Slakkengang

Stel je voor, je bent een slak. Een kleintje, hooguit 2-3 centimeter lang. Zo klein, dat je nauwelijks opvalt tussen de woudreuzen, of op de stoep of op het fietspad. Je huis op je rug, dat heb je altijd bij je.

Als je zo klein bent, lijkt alles immens. Een kleine muis is een reus, een mens is gigantisch. Maar klein zijn heeft ook voordelen: je valt minder snel op, en je hebt minder nodig.

Dat je niet de snelste bent, weet je zelf ook wel. In je eigen tempo vervolg je je weg, je reukzin achterna. Altijd op zoek naar eten, een partner of een schuilplaats. Altijd op je hoede voor gevaar. Als er gevaar dreigt, kruip je in je schulp.

Gevaar dreigt overal. Egels, vogels en allerlei andere wezens vinden je wel een lekker ding. Om op te vreten!. Zelf ben je een overtuigd vegetariër, dat maakt geen verschil.

Het liefst zou je de hele dag wegkruipen, veilig schuilen in een donker, vochtig plekje. Als de zon volop schijnt, is dat een extra gevaar. Uitdroging, of levend gebakken worden, of gekookt in je eigen slijmspoor. Als het niet al opgedroogd is.

Alleen als het donker is, of een regenachtige dag, waag je je buiten. Telkens als je dat doet, riskeer je je leven. Als je dan alle gevaren hebt ontweken, dan is er nog het ongeziene gevaar.

Het gevaar dat je niet aan ziet komen, het gevaar dat letterlijk zó groot is, dat je het niet kunt zien. Op het harde asfalt voel je het ook niet aankomen. Twee banden, één voor en één achter, gaan achtereenvolgens over je heen. Zonder dat je het in de gaten hebt, is het in een oogwenk voorbij.

Zelf ben ik niet een van de snelsten, ik kon je ontwijken toen ik je tegenkwam op het fietspad, maar net. Het scheelde niet veel, of ik had je voor een takje aangezien. Tot het al te laat was. Zover kwam het niet, dit keer.

Het leven is kort, het leven is hard. Het leven is soms snel voorbij, ook al leef je op een slakkengang.

Geloof, hoop en liefde

Ik zie verwachting, ik zie hoop in de ogen van de mensen om me heen. Rond half een hebben we ons verzameld, voor het begin van de SamenLoop voor Hoop in Geldrop, mijn geboortedorp.

SamenLoop voor Hoop, zelden past een naam beter. Het is een samenloop van mensen, die ook nog eens samen lopen, om hoop te bieden.

Hoop, dat is het thema. Hoop dat er een geneesmiddel gevonden wordt voor die vreselijke k-ziekte, die sluipmoordenaar, die verrader die zich tegen het eigen lichaam keert. Hoop dat het goed komt, hoe diep het dal is waar iemand met die k-ziekte in zit. Hoop op een menswaardig bestaan, of tenminste een menswaardig einde.

Ik zie ook geloof. Geloof dat het middel er zal komen Geloof en vastberadenheid, om de strijd niet op te geven. Een strijd die opgegeven wordt, is bij voorbaat verloren. De vastberadenheid is te zien in de ogen van de ruim 600 wandelaars, die trouw hun rondjes lopen, om beurten. De vastberadenheid is ook te zien in hun tred, in de stem van degenen die een toespraak houden. Wij geven ons niet gewonnen!

Ik zie ook liefde. Liefde voor dierbaren die de strijd hebben verloren, die met dankbaarheid herdacht worden. Zolang mensen je nog herinneren, je naam liefdevol fluisteren, ben je niet vergeten.

Iedereen die er is, is hier voor dezelfde reden. Of ze hebben zelf aan den lijven ondervonden hoe het is om die k-ziekte te hebben, of iemand in hun naaste omgeving. Dat geeft een grote saamhorigheid. We hebben een gemeenschappelijk doel, een gemeenschappelijke strijd. Al weten we niet hoe dat doel bereikt moet worden, we zetten er ons gezamenlijk voor in, met hart en ziel.

Ik zie kameraadschap, niet alleen vanwege het gezamenlijke doel, ook omdat we een andere kant van elkaar zien. We zijn allemaal mensen van vlees en bloed, met gevoel, met een eigen geschiedenis. Hoe anders we ook zijn, op deze plaats en in dit moment zijn we allemaal hetzelfde, zijn we één!

Een lange rij papieren zakken langs het parcours, gevuld met een waxinelichtje en in de meeste gevallen voorzien van een persoonlijke boodschap. Soms een heel verhaal, soms alleen een hartenkreet, of een foto met een geboorte- en sterfdatum, een herinnering aan een dierbare.

Ik ben blij en trots, dat ik mee heb mogen lopen. Dat ik op bescheiden manier iets heb kunnen bijdragen, geloof, hoop en liefde heb kunnen bieden.

Deze is voor jou, Frank.

 

De koning op zijn troon

Met enige vrees neem ik plaats, als een koning op zijn troon. Normaal gesproken ken ik geen angst, niet als het gaat om mijn troon. Dat was nu anders.

