In de buurt

stop-2785450_1920
Bron: Pixabay.com

Het is een rijtjeshuis, zoals er zoveel zijn in Nederland. In een nette straat, auto’s voor de deur en de stoep netjes geveegd. Een rijtje bomen omzoomd de straat.

Het huis is verzegeld, op last van de burgemeester. Het is een drugspand, blijkbaar. Iets dat je zou verwachten in een achterstandswijk in Eindhoven, Amsterdam of Rotterdam, of in een andere stad. Maar niet in een dorp als Son en Breugel, waar nooit wat gebeurt.

Het huis staat bij mij om de hoek, ik loop erlangs als ik boodschappen ga doen. De tuin ziet er nog net zo verwaarloosd als voor de sluiting, gras, paardenbloemen en onkruid telen welig. Een slaplantage zou mijn broer het noemen.

Ik zag de bewoners wel eens, als ik langs liep. Een rustig, net gezin, zo op het eerste gezicht. De vader, een peuk tussen zijn lippen, keek schichtig om zich heen, leunend in de deuropening. Zijn kinderen, spelend de tuin. De moeder, bezig in de keuken, op de achtergrond. Een aanhanger stond naast het pad, voor de bezorging wellicht.

Nooit heb ik ook maar iets gemerkt, dat de beste man een Nederwietkweker was. Het heeft niet veel gesneeuwd afgelopen winter, anders had ik wellicht het mijne ervan gedacht.

De drugscriminaliteit neemt hand over hand toe, ook in rustige dorpen ontkom je er niet meer aan. Net als de overlast die het met zich meebrengt, chemisch afval wordt achteloos gedumpt.

Lang heb ik gedacht dat het iets was van de grote steden, maar die vlieger gaat niet langer op. Verlaten schuren en afgelegen panden in het buitengebied worden meer en meer omgetoverd tot drugsfabrieken, nu is het dus ook naar onze wijk gekomen.

Wat hem heeft verraden, weet ik niet. Waar hij en zijn gezin naar toe zijn gegaan, weet ik evenmin. Naar vrienden of familie, neem ik aan. Het zal je maar gebeuren, als je kind uit zijn huis gezet wordt omdat het een wietkweker is. Misschien zijn ze het gewend, als ze hem maar liefdevol ontvangen.

Het huis zal wel weer bewoond gaan worden, als het stof is gaan liggen. Het zal terugkeren in de maatschappij, net als de voormalige bewoner. Zal hij op het rechte pad blijven, of is de verleiding van het snelle geld te groot?

Een drugspand bij ons in de buurt, het moet niet gekker worden. Net als je denkt dat de drugscene een ver-van-je-bedshow is, komt het akelig dicht in de buurt.

Chef!

kitchen-731351_1920
Bron: Pixabay.com

‘Chef!’ riep de serveerster schuin over haar schouder, in de richting van de keuken. Terwijl ze het zei, blies ze een blonde lok uit haar ogen. Haar ogen spraken boekdelen: ‘Wéér zo een!’

Ik zat meteen gespannen overeind, wetende wat ging komen. De aangesprokene stormde naar buiten, zijn mond zei: ‘Wat is er aan de hand?’, zijn lichaamstaal sprak andere woorden: ‘Wat nou weer?’

‘Ehm’, zei ik, toen de serveerster naar mij wees. ‘Ahem’, voegde ik er welbespraakt aan toe. ‘Meneer heeft een klacht over de soep’, zei de serveerster, wiens geduld duidelijk op was.

Zo vaak gaan we niet uit eten, mijn lief en ik. Als we dan een keer gaan, wil ik graag iets bijzonders eten, dat ik thuis niet zelf zou maken.

Dus bestelde ik vol goede moed champignonsoep, hopende op verse, overheerlijke champignons. En flink veel, als het even kan. Dat was niet te veel gevraagd, als je de prijzen op de menukaart zag.

Het was druk in het restaurant, de serveerster en haar collega’s moesten hard werken. Het duurde even voordat we het voorafje kregen, voor mij dus een dampend bord champignonsoep.

Dampend deed het, tot zover voldeed het aan mijn verwachtingen. Hoe zeer ik ook mijn best deed, champignons waren niet te vinden. Een flardje hier en daar, die wellicht ooit tot een champignon behoord kon hebben.

Misschien dat de champignons even in de soep gezwommen hadden, op weg naar een ander gerecht. Ik besloot bij de bovenvermelde serveerster te informeren, die meteen de schuldige erbij riep, zonder dat ik daarom vroeg.

‘O, is dat zo?’ vroeg de chef, zijn ogen vuurspuwend in mijn richting. ‘Ehm, er zitten geen champignons in mijn soep’, deed ik een nieuwe poging. ‘Ah’, zei de chef. Zonder verder iets te zeggen, pakte hij mijn bord en liep naar de keuken.

Even later kwam hij weer terug, in het midden ontwaarde ik nu een hoopje grijze, glazige klompjes die in de verte iets weg hadden van de gewenste champignons. Er is maar één ding erger dan géén champignons, en dat is champignons uit blik.

‘Dank u wel’, stamelde ik. Snel nam ik een hap. ‘Hmmm’, voegde ik eraan toe. Tevreden draaiden de chef en de serveerster zich om. Het was al een hele overwinning dat ik überhaupt er iets van zei, de volgende stap was er een te ver.

