Avondwandeling

Welke gek gaat er ’s avonds naar buiten? Het is donker, zeker ’s winters is het koud. Het waait, als je een beetje pech hebt regent het ook nog. Met zulk onguur weer kun je alleen maar ongure types tegenkomen.

Wie gaat er dan naar buiten? Schrijvers, wanhopig op zoek naar inspiratie? Tot waanzin gedreven door writer’s block?

Het zijn vooral hondenliefhebbers en hun huisdier(en). Die moeten elke dag naar buiten, weer of geen weer. Tot ze het beestje kunnen leren op de pot te gaan.

Voor de lol doe je het niet, lopen langs gesloten gordijnen. Gordijnen die de warmte binnen houden, de kou en de buitenwereld worden buiten gesloten. Je hebt geen idee wat er zich achter die gordijnen afspeelt!

Niet iedereen doet de gordijnen dicht, soms kun je een blik werpen in andermans huis, in andermans wereld. Het is op de een of andere manier onweerstaanbaar, telkens kijk ik nieuwsgierig hoe het er bij deze mensen uitziet. Reikhalzend strek ik mijn nek uit, om zoveel mogelijk te zien. ‘Hmmm, die hebben een grote tv!’ Om jaloers van te worden…

Soms vangt iets mijn blik, ik kijk nog eens om. Een steentjesmuur, dat zie je tegenwoordig niet meer zoveel. Of wel? Ik zou het niet weten. Een lamp, een vaas, anders dan anders. Anders dan ik gewend ben, in elk geval. Smaken verschillen, zoveel is zeker!

De een sluit pottenkijkers zoals ik buiten, de ander lijkt ze te verwelkomen. Bij de meeste mensen met open gordijnen staat de tv aan, we kunnen niet meer zonder. Er is een enorme verscheidenheid, aan interieur én aan vitrage. Van klassiek tot modern, soms naast elkaar.

Een flard conversatie komt aangewaaid, vanuit het niets. Twee mensen komen om de hoek, ook aan de wandel. Verderop loopt een echtpaar, een hond sjokt achter hen aan, een stok in zijn bek en een lichtje aan zijn halsband. Het lichtje bengelt op en neer met elke stap, het is bijna hypnotiserend. Niet iedereen is met de hond(en) aan de wandel, al geldt dat wel voor de meesten.

Het heeft ook voordelen, zo’n avondwandeling. Het is lekker rustig, afgezien van hondenliefhebbers. Al heb je geen last van die honden, zolang ze aangelijnd zijn. Het heeft ook nadelen. Drempels, of opstaande stoeptegels of straatstenen, verborgen door het duister. Pijnlijk voor mijn grote teen, nog pijnlijker voor mijn ego. Gelukkig heeft niemand het gezien, of mijn onkuise taal gehoord.

Weer of geen weer, ik ga ’s avonds naar buiten. Tenzij het echt pijpenstelen regent. Daar helpt geen paraplu aan!

Vertekend beeld

Vertekend beeld

Het was een mooie zomeravond, één van de vele van een zomer waar geen eind aan leek te komen. Ik besloot een avondwandeling te maken, nu de hitte van de dag wat gezakt was.

Het was een genot te wandelen in de zwoele avondlucht, die mijn armen en benen zachtjes streelde.

Tot ik langs een huis liep, en mijn weerspiegeling zag in het raam. Een enigszins gebogen lopende, kalende oude man, met een aardig buikje. Quasimodo op leeftijd, zeg maar.

Ik rechtte mijn schouders, in de ijdele hoop dat het iets uit zou maken. Vol verwachting keek ik naar mijn weerspiegeling in het volgende raam.

Helaas, pindakaas. Het resultaat was niet veel beter. Is dit wat er van mij geworden is? Als ik het zo bekijk, heb ik een aardige ‘airbag’, een flink stootkussen.

Dat ik niet de slankste ben, weet ik wel. Cola en chips, dat zijn niet bepaald vrienden als het gaat om je gewicht. In elk geval niet vrienden die goed voor je zijn, hoe heerlijk het samenzijn ook moge lijken.

Als ik naar beneden kijk, lijkt het best mee te vallen. Ik kan mijn tenen nog zien, al hangt het gereedschap wel onder een afdakje. Lekker droog, dus.

Is dat wie ik nu ben? Een ouder wordende man, met een steeds verder uitdijend buikje? Niet dat ik de enige ben, maar toch.

Zit ergens in mij nog die slanke man verborgen, die ik ooit was? Is dat wie ik verwacht te zien in de spiegel?

Mijn weegschaal en ik, we zijn geen vrienden. Dat is u wellicht bekend. Als het al een probleem is, ligt dat bij mij, niet bij mijn weegschaal.

Het lijkt een vertekend beeld, maar wat is er dan vertekend? Het spiegelbeeld dat ik zie, of het spiegelbeeld dat ik zou willen of verwacht te zien?

