Spring naar toolbar

Buikdansen

Afbeelding van Silke Schäfer via Pixabay

Voorzichtig deed ik de deur open, en keek naar binnen. Mijn lief heeft sinds kort een nieuwe passie, naast mij. Zachtjes wiegden haar heupen naar links en naar rechts, zonder dat haar schouders meebewogen. Dat is makkelijker geschreven dan gedaan, zoals ik even later aan den lijve ondervond. ‘Sorry, ik wilde je niet storen’, zei ik. Voordat ik de deur weer dicht kon doen, zei mijn lief: ‘Wil je meedoen?’. Het zag er prachtig uit, aanstekelijk zelfs. Zonder iets te zeggen ging ik achter haar staan, en probeerde haar na te doen. Probeerde. Zo eenvoudig als het eruit ziet als je ernaar kijkt, zo lastig is het om te doen. Hoofd stil, schouders ook, de heupen al wiegend. Ik geef het u te doen. Of met de buik achtjes draaien, zonder verder iets te bewegen.

Mijn lief is begonnen met buikdansen. Buikdansen? Is dat leuk? Jazeker! Het is sowieso leuk om het enthousiasme van die lieve stuiterbal van me te zien, met blinkende ogen die me vol passie aankijken. Met een brede lach op haar gezicht, die ze niet kan onderdrukken, als ze dat al zou willen. Met een swing in haar stap, nog gracieuzer en lieflijk als ze al was. Het is ook nog eens goed voor haar, niet alleen is het een goede manier van lichaamsbeweging, het traint ook nog eens de buik- en andere spieren. Menig bierbuik die met wellustige blik naar buikdansers kijkt heeft meer buik dan de danseres, maar daar zit veel minder beweging in. Hoewel de buiken in kwestie het wel kunnen gebruiken.

Het is opmerkelijk hoe verschillend gereageerd wordt, als mijn lief vertelt over haar nieuwe passie. Sommigen van u zullen wellicht ook denken dat het gaat om een erotische dans, bedoeld om mannen op te winden. Al is daar in veel gevallen niet veel voor nodig. Bij buikdansen gaat het om andere dingen. Het gaat om sensualiteit, om gracieuze bewegingen, om elegantie en om vrijheid. ‘Ik voel me meer vrouw’, zegt mijn lief. Voor mij is ze een en al vrouw, ook al is ze wars van rode lippenstift, hoge hakken en parfum. Als ik haar zie buikdansen, begrijp ik wat ze bedoelt. Het is meer sensualiteit dan seksualiteit, meer elegantie dan erotiek, meer gratie dan begeerte.

Ik kijk in elk geval met grote bewondering naar mijn lief, dan krijg ik zin om weer mee te doen. Al weet ik niet of het zo sensueel of gracieus eruit zal zien, die dansende buik van mij.

Nobelprijs

Born: Pixabay.com

Wie ook de reclamecampagnes van het bekende biermerk uit het Brabantse Lieshout bedenkt, hij of zij verdient een loonsverhoging. De bierbrouwer heeft het Brabantse volksfeest carnaval genomineerd voor de nobelprijs voor de vrede. Uiteraard is dit een reclamestunt, alleen personen en organisaties kunnen worden voorgedragen. Het is wel een briljante stunt, het doel wordt bereikt: meer publiciteit. Het bier wordt er niet lekkerder van, een kniesoor die daar op let.

Je ziet ze overal in het Brabantse, reclameposters met een lachende malloot met een vleeskleurige badmuts op zijn hoofd, met de naam van het dorp of de stad waar de poster hangt. Niet de normale naam, die mensen van boven de rivieren ook kennen (al is het van de atlas, of Google Maps), maar de carnavalsnaam, waarvan de oorsprong niet altijd duidelijk is. Ieder jaar worden alle dorpen en steden omgedoopt en dragen ze vijf dagen lang hun carnavalsnaam, worden de sleutels overgedragen aan Prins Carnaval en gaat iedereen los.

Nou ja, iedereen. Ik vraag me soms wel eens af of ik wel een echte Brabander ben. Koffie drink ik zelden, worstenbrood vind ik dan wel lekker, maar carnaval? Nee, daar houd ik me verre van. Niet vanwege de busladingen van boven de rivieren, die denken dat het tijdens carnaval gaat om zuipen en vrouwen lastigvallen. Of vanwege bezopen Brabanders, die hetzelfde denken. Zelf drink ik, wel met mate. Hossen en hoempapamuziek, ik heb er gewoon niets mee. Je kunt alleen aan mijn zachte ‘g’ horen dat ik uit Brabant kom.

Carnaval is meer dan drank en ‘foute’ muziek, het is meer dan even met z’n allen uit je dak gaan, voor we veertig dagen vasten.  Al wordt het vasten tegenwoordig overgeslagen, het feestje van tevoren gaat gewoon door. Een feestje waarbij mensen een transformatie lijken te ondergaan, evenals hun woonplaats. Menigeen houdt het bij een kiel of lange jas, sommigen maken echt werk van hun kostuum, met een ludieke gedachte erachter.

Het idee om carnaval te nomineren lijkt onzinnig, het blijft natuurlijk een reclamestunt. Carnaval verbroedert, het verbroedert de deelnemers, maar ook degenen die niet deelnemen. Voor de eersten vervagen alle tegenstellingen in een waas van bier en confetti, de laatsten worden verenigd in hun verbazing over al die gekkigheid, op een stokje.

De nobelprijs voor de vrede zal carnaval niet krijgen. De nobelprijs voor originaliteit verdienden de bedenkers van deze campagne in elk geval wel.

