Scheve schaats

Afbeelding van Manfred Richter via Pixabay

In mijn jeugd hadden we ’s zomers schoolzwemmen. In de winter had mijn school iets leuks bedacht: in plaats van zwemmen gingen we schaatsen. Voor mij was het de eerste keer dat ik schaatsen onderbond, in mijn geval twee smalle stukjes hout met een bot stukje metaal erin. Als je al niet bepaald een geboren evenwichtskunstenaar bent, zoals ik, ben je gedoemd om een scheve schaats te rijden.

Met enige terughoudendheid begaf ik me op het ijs. Was het mijn verbeelding, of begon het meteen vervaarlijk te kraken? Diep kun je niet zakken, op een kunstijsbaan. Ik keek naar de schaatsers op de baan, die schijnbaar moeiteloos over het ijs gleden, sierlijk pootje over deden om de bochten door te komen, om vrijwel zonder snelheid verloren te hebben verder te gaan. Het leek zo eenvoudig, kijkend naar deze ijskunstenaars. ‘Dat moet ik toch ook kunnen?’ dacht ik overmoedig.

De geest was gewillig, mijn lichaam vertrouwde de zaak niet helemaal. Mijn benen trilden, voorzichtig schoof ik eerst het ene been, daarna het andere in voorwaartse richting. Schraap, schraap, dat was het resultaat. De terreinwinst? Een paar centimeter. Dat was nog niet het ergste. Ik stond al wankel op mijn benen, de schaatsen maakten het er bepaald niet beter op. Of het aan de botte schaatsen lag, of aan mijn gebrek aan atletisch vermogen, het schoot niet echt op. Enfin, u raadt het al: schaatsen is nooit mijn hobby geworden.

Maar toch. Als Koning Winter zijn intrede doet, al het water van vijver tot kleine of grote plas in ijs veranderd, dan wordt de roep van de natuur te sterk. Tijdens een heerlijke winterse wandeling waagden mijn lief en ik ons voorzichtig op het ijs, elkaar stevig vasthoudend. ‘Kijk, we lopen op water’ zei ik jolig. Een gevalletje oneerlijke concurrentie, moet ik bekennen. In ons geval was het water stijf bevroren. Met een mengsel van bewondering en afgunst keek ik naar jong en oud, sierlijk rondzwierend op het ijs, af en toe achteruit schaatsend. Ik had urenlang kunnen kijken, als het niet koud was. Ik zou dat ook wel willen, zo sierlijk over het ijs dansen. Helaas, ik moet mij beperken tot het laten dansen van woorden op papier.

Het duurt altijd maar even, het ijsplezier. De dooi komt er alweer aan, wie weet hoelang het duurt tot de volgende keer dat we weer kunnen. Wie weet krijg ik nog wel weer eens een kans, om een scheve schaats te rijden.

Sneeuwjacht

Foto: Luc van de Wiel

Het KNMI had ons al gewaarschuwd. Het zou gaan sneeuwen, ijzelen en het zou koud worden. De harde, snijdende oostenwind zou leiden tot sneeuwjacht. Hoewel ik een dergelijke waarschuwing niet in de wind wil slaan, is het altijd afwachten wat ervan terechtkomt. Dat er sneeuw zou gaan vallen, zoveel was zeker. Maar hoeveel?

Met een hoopvol gevoel stond ik zondagochtend op. En ja hoor: er lag een behoorlijk pak sneeuw. Onze tuin, bomen, struiken en auto’s, ze waren bedekt met een aardig laagje sneeuw. Op alle daken lag ook sneeuw, tegen schoorstenen en muren van naastgelegen huizen waren kleine sneeuwduinen zichtbaar. Het sneeuwde nog steeds, maar heel licht. Kleine, bijna niet zichtbare volkjes dwarrelden naar beneden, af en toe ruw terzijde geschoven door een windvlaag, die de sneeuw van de daken blies, en opklopte tot een mini-sneeuwstorm. De wind die sneeuw voor zich uitjaagt, dat is wat de KNMI een sneeuwjacht noemt. Ook al sneeuwt het niet meer, als de wind de sneeuw op doet stuiven, merk je het verschil niet.

De wind was koud, en ging door merg en been. Het liet menigeen bepaald niet Siberisch, massaal trokken mensen erop uit, met de slee met daarop de kinderen achter zich aan. De taferelen waren nog winterser dan een paar weken daarvoor, het bruidskleed nog witter. De lucht was nog zwangerder van nog meer sneeuw. De lente, het huwelijk tussen winter en zomer, het leek een moetje te gaan worden.

Aan het ontbijt zaten we te dubben. Ook wij wilden naar buiten, het winter wonderland in. Zouden we dat ’s ochtends doen, of na de middag? Het leek erop dat het de hele dag zou blijven sneeuwen, op een pauze hoefden we niet te wachten. Het witte tapijt, dat zelfs de grauwe lucht helderder doet lijken, het lokte ons naar buiten. Dik ingepakt, de Siberische ijsmuts op het hoofd, waagden we ons naar buiten. Op vele plekken waren kinderen met sleeën in de weer, af en toe vlogen er sneeuwballen door de lucht. Ik durfde te wedden dat veel mensen de (langlauf)ski’s uit het vet gehaald hadden. Moeder natuur zal gedacht hebben: als de mensen niet naar wintersport kunnen, haal ik de wintersport wel naar hier!

Net op het moment dat we twijfelden of we ooit nog sneeuw zouden zien in ons land, op het moment dat we niet zelf op sneeuwjacht konden gaan in winterse gebieden, maakt Koning Winter alsnog zijn entree. Ik moet zeggen: het was een grootse, indrukwekkende entree!