Het is verleidelijk vast te houden aan het ideaalbeeld dat ik van mezelf heb. Van het goddelijke lichaam, de strakke buik, spierballen en volle bos haar die ik had toen ik pakweg 25 was.

De realiteit is dat ik allang geen 25 meer ben, dat die spierballen er nooit geweest zijn, het haar grotendeels is ‘verdwenen’ (‘gone with the wind’, als het ware) en dat die buik er wél is.

Als het beeld in de spiegel niet vertekend is, maar de realiteit weergeeft, is het de kunst om dat te accepteren. Of er iets aan te doen.

Al is wat realiteit is ook een rekbaar begrip. Het kan zo maar zijn dat je een vertekend beeld van de realiteit hebt, of dat anderen dat hebben. Dat kan ook.

Een vertekend beeld als alternatieve waarheid, zonder dat je het in de gaten hebt.

Muziektempel

Het was een drukte van belang, in de Muziektempel. Hulpvaardige dames stonden klaar bij de ingang, om iedereen de juiste kant op te sturen. Door een massa mensen vocht ik me naar de garderobe, om de jassen die we eigenlijk niet nodig hadden op deze zomerse lente avond af te geven.

Langs brede trappen begaven we ons naar boven, eerst moesten onze toegangsbewijzen gescand worden. De zaal is nog niet open, we bestellen wat te drinken en gaan even zitten, naast andere belangstellenden die op het concert afgekomen zijn. Het is een zeer divers gezelschap, de meesten al wat ouder. Nette, ‘burgerlijke’ types naast ‘rauwere’ mensen. Vrouwen met de broek aan, of met een rok. Mannen met een colbertjasje aan, of in voerhemd met korte mouwen. Hoe verschillend ze ook zijn, ze hebben toch iets gemeenschappelijks.

Het is bijna tijd, we zoeken onze plaatsen op. Het is een heel gezoek, sommigen zwerven de hele zaal door om uiteindelijk te ontdekken dat hun plaatsen zijn waar ze begonnen te zoeken. Voor ons was de zoektocht snel voorbij, een steile trap op, een ware uitdaging als je minder goed ter been bent, de tweede rij meteen vooraan. Dat viel mee!

Ik kijk naar het podium, in de verte. Ik neem de zaal in me op, ik voel me een beetje verloren, een anoniem stipje, zo groot is het. Langzaam maar zeker stroomt de zaal vol, ik ben in elk geval niet de enige!

Dan begint het, een muzikale reis door tijd en ruimte. Van Palermo op Sicilië tot het jaar 1982, het jaar dat het antwoord al werd gevonden. Afwisselend werd nieuw en oud materiaal gespeeld, een feest van herkenning voor een oudere jongere zoals ik. Een paar liedjes worden alleen met de piano begeleid, in een intieme setting. Ondanks de volle zaal klinkt het liedje echt voor jou alleen.

Met verwondering kijk ik naar de muzikanten. Hoe ze door gitaar of bas op een bepaalde manier aan te raken de meest wonderlijke, prachtige geluiden kunnen produceren. Het lijkt wel magie!

Dan weer rustig, als het rustgevende geluid van een muzikaal kabbelende beek, dan weer opzwepend als een woest kolkende, onweerstaanbaar en snel stromende rivier, klinkt de muziek in de zaal.

Het was een weergaloze ervaring. Zeg me dat het niet zo is, zeg me dat het niet waar is. Zeg me dat je gewoon verder speelt, Frank Boeijen, ook als het niet waar is.

Blij en vervuld van muziek, ging iedereen huiswaarts in de zwoele nacht.

De hemel huilt ook

‘De hemel huilt ook’, zei ik tegen mijn vrouw, als we net in de auto zitten. Het gaat steeds harder regenen, eenmaal op weg. Het weer als spiegel van mijn gemoed, het kan verkeren. Het is bewolkt, grijs en bedrukt, net als ik.

We zijn op weg naar Breda, mijn voormalig thuis. Normaal gesproken verheug ik me op het weerzien, dit keer is het anders. Het is geen vrolijke reden waarvoor we naar de parel van het zuiden gaan. Integendeel.

We zijn op weg naar Frank. Alweer. Net nu het lijkt alsof zijn lijdensweg ten einde is, net nu hij op het punt staat zijn leven weer op te pakken, juist op dat moment slaat het noodlot toe. Weer. De ziekte met de grote K, die als een sluipmoordenaar toeslaat, heeft hem weer te pakken. Eerst in zijn longen, nu in zijn hersenen. Geen kans op genezing, luidt het doodvonnis. En dat hoewel Frank volkomen onschuldig is.

De heenreis kan me niet lang genoeg duren. Alsof het onvermijdelijke, waar ik niet aan wil denken, uitgesteld kan worden.

Veel te snel komt de afslag in zicht, veel te snel vinden we de parkeergarage. € 0,50 per 16 minuten, het ziekenhuis moet de kosten voor deze spiksplinternieuwe garage terugverdienen, lijkt het.