Klassieker versus eenheidsworst

Afbeelding van M-ART-IJN via Pixabay

Ik ben geen autoliefhebber. Ik ben niet iemand die zij vehikel een naam geeft (liefst vrouwelijk), iemand die pas leeft als de wereld in een vage, kleurrijke veeg langs hem heen snelt. Iemand voor wie zijn bolide als een verlengstuk van zijn lichaam is, een opvulling van een lege plek. Voor mij is mijn auto een vervoermiddel dat me van A naar B brengt, liefst zonder tegen te sputteren en zonder te haperen.

Dat wil niet zeggen dat ik niet graag naar auto’s kijk. Het is wonderlijk hoe de een gehaast is en alleen maar sneller en sneller lijk te willen gaan, de ander tuft vrolijk en onverstoorbaar door, in zijn eigen tempo. Misschien is het wel omdat ik niet het oog van een liefhebber heb, auto’s lijken steeds meer op elkaar, ongeacht het merk. Natuurlijk, er is een duidelijk verschil tussen grote en kleine auto’s; binnen de specifieke segmenten zijn de verschillen klein, en is het moeilijker de verschillende merken van elkaar te onderscheiden. Als je niet naar de emblemen kijkt, tenminste.

Zo ben ik erin geslaagd om bijna een hele vakantie lang mezelf wijs te maken dat de auto waarin we het Griekse eiland Rhodos doorkruisten een Peugeot 107 was, terwijl het toch echt een Citroën C1 was, wat duidelijk te zien was middels het embleem op het stuur. Waar mijn reisgenoot me lachend op wees.

Het is eenheidsworst, met het merkembleem als keurmerk. Ook qua kleuren is er weinig verschil, de meeste auto’s zijn zwart, donkerblauw of verschillende tinten grijs.  Ze vliegen als een grijze, grauwe flits aan je voorbij op de snelweg. De uitzonderingen, auto’s met een afwijkende kleur, vallen des te meer op. Ook oude auto’s vallen ook steeds meer op. Niet alleen omdat ze zeldzamer worden, de meeste exemplaren zijn afgevoerd naar andere oorden of verwerkt tot blikjes. Ook omdat het ontwerp en de vormen afwijken.

Laatst zag ik onderweg een auto Ford escort, zilvergrijs. Ik schat dat de auto ergens in de jaren ’80 gebouwd is, zeker weten doe ik het niet. De auto schoot me voorbij, de motor deed het nog prima, zo te zien. Het was misschien niet de mooiste auto die ik ooit gezien heb, het deed mijn ogen plezier een klassieker te zien, te midden van al die eenheidsworsten.

Het is ontnuchterend om te bedenken dat er een tijd was, waarin klassiekers juist eenheidsworsten waren. Het is dus een kwestie van geduld, tot de eenheidsworsten van vandaag klassiekers geworden zijn.

Een ongeluk zit in een klein hoekje

Bron: Luc van de Wiel

Het was een gezellige avond, met mijn goede vriend José. We stapten in onze auto’s, om weer huiswaarts te gaan. Het was druk, het leek of iedereen tegelijkertijd naar huis ging. Bij de parkeergarage moesten tientallen auto’s zich langs drie slagbomen zien te werken, die automatisch omhooggingen. Mits je betaald had, natuurlijk. Om twee meter verder op één enkele rijbaan verder te moeten, het was dringen geblazen. Wonderwel ging het goed, en gebeurden er geen ongelukken.

Dat gebeurde een stuk verderop, ik reed rechtdoor, opeens kwam een auto van links. Ontwijken ging niet meer, met een knal botste de auto tegen de mijne, tolde een paar keer om zijn as en kwam tot stilstand op de middenberm. Zelf kon ik gewoon doorrijden, even kwam de gedachte in me op om dat ook te doen. Het verstand kreeg de overhand, ik zette mijn auto langs de kant. Even later klopte een jongedame op mijn raam. ‘Is alles goed met u?’ vroeg ze bezorgd. ‘Ja hoor, met jou ook?’ was mijn wedervraag. Ik voelde de generatiekloof, ze zei nog net niet ‘meneer’ tegen mij. Uit beleefdheid sprak ze me met ‘u’ aan, ook toen ik zei dat ze best ‘je’ mocht zeggen.

Samen vulden we het schadeformulier in, dat ik standaard in mijn dashboardkastje heb liggen. Juist voor een situatie als deze, een situatie die je liever vermijdt, maar die je soms toch overkomt. Dat deze jongedame naar me toekwam, deed me goed. ‘Sorry hoor’, zei ze, ‘Ik had u echt niet gezien!’. Ja, je botst niet voor je plezier tegen een andere auto aan, tenzij je op de kermis bent. En niet in je eigen auto zit, maar eentje die er speciaal voor gemaakt is.

Nadat we het formulier ingevuld hadden, barstte ze in tranen uit. De schrik zat er goed in, bij mij ook. Het gaat je niet in je kouwe kleren zitten, ook niet op een druilerige, winderige avond, ergens in Tilburg. Nogmaals bood ze excuses aan, ‘Hoeft niet hoor, het kan gebeuren’, probeerde ik haar gerust te stellen.

Daarna gingen we op weg naar huis, enigszins trillering zat ik achter het stuur. Gelukkig was er niets ergs gebeurd. Alleen blikschade, dat is te overzien. Het was een vreemd einde van een gezellige avond. Een einde dat ik niet aan zag komen, letterlijk en figuurlijk.

Zo zie je maar, een ongeluk zit in een klein hoekje.