Spring naar toolbar

Echte helden

Afbeelding van PublicDomainPictures via Pixabay

‘Zit niet in over mij’, schreef Hendrik Veeneman vanuit kamp Vught aan zijn gezin. Hendrik Veeneman zat in het kamp, omdat hij als waarnemend burgemeester van Son en Breugel niemand aan wilde wijzen voor dwangarbeid voor de bezetter. Hij werd gesommeerd om zich te melden in Vught, op 6 juli 1944 stapte hij op zijn fiets om naar het station in Best te gaan, om de rest van de reis per trein af te leggen.

Hij moet geweten hebben wat hem waarschijnlijk te wachten stond. Wat er door zijn hoofd ging, onderweg naar Vught, weet ik niet. Blije gedachten zullen het niet geweest zijn. ‘Ben je op tijd thuis voor het eten?’ vroeg zijn vrouw, voordat hij ging. ‘Natuurlijk’, had Hendrik geantwoord. De volgende dag zou hun zoon drie jaar worden. Zijn vrouw was op dat moment in verwachting van hun derde kind, een dochter die haar vader nooit zou zien. Uiteindelijk kwam Hendrik terecht in Mauthausen in Oostenrijk, waar hij op 24 april 1945 bezweek, kort voor het einde van de oorlog.

Ondanks de verschrikkingen die Henk ongetwijfeld meegemaakt zal hebben in de kampen stuurde hij optimistische berichten naar zijn gezin, om ze gerust te stellen. Of hij zijn principiële keuze betreurd heeft, we kunnen het hem niet vragen. Afgaand op de verhalen die over hem verteld worden, waag ik het te betwijfelen. Dat hij de ultieme prijs heeft betaald, een vreselijk hoge, dat is zeker.

Weten wat je te wachten staat, dat je afscheid moet nemen van alles dat je lief is, dat je het niet zult overleven, en toch zo’n keuze maken, dat maakt je een held. We hebben helden nodig, om te bewonderen, om tegenop te kijken, om te dienen als voorbeeld. Mensen die iets uitzonderlijks presteren verdienen zeker waardering. Ze inspireren, geven moed om vol te houden en wijzen ons de weg, als we die zelf een beetje kwijtgeraakt zijn.

Voetballers, atleten en acteurs worden vereerd als helden, soms krijgen ze een bijna goddelijke status. Hoe goed ze ook zijn, hoe charismatisch of aantrekkelijk ze ook moge zijn, hoezeer ze zich inzetten voor goede doelen, het maakt ze geen helden. Als je offers brengt, willens en wetens, en toch volhoudt, zoals Hendrik Veeneman, dan ben je pas een echte held.

Of het een troost is voor Lisette Veeneman, die geboren werd toen haar vader in Vught zat en negen maanden oud was toen hij overleed, weet ik niet. Ik hoop van wel.

Pastel de Nata

‘Weet je wat ze hier hebben?’ vroeg José, terwijl hij weer plaats nam. Op de terugweg van de WC had hij ze gezien. Nog geen vijf minuten daarvoor was ik naar de WC gezien, ik zou het dus moeten weten. ‘Geen idee’, zei ik, na uitvoerig mijn geheugen uitgekamd te hebben. Geen spoor, geen aanwijzing, niets!

‘Pastel de nata!’ riep hij enthousiast. Het is een klein rond gebakje van (blader)deeg (pastel in het Portugees), gevuld met custard of, zoals José het omschreef, crème (nata). ‘Wil je het proberen?’

Ik ben wel te porren voor een culinair avontuur, zolang het maar op bescheiden schaal is. Uit de omschrijving viel niet af te leiden dat het geen goed idee zou zijn. ‘Doen!’ zei ik dan ook.

Even later kwam een serveerster langs, die als twee druppels bidonwater leek op Jackie Groenen, één van Neerlands beste voetbalsters. Twee koffie, en twee pastéis de nata waren onderweg.

De koffie was er in no time, de pastéis lieten even op zich wachten. Druk was het niet in het restaurant waar we zaten. De deuren klapperden als de deuren van een saloon in een oude western met John Wayne. De tumbleweed, voort geblazen door de altijd waaiende wind, ontbrak nog.

