten, zodra de bries gaat liggen.

Een weide vol klaprozen, goudsbloemen, korenbloemen, slaapmutsjes, kamille en vele andere weidebloemen. Een weide, die gonst van de bijen en hommels. Vlinders fladderen voorbij, in groten getale, en in vele soorten en kleuren. Dansend gaan ze van bloem naar bloem, in hun kenmerkende sierlijke, ietwat chaotische vlucht. Vlinders zijn de artiesten, bijen en hommels de harde werkers. Amsterdam tegenover Rotterdam, in de dierenwereld.

Er ritselt nog meer leven in het hoge gras. Veldmuizen, naarstig op zoek naar voedsel. Slangen en hagedissen, en nog vele andere dieren, allemaal leven ze in hun eigen wereld, die soms elkaar kruisen.

Soms verbergt het gras iets anders. Een paartje, op zoek naar liefde, intimiteit en wat privacy, midden in de natuur. Natuurlijker kan haast niet.

In de bewoonde wereld zie je niet veel van dit soort weides. Het gras is er kort gemaaid, en strak. Geen blaadje steekt de verkeerde kant, of boven de andere uit, of het wordt afgemaaid. Lieve, kleine bloemen als de paardenbloem en de madelief grijpen hun kans.

Schuchter steken ze hun nek uit, boven het maaiveld. Hun gele of witte bloemblaadjes strekken ze zo ver mogelijk uit, om de zon te verwelkomen. Ook om hun gevleugelde gasten welkom te heten, die het stuifmeel transporteren naar soortgenoten, om het nageslacht veilig te stellen.

Telkens als we het gras maaien, leggen deze prachtige bloemen het loodje. Ze zijn prachtig in hun eenvoud, hoe mooi is het om een geel/witte zee van bloemen te zien, omlijst door groen?

Indringers zijn het, zeker de paardenbloem. Ze verdringen de grashalmen, duwen ze opzij. Breed waaieren ze hun bladeren uit, laag bij de grond, geen ruimte overlatend voor anderen.

Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om het gras te maaien, en deze prachtige bloemen van het leven te beroven. Neergemaaid, in de kracht van hun leven.

Eeuwig zonde is het! Nou ja, eeuwig. Voor je het weet, zijn ze weer terug. Onuitroeibaar. Sterk en krachtig, weerbarstig en taai, als het leven zelf. Het kan even duren, maar ze vinden een weg.

Even lijkt het grasveld een groene woestijn, een bijna kaal aandoende vlakte van kort gehouden grassprieten. Verder wordt alle leven uitgebannen, desnoods met gif of een verticuteermachine.

Nog even niet, paardenbloem. Even mag je nog blijven staan. Om ’s avonds je bloemblaadjes dicht te knijpen, als de zon achter de horizon verdwijnt. De volgende ochtend gaan ze weer open, gretig de zonnestralen onthalend, én de gevleugelde gasten.

Als de paardenbloemen zijn uitgebloeid, of het gras te lang, dan komt de grasmaaier weer in actie. En bloedt mijn hart een beetje.

Tot de volgende keer, paardenbloem. Ik weet dat je terug zal komen. Tot die tijd denk ik aan je, en aan de weide met het hoge gras.

Het meisje met de gele jas

Foto: Yvonne Bruin

Ze staarde naar de halflege beker popcorn in haar hand, zonder de beker te zien. Ze zat alleen, in een verlaten bioscoopzaal. Ingeklemd tussen twee rijen stoelen, het restant van de popcorn aan haar voeten. Een stille getuige.

Ze was dol op hem. Zo lang als ze samen waren, kon ze niet geloven dat ze samen waren. Hij was zo knap, lang en gespierd, met een glimlach die haar deed smelten. In alles was hij de perfecte man, in haar ogen.

Niet alleen in haar ogen. Zijn ogen hadden ook oog voor die andere ogen. Zijn handen beroerden ook hen, zijn lippen kusten ook de hunne. Ze was zo stom geweest, zo blind dat ze het niet al vanaf het begin gezien had. Alsof hij er mee te koop liep, alsof het allemaal aan haar lag.

Wanneer ze het precies doorkreeg? Moeilijk te zeggen. De smoesjes waarom hij niet bij haar kon zijn, zij afwezigheid ook als hij wel bij haar was, zijn blik die voortdurend afdwaalde naar anderen. Ze voelde zijn onrust, zijn behoefte verder te kijken dan haar. Ze voelde dat hij niet bij haar was, in geen enkel opzicht, op geen enkel moment.

