Watersommelier

Afbeelding van congerdesign via Pixabay

Het schijnt een beroep te zijn, of bezigheid: watersommelier. Laatst hoorde ik op de radio een dame erover vertellen, in geur en kleur. Water kan heerlijk smaken, mits voldoende gekoeld en de dorst groot is. Op het werk drink ik niet anders, ik drink het liever dan koffie of thee uit de automaat. Dat is gewoon poeder, aangelengd met: juist, water. Dat water ook smaak heeft, is mij nooit zo opgevallen.

Opmerkelijk feit: hoe meer mineralen er in ons water zitten, hoe meer smaak het heeft. Ze zijn ook nog eens goed voor je, die mineralen. Hard water is ook goed voor ons, vanwege het calcium. Daar heeft ons lichaam behoefte aan, onze wasmachines vinden het wat minder prettig. Het was voor mij een openbaring, dat water smaak heeft. Die smaak verschilt ook nog eens van regio tot regio, vanwege de verschillen in de samenstelling van de bodem en de mineralen die erin zitten. Die bepalen de smaak. Dat geldt niet alleen voor mineraalwater, ook voor kraanwater. Nog verrassender is het dat er mensen zijn die zich bezighouden met die verschillen, die ze nog kunnen proeven ook.

Van wijnsommeliers had ik al wel gehoord, dat wijnen uit verschillende streken anders smaken eveneens. Al zou ik die verschillen niet kunnen benoemen. Een fruitige afdronk, met een hint van kersen, ik geloof dat een kenner het kan proeven, hoe ze het benoemen, is wellicht ook een kwestie van smaak. Ik kan alleen met bewondering naar zo iemand kijken, die vol vuur over een bepaalde wijn kan spreken, waarom die zo lekker is. En juist dat ene bepaalde jaar, uit die ene streek, ergens verscholen in de Bourgogne, of in de schaduw van een berg. Net als bij water, bepalen mineralen en vooral de bodem de smaak. Al ben ik meer van het bier, uit ervaring weet ik dat er verschil is in smaak, ook al gaat het over dezelfde biersoort. Om nog maar niet te spreken over het verschil tussen een dubbel en een tripel! Echte bierkenners, bierfijnproevers zijn er overigens ook. Die heten niet bierelier, maar bierista. Echt, het is een woord!

Dat je van een glas water net zo kunt genieten als van een glas bier of wijn, zal menigeen verbazen. Eigenlijk zelfs meer, water kun je onbeperkt drinken! Als watersommelier mag je een mooie boodschap uitdragen, er is niets mis met het promoten van water.

Het is een schoon beroep, watersommelier.

Kwestie van geduld

Afbeelding van Jo Stolp via Pixabay

Het is een kwestie van geduld, vroeg of laat is het zo ver: tijd voor vakantie! Dat was nog wel een ding. In het voorjaar zouden we naar Noorwegen gaan, maar dat land ging op slot, net als Nederland trouwens. In het najaar wilden we nog een poging wagen, maar waar naartoe? Eerst ging onze aandacht uit naar Zwitserland, al gauw bekroop ons het gevoel dat het geen goed idee zou zijn. Wat als corona een comeback zou maken en het land op slot ging? Het vooruitzicht vast te zitten in het buitenland trok ons niet aan.

Dus werd het een vakantie in eigen land, Zuid-Limburg om precies te zijn. Net op het randje van Nederland zaten we, bij Vaals. Een stukje buitenland in eigen land, met het ‘echte’ buitenland binnen handbereik. Het zacht golvende landschap, de afwisseling van bomen en open velden, van stijgen en dalen, bossen en weilanden, bomen en heggen, het is een lust voor het oog. Met de ‘sjpatzierkaart’ als trouwe met gezel doorkruisten wij al wandelend het herfstige Limburgse land. Tussen twee hoge heggen door, net breed genoeg voor één persoon, door schilderachtige dorpjes, langs het prachtige riviertje de Geul, via de enige berghut van Nederland, het drielandenpunt en de Wilhelminatoren.

Het landschap was nog niet in de grip van de herfst, al had de zomer ons land nét verlaten. Met een extra trui aan en een waterdichte jas verkenden wij het prachtige landschap, zwierven door bossen met prachtige beuken, statige eiken en slanke dennen en over menig weiland, al slalommend tussen de koeien en hun vlaaien door. We lunchten op een heuveltop (met uitzicht, uiteraard), of gezellig samen schuilend onder een afdakje, gewoon op het gras of in de berm, wel op een stukje plastic als het net geregend had. Of het nou het landschap was, of gewoon het feit dat we even uit de dagelijkse sleur waren, ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik verliefd werd. Verliefd op het mooie Zuid-Limburg, verliefd op de heuvels, de haagjes, de bossen en ja, ook op de Limburgse vlaai. Is het niet meer dan een vakantieliefde, die uitdooft naarmate de vakantie langer achter me ligt? Wellicht, de tijd zal het leren.

Waar ik er eerst als rechtgeaard Brabander niet aan wilde, zing ik het nu uit volle borst mee met Rowwen Heze:

‘t is een kwestie van geduld

rustig wachten op de dag

dat heel Holland Limburgs lult!

