Voor mij is de lol er af

In een vorig leven ging ik graag winkelen. Ik ging er speciaal vroeg op uit, zaterdagochtend. Vóór iedereen wakker was, was ik al weer thuis. Soms met een speciaal doel, meestal niet. Even neuzen of ze nog leuke, nieuwe dingen hadden. Kleding, schoenen, maar ook cd’s of gadgets. Hebbedingetjes, met maar één functie: het vullen van de leegte.

Ik had zo mijn vaste adressen, waar ik langsging. Een warenhuis, een grote kledingwinkel, een platenzaak, een sportkledingwinkel, er zat wel wat variatie in, al lag de nadruk wel op kleding. Als ik nu weer eens door de binnenstad loop, mis ik juist die variatie. Het zijn alleen nog maar kleding winkels, sommige vintage, of schoenenwinkels. Hippe, trendy fastfoodtenten voor de lekkere trek. Maar het moet wel snel gaan!

Laatst zag ik in Tilburg een gourmet frietzaak. Gourmet? Ik denk dat ze bedoelen dat ze extra lekkere, speciaal gemaakte en vooral verse friet verkopen. Ik geloof dat je zelfs zelf de aardappel mag uitkiezen, die voor je ogen tot friet verwerkt wordt.

In dezelfde stad zag ik een filiaal van een Canadese warenhuisketen, die de plaats ingenomen heeft van V&D. In sommige steden, niet overal. V&D, tot voor niet al te lang geleden bijna niet weg te denken uit de binnenstad van elke, zichzelf respecterende winkelstad. Maar nu bijna vergeten, behalve door de ex-werknemers.

Als ik vroeger ging winkelen, kwam ik meestal niet met lege handen thuis. Met als gevolg een uitpuilende kledingkast. Pure verspilling, je kunt maar één T-shirt, trui of overhemd tegelijk aan. Tenzij het koud is en je verwarming stuk is, of je naar buiten moet, natuurlijk.

Sinds mijn lief in mijn leven is, is er iets veranderd. Ik heb een hoop overbodige kleding weggeven, die ik nooit aandeed. En als ik een kledingwinkel binnen loop, om eens even te kijken wat er te koop is, loop ik met lege handen naar buiten. Zo ook deze keer. Te duur, of ik heb het niet nodig.

Tja, de conclusie is onvermijdelijk. De shopper in mij is niet meer. De leegte is gevuld, mijn kledingkast hoeft niet langer bang te zijn te bezwijken onder de immer toenemende last. Voor mij is de lol ervan af, van het shoppen.

Mijn portemonnee daarentegen is voller dan ooit tevoren. En dan zeggen ze dat vrouwen geld kosten! Alleenstaand zijn was voor mij duurder.

Plantsoenlijk gedaan

Ik werd er wakker van, van het getik van schoffels tegen de bestrating. Eerst dacht ik dat het de buurman was in een actieve bui, al kon ik niets zien vanuit het raam.

Ik dacht er niet meer aan, totdat ik boodschappen ging doen. Ze waren met z’n drieën, druk schoffelend in het gemeentelijke groen. De plantsoenendienst, dacht ik, al zag ik nergens het bijbehorende busje met het logo van de gemeente. Misschien waren ze gedropt of zo.

Vriendelijk knik ik naar de dichtstbijzijnde en zeg: ‘Hallo!’ Meer als een vriendelijke knik terug zat er niet in, blijkbaar. Een verlegen type?

Het was warm die dag, zo op de grens van lente en zomer. Na een paar dagen wisselvallig weer had de zon weer de overhand en scheen genadeloos op hun witte borst, rug of onbedekte hoofd. Hoewel ze hard werkten, liep het zweet niet tappelings over hun rug. Waar mogelijk zochten ze de schaduw op.

Met verbazing keek ik naar de stoep. Waar eerst een oerwoud van onkruid stond, minstens een halve meter hoog, lag de stoep er nu strak en schoon bij. Ik kon de stoeptegels weer zien, het stukje zandgrond aan de straatkant was netjes bijgeharkt.

Even verderop is een donkere hoek, beschermd door tuinmuren en hoge muren. Een paradijs voor mos, dat er welig tierde. Niet meer, de mannen hadden al het mos weg geschraapt en de straat netjes aangeveegd. Wie waren die mannen, waar kwamen ze vandaan, waar hadden ze geleerd zo netjes te werken? Dat zijn we niet gewend!

Bij terugkomst van het boodschappen doen volgde weer hetzelfde ritueel. Weer groette en knikte ik beleefd, dit keer naar de oudste van de drie. Opnieuw kreeg ik niet meer dan een vriendelijke knik terug, alsof hij niet begreep wat ik zei.

Tussen de middag waren ze plots verdwenen. Mijn oog viel op een oude, rode Opel Corsa, geparkeerd op de hoek. Met zijn drieën zaten ze daar, te lunchen en te schuilen voor de zon.

Nog een raadsel: waar lieten ze al het gewiede onkruid? Her en der zag ik bijna lege vuilniszakken, waar waren de volle gebleven?

De hele dag waren ze bezig, voorzichtig manoeuvrerend langs geparkeerde auto’s, vastberaden de strijd tegen het halsstarrige onkruid te winnen. Het onkruid gaf zich niet eenvoudig gewonnen, zodra de mannen hun rug toekeren, zal het terugkeren, vroeg of laat. Het is een niet te winnen strijd, maar de mannen lieten zich niet ontmoedigen.

Gestaag verdween het ongewenste groen, onder het onstuitbare geschuifel van de schoffels. De gele hesjes die ze eerst aanhadden, hingen al gauw over de heg.

Onder elkaar praatten de mannen wel, in een taal die ik niet verstond. Het is een vreemd idee, mannen die weet-ik-veel waar vandaan komen om hun geluk te zoeken in ons land. Hadden ze van te voren al bedacht dat ze in een vreemd land zouden staan schoffelen?

Zo plots als ze ’s ochtends verschenen, zo plots waren ze ’s avonds verdwenen. Een opgeknapt hofje achterlatend, ontdaan van onkruid en netjes aangeharkt, een weldaad voor het oog. Een geel hesje lag nog over de heg, een eenzame herinnering aan de aanwezigheid van de vreemde mannen.

Ik hoop dat ze terugkomen, zodat ik ze kan zeggen: ‘plantsoenlijk gedaan!

Spring naar toolbar