Hoe lang houd je zoiets vol? Eindeloos lang, zo lijkt het. Eerst durfde ze hem er niet mee te confronteren. Bang om hem kwijt te raken, bang om alleen te zijn. Bang dat ze het niet waard zou zijn, zo’n mooie man. Of überhaupt iemand waard te zijn.

Veel erger dan wat anderen ons aan kunnen doen, is wat we ons zelf aandoen. Door te geloven wat anderen zeggen, dat we het niet waard zijn. Of door dat zelf te zeggen. Door keer op keer toe te staan dat iemand over onze grens gaat, zonder iets te zeggen.

Het vreemde is, dat ze het niet aan voelde komen. Ze had niet in de gaten hoe vol de maat was. Tot eerder die dag, tot hij voorstelde gezellig iets te gaan eten en een filmpje te pakken.

Bij het eten begon het al. Kijken naar anderen, hij flirtte zelfs openlijk met hen. Hij deed geen poging om het te verbergen. Bij de bioscoop ging het verder, flirtte hij met de kaartverkoopster en het meisje achter de balie bij de drankjes en het snoepgoed. Hij gaf de beker popcorn aan haar, tegelijkertijd maakte hij zo ongeveer een afspraakje met die ander.

Midden in de film, een romantische komedie die zij had uitgekozen, wilde hij haar kussen. Zijn arm om haar heen had al gevoeld als een zware balk, bijna verpletterend. Dit was de druppel! De strohalm, waar ze zich zo krampachtig aan had vastgeklemd, brak.

‘Nee!’ was het enige dat ze zei, zijn arm afwerend. Ze keken elkaar in de ogen en wisten het meteen. Het was voorbij.

Zwijgend stond hij op, keerde zich om en liep weg, haar leven uit. Zij bleef zitten, als verlamd, tot de film afgelopen was. Ze wachtte tot iedereen weg was, haar benen weigerden dienst.

Daar zat ze dan, ingeklemd tussen de rijen stoelen, met haar gele jas aan. Een jongen, die kwam kijken of iedereen weg was, vroeg of alles in orde was. ‘Ja hoor’, zei ze dapper. Verdwaasd keek ze hem aan, stond op en liep de bioscoop uit, de koude, donkere nacht in.

Dit is het eerste artikel in samenwerking met Yvonne Bruin, die de foto gemaakt heeft die mij inspireerde tot dit verhaal. Wil je meer foto’s zien van Yvonne? Kijk dan op http://yvonnebruin.com/

Liefde is


Liefde kent geen leeftijd. Als kind kun je al verliefd worden. Bij je geboorte zijn er al twee mensen die zielsveel van je houden, normaal gesproken. Daar komen nog vele liefdes bij. Voor je beste vriend of vriendin, broer(s) en/of zus(sen), opa’s, oma’s, ooms en tantes.

Wie herinnert zich niet de eerste, echte verliefdheid? Op de kleuterschool, of op de basisschool, op het speelterrein bij de schommels of in de zandbak. Het eerste kusje, vluchtig en al snel weer voorbij, als een gestolen moment. Bij mij was het op het schoolplein, met een meisje dat een paar straten verderop woonde.

Ook als je zelf opa of oma bent, of in elk geval de leeftijd ervoor hebt, kan de verliefdheid toeslaan. Een blik over de leesbril heen, en de vlinders dansen als nooit tevoren in de buik. Twee mensen die elkaar gevonden hebben, niet langer eenzaam of alleen, weer vol levenslust en vol jeugdig gevoel.

Liefde is een universele taal. Al begrijp je geen woord van wat de ander zegt en vind je zijn of haar cultuur maar vreemd, het hindert niet. Barrières zijn er om overwonnen de worden, al lukt dat niet altijd. De liefde heeft haar eigen taal, wie afgaat op gevoel spreekt de taal van de liefde vloeiend. Dan zijn woorden vaak niet eens nodig, een blik of gebaar, een enkele, tedere aanraking is al voldoende.

Liefde is blind. Liefde ziet niet wat er mis is, wat anders zou moeten of wat lelijk is. Liefde ziet alleen wat ons zo mooi maakt, waar we uniek in zijn. Fouten, als ze het al fouten zou willen noemen, worden met de mantel der liefde bedekt. Niet vergoelijkt, maar in plaats dat ze afstoten, maken ze het onderwerp van de liefde juist aantrekkelijker.