Ik ken het ziekenhuis, in de tijd dat ik me nog Bredanaar mocht noemen was het al een gezondheidsfabriek. Nu het uitgebreid wordt, wordt het alleen maar erger. Een doolhof van gangen en kamers, waar je zomaar kunt verdwijnen. Gelukkig hebben we een routebeschrijving, langs vele gangen met witte muren gaan we, tot we er zijn.

Vrolijk zwaait Frank naar ons, terwijl hij nog in gesprek is met een verpleegster. Het is onwezenlijk, als we even later bij hem zitten in zijn kamer. Achter hem zie ik een paar bomen en struiken, ze zien er dor uit, het leven er uit geperst. Hoe symbolisch.

Hij ziet er vreemd genoeg goed uit, zittend in zijn rolstoel, met een pyjama en vrolijke sokken aan. Dan weer tilt hij zijn ene been op, dan weer het andere.

Het is een gesprek met een traan en een lach. ‘Het is bizar’, zegt Frank, ‘Iedere keer als ik iemand zie, vraag ik me na afloop af of het de laatste keer is geweest dat we elkaar zien’.

Zijn woorden echoën de mijne. ‘Het voelt alsof ik onderuit geschoffeld wordt, met de finish in zicht’. Precies wat ik ook dacht, op de heenweg. Kwaad is hij niet, eerder teleurgesteld. Nee, eerlijk is het niet, wat hem overkomt.

Maar, zegt Frank: ‘Ik heb een vol leven geleid. Er zijn geen openstaande zaken, geen dingen die ik nog had willen zien of doen. Ik heb er vrede mee’.

Dat geeft ons ook vrede, al blijft het zwaar, voor iedereen. Eén ding heeft het me wel geleerd: koester wat dierbaar voor je is, waar je van houdt. Zeg tegen je dierbaren dat je van ze houdt, al lijkt het nog zo vanzelfsprekend. Koester het nu, in dit aardse leven, koester het in alle eeuwigheid.

In het water

Daar lag ik dan. Met mijn achterste in het water, mijn ene schoen halfdroog, de andere schepte water bij het leven. Is mijn verjaardag in het water gevallen?

Vijf seconden daarvoor aarzelde ik nog. Ik stond stevig op twee stenen, midden in een ondiepe maar ijskoude beek. De afstand naar de volgende steen, met daarachter de droge oever, leek onoverbrugbaar.

Mijn lichaam schreeuwde: ‘Niet doen!’. Ik voelde een soort angst, ondanks het feit dat ik niet in een diepe afgrond dreigde te storten. Mijn hoofd zei: ‘Toe maar, je kunt het!’ Aarzelend zette ik de stap was het de aarzeling, de twijfel die gonsde in mijn achterhoofd, waardoor het fout ging?

Wat het ook was, op het moment dat ik de stap zette, gleed mijn rechtervoet van de gladde rots, mijn lichaam helde naar rechts en tegelijk naar achteren, waardoor mijn rechterschoen tijdelijk dienst deed als waterrad en mijn achterwerk in de beek belandde.

Daar sta je dan, aan het begin van wat een mooie dag zou moeten worden. Even verderop lag de ruïne van een middeleeuws kasteel, het doel waarvoor ik de oversteek waagde. In een vlaag van overmoed, een poging wellicht om mijn reeds lang verloren gegane jeugd terug te vinden. Want letterlijk twee meter verderop stond een brede, comfortabele en vooral veilige brug, die een droge overtocht beloofde.

Het groepje mannen dat even verderop zat te lunchen deed weinig moeite hun lachen te verbergen. Waarom zouden ze ook, zo had tenminste iemand er nog plezier van.

Geschrokken kwam mijn vrouw naar me toe gesneld, zij had bepaald niet de neiging om te lachen. Gelukkig was alleen mijn trots geschonden, afgezien van natte schoenen, broek, trui en T-shirt was er niets aan de hand. Of ik niet liever terug wilde naar ons huisje, om droge kleren aan ter trekken, vroeg mijn lieve schat.

Daarvoor ben ik te veel macho. Terugkeren? Geen denken aan! We lopen naar het kasteel, onder muzikale begeleiding van soppende schoenen. Net voorbij de ingang van het kasteel ging ik zitten op een bankje, om het water uit mijn schoenen te gieten en mijn sokken uit te wringen. Tot mijn geluk had ik een droge trui bij.

Onverstoorbaar bekeek ik alle hoeken en gaten van het kasteel, tot aan de hoogste toren toe. Niemand leek acht te slaan op mijn natte schoenen of kleding, zelf deed ik alsof er niets aan de hand was.

Na het bezoek aan het kasteel maakten we nog een wandeling in de prachtige bos- en heuvelrijke omgeving. Het was een verjaardag om nooit te vergeten! En dan te bedenken dat ik niets heb met verjaardagen, vooral niet met die van mezelf. Het liefst doe ik alsof het een dag is als alle andere, daarom gingen we ook een weekje weg.

Nee, deze verjaardag is alles behalve in het water gevallen!

Spring naar toolbar