De klant is koning

Afbeelding van David Mark via Pixabay

Schrijven is mijn passie. Ik schrijf, zo veel en zo vaak ik kan, over van alles en nog wat. Ik schrijf, ook al word ik er niet rijk van. Ik schrijf, zolang mijn vingers een pen vast kunnen houden of een toetsenbord kunnen beroeren. Ik schrijf, dus ik besta!

Als schrijver heb je ook een held nodig, een voorbeeld om na te streven, of om je aan op te trekken. Mijn voorbeeld is niet Jan Wolkers of Harry Mulisch, ook niet Özcan Akyol of Martin Bril, evenmin is het Saskia Noort of Esther Verhoef. Mijn voorbeeld is een man die niemand kent, een man wiens gezicht niemand kent, maar diens woorden wel: Jan Snoek.

Jan is de man achter koning Willem-Alexander, de man die al sinds 2013 zijn toespraken schrijft. Als (tekst)schrijver is het zo ongeveer het hoogste dat je kunt bereiken, schrijven voor de koning. Jan kijkt ook naar setting en presentatie. Hij bedenkt niet alleen wat de koning zegt, maar ook hoe hij het zegt en tegen welke achtergrond.

Jan is mijn voorbeeld. Ik ben jaloers op hem, op zijn baan, ik wil het óók! Niet vanwege de eer, de tekstschrijver van de koning te zijn. Ook niet vanwege het feit dat 17 miljoen mensen je woorden horen of lezen, zij het soms indirect. Evenmin omdat als je tekstschrijver van de koning bent je ongeveer in de Champions League van het schrijverschap speelt. Nee, ik ben jaloers om één simpele reden: de uitdaging. Om recht te kunnen schrijven wat nog krommer is dan een banaan. Om te zorgen dat onze koning niet overkomt als een onverschillige man die alleen geeft om zijn behoeften en niet in de gaten heeft dat hij een voorbeeldfunctie heeft, of als een superrijke vent die geen weet heeft hoe het is om met weinig rond te moeten komen, of een elitair figuur die zich verheven voelt boven de massa die officieel zijn onderdanen zijn.

Het vakantietripje naar Griekenland in coronatijden, het is maar het meest recente voorbeeld. Het vakantiehuisje in Mozambique, weet u het nog? De koning schijnt ook een motorboot gekocht te hebben voor bij zijn vakantievilla in Griekenland, voor een kleine twee miljoen euro. En dat midden in de coronacrisis. Stuk voor stuk geweldige uitdagingen, die het uiterste vragen van een tekstschrijver.

Het zou niet eenvoudig zijn, ik zou wellicht mijn ideeën en principes op moeten offeren. Wat moet, dat moet. Want de klant is koning!

Alle zegen komt van boven

Afbeelding van Markus Spiske via Pixabay

Alle zegen komt van boven, luidt het gezegde. De ene keer komt er wat meer zegen dan de andere. Ik laat me hooguit door een overdaad aan neerslag weerhouden van mijn dagelijkse wandeling rond het middaguur, om even de benen te strekken.

Zo ook op een regenachtige nazomerdag. Het leek in eerste instantie mee te vallen, anders was ik er niet aan begonnen. ‘Het regent hoor’, zei de dame aan de receptie op mijn werk. ‘Dat geeft niet’, antwoordde ik. ‘Ik ben gewapend’, zei ik, wijzend op mijn paraplu. Op het eerste gezicht leek het mee te vallen. Het drupte licht, als de kwast van een overijverige priester bij een inzegening. Ik klapte mijn paraplu uit, meer uit voorzorg. Ik was de hoek nog niet om, hooguit een paar honderd meter ver, toen het harder begon te regenen. Vooralsnog hield mijn paraplu dapper stand!

Gaandeweg namen de problemen toe. Erg stevig was mijn paraplu niet, de wind kreeg er aardig grip op. Met twee handen moest ik mijn paraplu vast proberen te houden, terwijl de regen ons geselde. Hoezo ‘regen is een zegen’? Zo voelde het in elk geval niet. Het was een verloren gevecht, hoewel de paraplu niet openklapte, hield hij geen stand. De wind waaide de regen langs alle kanten over me heen, alleen mijn hoofd en schouders bleven enigszins droog. Was-ie nog ergens goed voor, die paraplu.

Even stond ik in dubio. Word ik boos, en barst ik uit in een creatieve stroom (zachte) vloeken? Daar ben ik de persoon niet naar. Kies ik voor ‘Singing in the rain’? Nee, ik beperk mijn vocale uitingen tot de privacy van mijn douche. Ik bevond me precies halverwege, omkeren had dus weinig zin. Verder gaan beloofde ook een nog natter pak, schuilplaatsen waren niet voor handen. Wat te doen?

Wat kun je doen, als je geconfronteerd wordt met een situatie waar je niets aan kunt veranderen? Nat was ik toch al. Ik begon te lachen, eerst zachtjes, daarna harder. Niemand die me hoorde, iedereen had een veilig maar vooral droog heenkomen gezocht. Behalve ik, zei de gek. Met een lach op mijn gezicht liep ik verder, banjerend door de plassen als een uitgelaten kind. Als een verzopen kat kwam ik weer terug op mijn werk, waar ik weer op kon drogen.

Ik voelde me werkelijk een door en door gezegende man. Dankzij de zegen van boven.