De klant is koning

Afbeelding van David Mark via Pixabay

Schrijven is mijn passie. Ik schrijf, zo veel en zo vaak ik kan, over van alles en nog wat. Ik schrijf, ook al word ik er niet rijk van. Ik schrijf, zolang mijn vingers een pen vast kunnen houden of een toetsenbord kunnen beroeren. Ik schrijf, dus ik besta!

Als schrijver heb je ook een held nodig, een voorbeeld om na te streven, of om je aan op te trekken. Mijn voorbeeld is niet Jan Wolkers of Harry Mulisch, ook niet Özcan Akyol of Martin Bril, evenmin is het Saskia Noort of Esther Verhoef. Mijn voorbeeld is een man die niemand kent, een man wiens gezicht niemand kent, maar diens woorden wel: Jan Snoek.

Jan is de man achter koning Willem-Alexander, de man die al sinds 2013 zijn toespraken schrijft. Als (tekst)schrijver is het zo ongeveer het hoogste dat je kunt bereiken, schrijven voor de koning. Jan kijkt ook naar setting en presentatie. Hij bedenkt niet alleen wat de koning zegt, maar ook hoe hij het zegt en tegen welke achtergrond.

Jan is mijn voorbeeld. Ik ben jaloers op hem, op zijn baan, ik wil het óók! Niet vanwege de eer, de tekstschrijver van de koning te zijn. Ook niet vanwege het feit dat 17 miljoen mensen je woorden horen of lezen, zij het soms indirect. Evenmin omdat als je tekstschrijver van de koning bent je ongeveer in de Champions League van het schrijverschap speelt. Nee, ik ben jaloers om één simpele reden: de uitdaging. Om recht te kunnen schrijven wat nog krommer is dan een banaan. Om te zorgen dat onze koning niet overkomt als een onverschillige man die alleen geeft om zijn behoeften en niet in de gaten heeft dat hij een voorbeeldfunctie heeft, of als een superrijke vent die geen weet heeft hoe het is om met weinig rond te moeten komen, of een elitair figuur die zich verheven voelt boven de massa die officieel zijn onderdanen zijn.

Het vakantietripje naar Griekenland in coronatijden, het is maar het meest recente voorbeeld. Het vakantiehuisje in Mozambique, weet u het nog? De koning schijnt ook een motorboot gekocht te hebben voor bij zijn vakantievilla in Griekenland, voor een kleine twee miljoen euro. En dat midden in de coronacrisis. Stuk voor stuk geweldige uitdagingen, die het uiterste vragen van een tekstschrijver.

Het zou niet eenvoudig zijn, ik zou wellicht mijn ideeën en principes op moeten offeren. Wat moet, dat moet. Want de klant is koning!

Alle zegen komt van boven

Afbeelding van Markus Spiske via Pixabay

Alle zegen komt van boven, luidt het gezegde. De ene keer komt er wat meer zegen dan de andere. Ik laat me hooguit door een overdaad aan neerslag weerhouden van mijn dagelijkse wandeling rond het middaguur, om even de benen te strekken.

Zo ook op een regenachtige nazomerdag. Het leek in eerste instantie mee te vallen, anders was ik er niet aan begonnen. ‘Het regent hoor’, zei de dame aan de receptie op mijn werk. ‘Dat geeft niet’, antwoordde ik. ‘Ik ben gewapend’, zei ik, wijzend op mijn paraplu. Op het eerste gezicht leek het mee te vallen. Het drupte licht, als de kwast van een overijverige priester bij een inzegening. Ik klapte mijn paraplu uit, meer uit voorzorg. Ik was de hoek nog niet om, hooguit een paar honderd meter ver, toen het harder begon te regenen. Vooralsnog hield mijn paraplu dapper stand!

Gaandeweg namen de problemen toe. Erg stevig was mijn paraplu niet, de wind kreeg er aardig grip op. Met twee handen moest ik mijn paraplu vast proberen te houden, terwijl de regen ons geselde. Hoezo ‘regen is een zegen’? Zo voelde het in elk geval niet. Het was een verloren gevecht, hoewel de paraplu niet openklapte, hield hij geen stand. De wind waaide de regen langs alle kanten over me heen, alleen mijn hoofd en schouders bleven enigszins droog. Was-ie nog ergens goed voor, die paraplu.

Even stond ik in dubio. Word ik boos, en barst ik uit in een creatieve stroom (zachte) vloeken? Daar ben ik de persoon niet naar. Kies ik voor ‘Singing in the rain’? Nee, ik beperk mijn vocale uitingen tot de privacy van mijn douche. Ik bevond me precies halverwege, omkeren had dus weinig zin. Verder gaan beloofde ook een nog natter pak, schuilplaatsen waren niet voor handen. Wat te doen?

Wat kun je doen, als je geconfronteerd wordt met een situatie waar je niets aan kunt veranderen? Nat was ik toch al. Ik begon te lachen, eerst zachtjes, daarna harder. Niemand die me hoorde, iedereen had een veilig maar vooral droog heenkomen gezocht. Behalve ik, zei de gek. Met een lach op mijn gezicht liep ik verder, banjerend door de plassen als een uitgelaten kind. Als een verzopen kat kwam ik weer terug op mijn werk, waar ik weer op kon drogen.

Ik voelde me werkelijk een door en door gezegende man. Dankzij de zegen van boven.