Daar kon het dus niet aan liggen. Na enige tijd kwam Jackie weer langs, even later stond de Portugese lekkernij voor onze neuzen. Rechts op het bordje lag de pastel de nata, geflankeerd door een bolletje paars ijs op een kletskop. Paars? Ja, paars. Het zag er lichtelijk chemisch uit, een pure suikerbom.

Voorzichtig namen José en ik een hapje, in de hoop te ontdekken waar het naar zou smaken. Bosbessen? Nou nee. Het had wat weg van kauwgom, zowel qua kleur als qua smaak. Lekker was het niet, in tegenstelling tot de pastel, die voortreffelijk smaakte. Versierd met bosbessen en rozijnen (‘Dat is niet Portugees, hoor!’), gevuld met een zachte, nog warme custard. Heerlijk zacht van smaak, zoet maar niet té. Een weldaad voor de tong, én voor de maag!

Wat was nou die paarse substantie? We vroegen het aan Jackie, die zei: ‘Het is zoete aardappel!’ Dat hadden we nooit geraden. Zoet was het wel, zoete aardappel kan inderdaad paars zijn, al geloofden we niet dat het de kauwgompaarse kleur en de chemische uitstraling kon verklaren.

Onze nieuwsgierigheid was bevredigd, onze magen gevuld. Voldaan verdwenen we in de nacht, het wachten is op ons volgende culinaire avontuur.

Oneerlijke concurrentie

Afbeelding van slikviditet via Pixabay

Bijna achteloos stoof ze me voorbij, op de fiets. Een dame op leeftijd, een stuk ouder dan ik, ging me voorbij met een flinke gang, alsof ik stilstond. Ik ben niet de snelste fietser, nooit geweest eigenlijk, al was het vroeger eerder zo dat ik anderen voorbijsnelde. Dat was in een tijd dat ik meer haast had, de haast van de jeugd voor wie het al gauw niet snel genoeg gaat. Die hebben nog niet in de gaten hoe snel de tijd gaat.

Inmiddels heb ik Abraham al een tijdje in de achteruitkijkspiegel, happend naar adem. Of het de wijsheid is die komt met de jaren, vergezeld van grijze haren en wijkende haarlijn, ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat mijn haast aanzienlijk is afgenomen. En daarmee mijn snelheid, zowel op de fiets als in de auto. Al ver voordat het wettelijk verplicht werd, was ik al lid van de club van honderd. Op de snelweg stuiven ze me ook voorbij de laatste tijd, aan alle kanten. Mensen met ongelooflijke haast, wellicht gestimuleerd door lege snelwegen trappen ze het gaspedaal flink in, en geven mij het gevoel voort te sukkelen in een slakkengangetje. Ik vind het wel relaxt. Ik heb geen haast, ik kom er toch wel. Ook op de fiets.

Maar toch. Als je ingehaald wordt door een kleinere auto, of door een fietser die aanzienlijk ouder is, dat steekt. Het zit me niet helemaal lekker. Alsof ik niet meer mee kan komen, alsof ik op mijn laatste benen fiets. Alsof ik net als Abraham naar adem hap, iedere keer als ik een fysieke prestatie moet leveren. Om eerlijk te zijn, mijn conditie kan beter. Dankzij corona kom ook ik niet veel verder dan een enkele wandeling, onder het genot van een hemel die blauwer en een lucht die schoner lijkt. Maar toch.

Als ik bij het autorijden ingehaald wordt, boeit me dat niet zoveel. Iedereen kan te hard rijden, dat is geen verdienste. Op de fiets, dat is een ander verhaal. Dan moet je het zelf doen, in plaats van pk’s heb ik dan alleen lk. Daar moet ik het mee doen.

Op het moment dat de dame op leeftijd me voorbij stoof, keek ik naar de bagagedrager van haar fiets. Wat ik al dacht, een accu. Geen wonder dat ze me zo makkelijk in kon halen, ze zat op een elektrische fiets!

Oneerlijke concurrentie, dat is wat het is.