De koning op zijn troon

Met enige vrees neem ik plaats, als een koning op zijn troon. Normaal gesproken ken ik geen angst, niet als het gaat om mijn troon. Dat was nu anders.

Het kwam niet uit de lucht vallen. Ze hadden het van te voren aangekondigd, ik wist wat me te wachten stond. Eens in de zoveel tijd moet ook mijn troon er aan geloven, zich onderwerpen aan een grondige inspectie en schoonmaak. Ongezien en achter de schermen strekt een netwerk aan pijpen zich uit, dat ook onderhoud nodig heeft.

Wanneer dat onderhoud precies plaats zou vinden, konden ze niet zeggen. Wel dat er sprake kon zijn van overlast. Ze adviseerden om de troon af te dekken met iets zwaars, omdat de pijpleidingen onder hoge druk gereinigd zouden worden. Om te voorkomen dat de stukken eraf zouden vliegen, of om de oren.

U begrijpt mijn vrees, mijn terughoudendheid. Wat anders mijn troon is, de plek waar ik me even terugtrek uit de wereld om me te verlossen van een zware last, is nu zelf een zware last. Waar ik me normaal gesproken veilig en op mijn gemak voel, daar dreigt nu gevaar.

Er is geen ontsnappen aan. Vroeg of laat, de koning moet op zijn troon, of-ie nu wil of niet. Voorzichtig verwijder ik de boeken die ik gebruik om mijn troon te verzwaren. Langzaam nadert mijn zitvlak de troon. Geen teken van verstoring, geen aanwijzing van komende rampspoed, geen uitbarsting. Ik slaak een zucht van verlichting en ga over tot de orde van de dag.

De spanning blijft echter voelbaar, niet bevorderlijk als je een zware last aan het lozen bent. Waardoor het alleen maar langer duurt!

Met pijn en moeite lukt het om te ontspannen, ik onderdruk visioenen van waterkolken en andere zaken, die ik liever verborgen houd. Mijn oren zijn gespitst op verdachte geluiden. Regelmatig schrik ik op, als ik denk iets verdachts te horen. Wat was dat? Een deur die dicht gaat. En dat? Eén van de buren, die de trap op- of afgaat. Wat nu weer? Elk geluid verstoort mijn gebruikelijke ritueel, dat gebaseerd is op rust (en regelmaat), het verpest mijn tijd op de troon.

‘Mijn koninkrijk voor een ongestoorde tijd op de troon!’ denk ik bij iedere keer dat ik plaatsneem. Dan merk je pas hoezeer je het nodig hebt om niet gestoord te worden bij zo’n delicate gebeurtenis. Hoe fijn het is, even wat tijd voor jezelf.

Morgen is het achter de rug. Dan is alles gecheckt, doorgelicht en doorgeblazen. Dan keert de rust weer terug, dan is mijn lijden voorbij.

Morgen neemt de koning weer plaats op zijn troon, in alle rust.

Fiets aan de hand

Het leven van een fietser gaat niet over rozen. Harde wind, regen, auto’s die geen voorrang geven, stoplichten, voetgangers en soms andere fietsers zijn hinderlijke obstakels, waar je niet omheen kunt.

Het ergste wat een fietser kan overkomen, is overvallen worden door een regenbui, net als je regenpak in je tas zit. Hoewel, een hagelbui is nog erger. Tenzij je een helm op hebt.

De meeste fietsers hebben een hekel aan regenpakken, zeker scholieren. Als het regent, blijven scholieren stug door trappen, alsof ze niet eens gemerkt hebben dat het regent. Alsof het ze niets doet, en ook niets kan schelen.

Je zou denken dat dat het allerergste is, dat een fietser kan overkomen. Dat je tot op het bot doorweekt bent, om dan ook nog nat gespat te worden door elke auto die door de plassen racet.

Maar nee. Dat is niet het ergste. Bij lange na niet. Het ergst is als je onderweg ontdekt dat je een lekke band hebt. Dat de lucht razendsnel uit de band vliegt, of langzaam maar zeker. Onmerkbaar, tot de band bijna leeg is. En dan geen fietspompje bij hebben, natuurlijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het ergst is, als je met je fiets aan de hand loopt, op weg naar huis. De weg is nog lang, want natuurlijk gebeurt het halverwege. Onderweg probeer je de nieuwsgierige blikken te ontwijken van de tegemoetkomende mensen. Of kijk je ze aan met een blik van ‘valt er hier wat te zien?’

Dat helpt niet, met meewarige blikken staren ze je aan. ‘Waarom loopt hij, hij is toch met de fiets?’ Ze proberen te ontdekken wat er aan de hand is. Al snel hebben ze het in de gaten: een lekke tuub!

Die vernedering, die afgang, met in je achterhoofd de wetenschap dat als je eenmaal thuis bent, de band nog geplakt moet worden. Als ik ergens een hekel aan heb!

Het alternatief? Naar de fietsenmaker. Twee tientjes, en dan was-ie nog te beroerd om de band te plakken. Zo’n klein gaatje is niet te vinden, zei hij. Die band krijg je er nooit meer om, voegde hij er aan toe. Pardon?

Het kostte een paar duiten, een nieuwe binnen- én buitenband. Nu kan ik er weer even tegen. Ik moest wel weer met de fiets in de hand, naar de fietsenmaker. Gelukkig alleen op de heenweg.

Spring naar toolbar