Schielijk wierp ik een blik naar de keuken, waar de chef moest verblijven. Ik raapte mijn moed bijeen, en riep: ‘Chef!’

Datenight

love-316640_1280
Bron: Pixabay.com

Ik was best zenuwachtig, ik geef het toe. Zit mijn haar wel recht? Och nee, doet niet meer ter zake. Heb ik mijn tanden wel gepoetst? Zitten mijn kleren wel goed, staat mijn gulp open?

Het zijn de normale taferelen die iedereen wel kent, die (recentelijk) gedatet heeft. Voor mij was het even geleden, bijna vijf jaar om precies te zijn. Niet zo vreemd, dat ik bang was het verleerd te zijn.

Dit keer was het anders. Dat ze de ware is, dat wist ik al. Ook hoefde ik niet ver te gaan, de date was gewoon in mijn eigen huis. Ook mijn date hoefde niet ver te gaan: het was mijn vrouw!

In onze huiskamer kwamen we samen, ik met een stapel cd’s onder mijn arm, zij hoefde alleen zichzelf mee te nemen. Cd’s, we luisteren er nauwelijks meer naar, in deze tijd van Spotify. We wilden een keer wat anders dan naar de beeldbuis staren. Met onze totale aandacht ergens anders zijn, bij elkaar en bij de muziek. Om zo mogelijk nog dichter bij elkaar te komen.

Het was een leuke uitdaging. Om een aantal cd’s uit te kiezen, met liedjes die echt iets voor me betekenen. En vervolgens die aan mijn lief te laten horen, met uitleg waarom ik ze mooi vind. De eerste was niet zo moeilijk: The Police. De eerste band die ik goed vond, na The Beatles. Een beetje punk, een beetje rock, ontegenzeggelijk de sound van eind jaren ’70, begin jaren ’80. De muziek van mijn jeugd. Of Joe Jackson, uit dezelfde tijd. Simpele, pure muziek. Gitaar, basgitaar, drums en zang. Drie minuten gas geven, dan was het klaar. Heerlijk!

Daarna draaide ik ‘The River’, van Bruce Springsteen, een lied vol melancholie, rauwe emotie en verlangen. Eenvoudige, directe muziek, in een compleet geheel dat nooit zijn glans verliest. Een klassieker!

Frank Boeijen mocht ook niet ontbreken, met ‘Bonze Tongen’, uit dezelfde tijd. Ook toen al schreef Frank prachtige teksten; ‘Wat ik van jou gekregen heb, is meer dan iemand mij ooit geven kan’. Of De Dijk met ‘Als ze er niet is’. Een prater ben ik niet, net zomin als Huub van der Lubbe. Maar ik kan van mijn vrouw houden, zoals niemand anders kan.

Het was een prachtige, bijna magische avond. Gefascineerd keken en luisterden we naar elkaar, en naar de muziek. Het gaf het nog meer betekenis, doordat ik zelf óók ontdekte waarom deze muziek zoveel voor me betekent.

De tirannie van de klok

alarm-clock-2175382_1920
Bron: Pixabay.com

 

We leven in een tijd die geregeerd wordt door de klok. TV, I-pad of mobiel, ze laten ons weten hoe laat het is en of we een afspraak dreigen te missen. Tijd, we hebben er zo weinig van, dus willen we elk moment van de dag weten hoe laat het is.

Als ik wil weten hoe laat het is, kijk ik op mijn mobiel. Een horloge heb ik allang niet meer.

Dat scheelt weer als we weer van wintertijd naar zomertijd gaan, of andersom. Mijn mobiel past automatisch de tijd aan, daar hoef ik niets aan te doen. Alleen mijn wekker heeft in dat opzicht mijn onverdeelde aandacht nodig, twee keer per jaar.

Het valt op zich wel mee, de tijd verzetten op al die klokken. Het uurtje slaap dat je moet missen in het voorjaar, dat valt vies tegen. Is dat het uurtje extra licht op een zwoele zomeravond wel waard?

Die discussie laat ik graag over aan de experts, die hebben er verstand van. Wintertijd schijnt het beste te zijn, al hoorde ik een expert op de radio verkondigen dat we eigenlijk de Engelse tijd aan zouden moeten houden. GMT in plaats van CET dus, om in vaktermen te blijven.

Zelf heb ik er niet zo’n last van het verzetten van de klok, er zijn mensen die dat wel hebben. Die een week van slag zijn, net als wanneer ze jetlag zouden hebben. Ik heb geen idee hoe dat voor ze is, het lijkt me geen pretje.

Wat is de oplossing? Toch maar de wintertijd aanhouden, en dat uurtje extra licht op zomeravonden maar laten voor wat het is? Ze worden er echt niet minder zwoel van.

Er is een alternatief, dat ons kan bevrijden van de tirannie van de klok. Op 31 maart, de ochtend nadat de klok verzet was, werden wij wakker. Niet van de wekker, die stond uit. Nee, van de kippen, die onze buren van een paar deuren verder houden.

Het was een heerlijk geluid om te horen, dat rustgevende gekakel. Een natuurlijk geluid is het.

Kippen weten van nature hoe laat het is, of het tijd is om wakker te worden, te eten of op stok te gaan.

Dus kunnen we zomer- én wintertijd afschaffen, ook GMT en CET kunnen de deur uit. Vanaf vandaag leven we op kippentijd!

Vroeg uit de veren en met de kippen op stok.

Spring naar toolbar