Het kwam niet uit de lucht vallen. Ze hadden het van te voren aangekondigd, ik wist wat me te wachten stond. Eens in de zoveel tijd moet ook mijn troon er aan geloven, zich onderwerpen aan een grondige inspectie en schoonmaak. Ongezien en achter de schermen strekt een netwerk aan pijpen zich uit, dat ook onderhoud nodig heeft.

Wanneer dat onderhoud precies plaats zou vinden, konden ze niet zeggen. Wel dat er sprake kon zijn van overlast. Ze adviseerden om de troon af te dekken met iets zwaars, omdat de pijpleidingen onder hoge druk gereinigd zouden worden. Om te voorkomen dat de stukken eraf zouden vliegen, of om de oren.

U begrijpt mijn vrees, mijn terughoudendheid. Wat anders mijn troon is, de plek waar ik me even terugtrek uit de wereld om me te verlossen van een zware last, is nu zelf een zware last. Waar ik me normaal gesproken veilig en op mijn gemak voel, daar dreigt nu gevaar.

Er is geen ontsnappen aan. Vroeg of laat, de koning moet op zijn troon, of-ie nu wil of niet. Voorzichtig verwijder ik de boeken die ik gebruik om mijn troon te verzwaren. Langzaam nadert mijn zitvlak de troon. Geen teken van verstoring, geen aanwijzing van komende rampspoed, geen uitbarsting. Ik slaak een zucht van verlichting en ga over tot de orde van de dag.

De spanning blijft echter voelbaar, niet bevorderlijk als je een zware last aan het lozen bent. Waardoor het alleen maar langer duurt!

Met pijn en moeite lukt het om te ontspannen, ik onderdruk visioenen van waterkolken en andere zaken, die ik liever verborgen houd. Mijn oren zijn gespitst op verdachte geluiden. Regelmatig schrik ik op, als ik denk iets verdachts te horen. Wat was dat? Een deur die dicht gaat. En dat? Eén van de buren, die de trap op- of afgaat. Wat nu weer? Elk geluid verstoort mijn gebruikelijke ritueel, dat gebaseerd is op rust (en regelmaat), het verpest mijn tijd op de troon.

‘Mijn koninkrijk voor een ongestoorde tijd op de troon!’ denk ik bij iedere keer dat ik plaatsneem. Dan merk je pas hoezeer je het nodig hebt om niet gestoord te worden bij zo’n delicate gebeurtenis. Hoe fijn het is, even wat tijd voor jezelf.

Morgen is het achter de rug. Dan is alles gecheckt, doorgelicht en doorgeblazen. Dan keert de rust weer terug, dan is mijn lijden voorbij.

Morgen neemt de koning weer plaats op zijn troon, in alle rust.

Fiets aan de hand

Het leven van een fietser gaat niet over rozen. Harde wind, regen, auto’s die geen voorrang geven, stoplichten, voetgangers en soms andere fietsers zijn hinderlijke obstakels, waar je niet omheen kunt.

Het ergste wat een fietser kan overkomen, is overvallen worden door een regenbui, net als je regenpak in je tas zit. Hoewel, een hagelbui is nog erger. Tenzij je een helm op hebt.

De meeste fietsers hebben een hekel aan regenpakken, zeker scholieren. Als het regent, blijven scholieren stug door trappen, alsof ze niet eens gemerkt hebben dat het regent. Alsof het ze niets doet, en ook niets kan schelen.

Je zou denken dat dat het allerergste is, dat een fietser kan overkomen. Dat je tot op het bot doorweekt bent, om dan ook nog nat gespat te worden door elke auto die door de plassen racet.

Maar nee. Dat is niet het ergste. Bij lange na niet. Het ergst is als je onderweg ontdekt dat je een lekke band hebt. Dat de lucht razendsnel uit de band vliegt, of langzaam maar zeker. Onmerkbaar, tot de band bijna leeg is. En dan geen fietspompje bij hebben, natuurlijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het ergst is, als je met je fiets aan de hand loopt, op weg naar huis. De weg is nog lang, want natuurlijk gebeurt het halverwege. Onderweg probeer je de nieuwsgierige blikken te ontwijken van de tegemoetkomende mensen. Of kijk je ze aan met een blik van ‘valt er hier wat te zien?’

Dat helpt niet, met meewarige blikken staren ze je aan. ‘Waarom loopt hij, hij is toch met de fiets?’ Ze proberen te ontdekken wat er aan de hand is. Al snel hebben ze het in de gaten: een lekke tuub!

Die vernedering, die afgang, met in je achterhoofd de wetenschap dat als je eenmaal thuis bent, de band nog geplakt moet worden. Als ik ergens een hekel aan heb!

Het alternatief? Naar de fietsenmaker. Twee tientjes, en dan was-ie nog te beroerd om de band te plakken. Zo’n klein gaatje is niet te vinden, zei hij. Die band krijg je er nooit meer om, voegde hij er aan toe. Pardon?

Het kostte een paar duiten, een nieuwe binnen- én buitenband. Nu kan ik er weer even tegen. Ik moest wel weer met de fiets in de hand, naar de fietsenmaker. Gelukkig alleen op de heenweg.

Spring naar toolbar