Liefde is tijdloos. Echte liefde roest niet, ze wordt alleen dieper met het verstrijken van de tijd. Soms vervliegt de liefde als een zoete parfum, langzaam maar zeker. Echte liefde is eeuwigdurend, ook op hoge leeftijd zie je dan nog die jonge man of vrouw waar je destijds verliefd op werd, alsof het gisteren was.

Liefde kent geen afstand. Geen zee is te diep, geen berg te hoog, geen afstand te ver. Wat in je hart woont, is altijd dichtbij. Al blijf je verlangen naar het moment dat je weer in elkaars armen bent, de hartslag voelt en de liefde ziet in de ogen van je geliefde. Wat de mooiste ogen ter wereld zijn!

Liefde is uitbundig, schaamteloos en onstuitbaar. Verliefde stelletjes tonen openlijk hun liefde voor elkaar, willen hun liefde van de daken schreeuwen. En waarom ook niet? Liefde is mooi, groots en meeslepend. Het vult je ziel, tot je aan niets anders meer kunt denken. Hou dat maar eens voor jezelf! Van de daken heb ik mijn liefde niet geschreeuwd, maar ik zei het wel tegen iedereen die het horen wilde.

Liefde is een kwelling, als het maar van een kant komt. Als de liefde beantwoord wordt, is ze het mooiste wat er is.

Sommigen zeggen liefde is als een chemische reactie, een roze cocktail van dopamine en oxytocine. Doe mij er nog maar een!

Geen berg te hoog – the story of Mount Doom

Het is alsof ik ogen in mijn rug voel branden, als ik het station van de kabelbaan uitstap. In de verte torent een berg overal boven uit. Bos en weiland wisselen elkaar af, overal waar ik kijk. Het uitzicht is prachtig!

‘Gelukkig hoeven we niet helemaal naar boven te klimmen’, dacht ik toen we beneden in het dal in de kabelbaan stapten. Tja, als je met een bergliefhebster getrouwd bent, en op vakantie gaat in Tirol, zou je zoiets kunnen verwachten.

Net buiten het station van de kabelbaan is een terras, met daarachter een winkel en restaurant. Het is er goed toeven, zo te zien. Bordjes wijzen ons naar de route die we hebben uitgekozen, langs grazige alpenweides en beboste hellingen. Zo steil is het hier niet, zo is het goed te doen. Het pad voert naar beneden, langs een speeltuintje met ligbanken met uitzicht over de bergen. Uren kan ik er naar kijken!

De weg voert verder, langs een boerderij. Op een helling, langs het pad, is een boer bezig met hooien. Als we de bocht omgaan, zie ik hem in de verte opdoemen. Een steile, hoge berg. Met hellingen die loodrecht omhoog lijken te gaan. Hoog torent de berg uit boven de omgeving. De Reither Kogel heet de berg officieel. Mount Doom zou een betere naam zijn!

Tegen beter weten in hoop ik dat we deze berg niet hoeven te beklimmen, dat de route vóór Mount Doom afbuigt. Hoe dichterbij we komen, hoe hoger de berg lijkt te worden. Dan komen we bij een smal pad, dat zich slingerend om de berg kronkelt. De wegwijzer velt het vonnis: we gaan linksaf, Mount Doom op.

Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd, en neem nog een slok water. Zijn het ogen die in mijn rug branden, of is het de zon? Het zal mijn verbeelding zijn. Ongetwijfeld is het dezelfde verbeelding die denkt dat de berg me uitlacht, me uitdaagt. Kom maar op!

Stap voor stap gaan we omhoog, het lijkt eindeloos te duren. Mijn ademhaling gaat steeds zwaarder, ik lijk wel een zwaar astmatische bergbok. Regelmatig stop ik even, om bij te komen. Bij iedere bocht kijk ik smekend omhoog, dat dit de laatste mag zijn! Iedere keer zinkt de moed in mijn schoenen, samen met het zweet, het bloed en de tranen, als blijkt dat mijn lijdensweg nog niet ten einde is.

Dan ineens is het zover: we hebben de top bereikt! Ik zijg neer op het dichtstbijzijnde bankje, reikhalzend uitkijkend naar die zuurstoffles die ik zo hard nodig heb. Nergens te bekennen! Een klein, select gezelschap van waaghalzen en sportievelingen heeft zich hier verzameld, om uit te hijgen, te lunchen en te genieten van het uitzicht.

Als ik weer bij mijn positieven ben, zie ik het ook. Het is adembenemend, net als de beklimming. Het is de moeite waard!

Als we weer afdalen naar de bewoonde wereld, voel ik niet langer vermoeidheid of ademnood, maar trots en voldoening. Geen berg gaat ons te hoog!

Spring naar toolbar