Spring naar toolbar

Paniek in de VS

Afbeelding van Shutterbug75 via Pixabay

Er heerst paniek in de VS. Het is vreselijk, het fundament van de beschaving staat onder druk, dreigt te worden weggevaagd. Niet vanwege overvolle IC-afdelingen. Niet vanwege het almaar stijgende aantal mensen die overleden zijn als gevolg van corona. Zelfs niet omdat alleskunner Trump aanraadt om jezelf te injecteren met ontsmettingsmiddel, tegen corona. Nee, het is erger. Véél erger.

De hamburgers dreigen op te raken. U leest het goed: het land van McDonald’s en Burger King, het mekka van fastfood, dreigt het zonder dat platte stukje vleesachtige substantie te moeten doen. Net nu het barbecueseizoen aanbreekt, dreigen de Amerikanen het te moeten doen zonder de halve koe op de barbecue, om het langzaam te laten garen. In het vleesland bij uitstek moet menig hamburgerrestaurant het zonder doen, de supermarkten stellen een maximum in aan de hoeveelheid vlees die iedere klant mag kopen. Of ze willen of niet, tot augustus moeten de Amerikanen op dieet. Het zal wennen zijn!

Wat is de reden? Amerika is het land van onbegrensde mogelijkheden. Je kunt het ver schoppen, van krantenjongen tot mediamagnaat. Dat is slechts voor een enkeling weggelegd, de meeste Amerikanen moeten hard werken om het hoofd boven water te houden. Immers, geen werk betekent geen inkomen. Geen eten, geen dak boven je hoofd en al helemaal geen ziektekostenverzekering. Dan pak je alles aan wat je kunt, ook werk in een vleesverwerkingsfabriek, waar je schouder aan schouder staat met je al even laagbetaalde lotgenoten. Zonder enige bescherming, ziekmelden is er niet bij. Uit angst hun baan (en dus inkomen) te verliezen, werken de immigranten door. Met als gevolg dat het coronavirus vrij spel heeft, sommige slachterijen hebben onder druk van lokale overheden en vakbonden de deuren gesloten.

President Trump, betrokken als hij is, heeft de vleesverwerkers opgedragen te blijven draaien. Om dat doel te bereiken heeft hij een oude oorlogswet van stal gehaald, die de mogelijkheden beperkt om bedrijven aansprakelijk te houden als werknemers ziek worden of overlijden. Trump wil dat de vleesfabrikanten hun productie opschroeven. Volgens mij is hij bang het zonder zijn favoriete voedsel te moeten doen.

Om afstand te kunnen houden, en vanwege ziekteverzuim, draaien de slachthuizen maar op halve kracht. Goed nieuws voor de dieren, zou je denken. Niet helemaal, sommige boeren zijn ertoe overgegaan hun dieren te ruimen, nu de slachtcapaciteit is afgenomen.

Paniek omdat er minder vlees is, het is wat. Misschien eens een Vega burger proberen?

D’n contente mens

Door Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=24251045

Er zijn mensen die van drukte houden. Ze hebben reuring nodig, er moet wat te doen zijn, wat te beleven. Cafés, vol gezelligheid en muziek, en restaurants, een snelle hap of uitgebreid dineren. En terrassen, om naar de andere mensen te kunnen kijken, als ze al stil kunnen blijven zitten. Ergens naartoe, iets doen. Stilstand is voor hen achteruitgang.

Er zijn ook mensen die van rust houden. Grote mensenmassa’s, luide muziek, het is een marteling. Cafés, prima, maar dan als het niet te druk is, zodat je nog met elkaar kunt praten zonder stemverheffing. Restaurants, gezellig, maar dan wel met een rustgevende ambiance, en weer: niet te druk. Liever zijn ze in de natuur, luisterend naar vogels die zingen zoals ze gebekt zijn. Een hutje op de hei, dat klinkt voor deze mensen zo gek nog niet.

Het is een kwestie van twee uitersten, zo lijkt het. De drukke stad, of een rustig dorp. Zelf heb ik vrijwel mijn hele leven in de stad gewoond, nooit is het in me opgekomen dat ik iets anders zou willen. Ik ben een stadsmens, dacht ik, ik wil een supermarkt op loopafstand, het centrum en alle winkels binnen handbereik, ik wil mensen om me heen. Dat dácht ik. Want eigenlijk heb ik een hekel aan grote mensenmassa’s. Het klinkt gezellig, met z’n allen bij elkaar. Ik heb het meteen al gehad, zou het liefst gelijk rechtsomkeer maken. Maar om de stad te verlaten, dat ging me te ver.

Tot ik mijn lief ontmoette. Mijn lief, een rustige, lieve schat, die je echt niet gelukkig maakt tussen al dat beton en baksteen, in een flatje met een klein balkon (waar ik woonde) of in een huis zonder tuintje. Gehecht als ze is aan haar geliefde dorp, kwam het niet eens in me op om ook maar te proberen haar weg te halen uit haar natuurlijke omgeving. Dus werd deze stadsmens een dorpsmens.

Nu, als ik weer eens in de stad kom, weet ik niet hoe snel ik weer terug moet. Weg van die drukte, de herrie, de onrust. Terug naar mijn rustige dorp, waar ik weer tot rust kom. Waar ik, langzaam maar zeker, veranderd ben in een contente mens.

In Eersel staat een beeldje van d’n contente mens, op het marktplein. Zo’n beeld zou in elk dorp in Brabant moeten staan, als eerbetoon aan het mooie, heerlijke dorpsleven.

Vooruit dan, ook buiten Brabant.

Bevrijding – een moment van dankbaarheid

Afbeelding van Myriam Zilles via Pixabay

 

Het is jammer dat we er maar één keer per jaar stil bij staan. Dit jaar is het 75 jaar geleden, bijna net zo lang als een gemiddeld mensenleven. Voor we het weten, is er niemand meer in leven die het heeft meegemaakt, de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. De bezetting, de vernietigingskampen, het enorme verlies aan mensenlevens. Dat allemaal vanwege de grootheidswaanzin van Hitler en zijn trawanten, die zich onoverwinnelijk en onkwetsbaar achten. Gelukkig waren ze dat allesbehalve.

Ik ben dankbaar voor de vrijheid waarin in leef. Dankbaar dat ik mag gaan en staan waar ik wil, zij het niet in grote groepen. Dankbaar dat ik dit stukje mag schrijven, zonder te vrezen voor die klop op mijn deur, die een enkele reis naar een vernietigingskamp betekende. Of een langdurig verblijf in een cel, om te eindigen voor een vuurpeloton, ergens in de bossen. Dankbaar dat miljoenen soldaten van de geallieerden zich opgeofferd hebben voor die vrijheid, van de stranden van Normandië tot de oevers van de Wolga. Om niet te spreken over de vele verzetsstrijders, mensen zoals Hendrik Veeneman, waarnemend burgemeester van Son en Breugel, die omkwam in een kamp omdat hij geen mensen wilde leveren die moesten werken voor de Nazi’s. Waar ik misschien nog wel het meest dankbaar voor ben, is dat ik leef in een land dat al 75 jaar geen oorlog meer heeft gekend, niet hier in onze eigen rivierendelta.

Als je je probeert voor te stellen hoe het is om te leven in een land dat bezet wordt door een vreemde mogendheid met een waanzinnige, allesvernietigende ideologie, of hoe moedig de mensen geweest moeten zijn die zich daartegen verzetten, dan klaag je niet over lockdowns. Alleen onze bewegingsvrijheid is ingeperkt, maar niet geheel en op vrijwillige basis. Er is geen censuur als het gaat om nieuws, we kunnen tv kijken, series bingewatchen of elk boek lezen dat we willen. Iedereen is vrij om te zeggen of denken wat hij of zij wil, om te zijn wie hij of zij is. We hebben voedsel in overvloed, daar konden ze in de hongerwinter alleen maar van dromen.

We hebben genoeg om dankbaar voor te zijn, ook in deze bijzondere, uitdagende tijden. Hoewel elke vergelijking met de Tweede Wereldoorlog mank loopt, is er wel één overeenkomst. Op het moment dat het allemaal achter de rug is, een moment van dankbaarheid, zal het voelen als een bevrijding.

Een doffe knal

Afbeelding van Alexas_Fotos via Pixabay

Met een doffe knal stootte ik mijn hoofd. De knal dreunde secondenlang na in mijn hoofd, voordat ik kon reageren. Wat er gebeurd was? Het begon die middag, of eigenlijk daarvoor al. Onze stofzuiger begon mankementen te vertonen. Het volume nam straaljager-proporties aan, zonder dat het zuigvermogen toenam. Tot overmaat van ramp wilde het snoer niet meer automatisch oprollen. Dat was de druppel!

‘Zullen we gaan shoppen?’ vroeg mijn lief, toen de ergernis over de stofzuiger een hoogtepunt bereikt had. Dat hoeft ze sowieso maar één keer te vragen. Een bezoek aan het mini-warenhuis in het centrum van ons dorp leverde een blits, blauw model op. Vol verwachting snelden we naar huis, waar onze aanwinst al snel uit de verpakking gehaald was. Alle onderdelen waren aanwezig, het was eenvoudig in elkaar te zetten, ook zonder de handleiding te raadplegen (tja, wat kan ik zeggen, ik ben een man). Hij was klaar voor actie, het enige dat nog nodig was, was de stekker in het stopcontact doen. Vlug stak ik mijn hoofd om de hoek, deed de stekker erin en trok mijn hoofd even snel weer terug. ‘Doenk’ klonk de doffe knal, toen de deurstijl de terugtrekkende beweging van mijn hoofd ruw onderbrak. Even keek ik verdwaasd voor me uit, om vervolgens vrolijk verder te gaan, alsof er niets aan de hand was. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg mijn lief verschrikt, bij het zien van de ravage op mijn voorhoofd. ‘Je bloedt als een rund!’ Juist ja. Dat het geen handige actie was, wist ik zelf ook wel.

Ontkennen had geen zin, ik vertelde haar precies wat er gebeurd was. ‘O schatje!’, zei ze bezorgd. Met een pleister op de wonde was alles weer in orde, op mijn geschonden eer na. Tot ik mijn collega’s weer onder ogen moest komen. Vruchteloos zocht ik naar een geloofwaardig verhaal, spannende scenario’s van een heldhaftig afgeslagen aanval van een grote overmacht aan struikrovers waren bij voorbaat kansloos, in deze tijden van zelfisolatie en verlaten straten. Geen alternatief kwam in me op, alles wat ik had, was de waarheid. ‘Tegen de lamp gelopen’, probeerde ik nog. Kansloos was het.

Dat die doffe knal een litteken opleverde, vind ik niet erg. Iedereen doet wel eens onhandig, ik zeker. Dat ik er niet eens een mooi verhaal van kan maken, dat steekt!

Wat heb je aan een litteken, als je er niet eens een mooi, stoer verhaal over kunt vertellen?