Vol verwachting

Vol verwachting klopt mijn hart. Mijn hand trilt lichtjes als ik de telefoon pak. Zou het eindelijk zover zijn? Is dit het moment waar ik op heb gewacht?

Zou ik nu wel mijn pen in vitriool kunnen dopen? Zou ik nu wel eens lekker los kunnen gaan? Zou dit mijn kans zijn om de ultieme, van satire druipende, lifestyle bepalende column te schrijven?

Is dit mijn Buckler-moment?

Even schoot een zwarte gedachte door mijn hoofd. Het zal me toch niet weer op het laatste moment uit de handen glippen? Heb ik iets over het hoofd gezien?

Nee, volgens mij niet. De afstandsbediening heeft echt kuren. Soms reageert het kreng zo traag, het lijkt wel of hij aan vakantie toe is. Reden genoeg om de klantenservice van KPN, onze provider maar eens te bellen!

Wie zou ik aan de lijn krijgen? Hopelijk is hij/zij flink chagrijnig, en word ik van het kastje naar de muur gestuurd. Dat is gelukkig niet zo ver, in onze huiskamer. Pen en papier klaar, telefoon in de hand. Ik ben er klaar voor!

Binnen twee seconden is alle hoop de grond ingeboord. Een uiterst vriendelijke jongeman staat me te woord. Eén voor één gaan we de mogelijke oorzaken af. Uiteindelijk vraagt de jongeman of ik het ontvangstkastje even uit- en aan wil zetten.

‘De knop zit achter op het kastje’ helpt hij me op weg. Ik trek het kastje na voren, wat enig krachtsvertoon vergt. Nada! ‘Dan stuur ik een nieuwe afstandsbediening!’ besluit de jongeman. Binnen een dag of twee zullen we hem ontvangen.

Dezelfde avond zet ik de tv aan. ‘Geen videosignaal’, bijt de tv me toe. Hoezo niet? Er is toch niets veranderd? Het kastje staat aan, ik kan het groene lampje zien. Wat ik ook probeer, tv uit, tv aan, een andere HDMI poort selecteren, niets helpt.

Aha! Een nieuwe kans? Het zal toch niet…

Wéér klopt mijn hart vol verwachting. Wéér trilt mijn hand! Wéér dep ik handen en voorhoofd droog.

En weer slaat de twijfel toe. Zal ik nu wel iemand treffen die me eens lekker afblaft? Nee hoor. Een vriendelijke jongedame. Geduldig, vriendelijk en behulpzaam. Getver!

Wéér gingen we alle mogelijkheden af. ‘Hebt u al geprobeerd een andere poort te selecteren?’ Zeker! ‘Zit de kabel er wel goed in?’

Ik moet bekennen dat het achter ons tv meubel een wirwar aan kabels en draden is. Welke kabel bij welk apparaat hoort, en waar ze naar toe gaan, is niet te ontwarren. Ik meen het bewuste kabeltje gevonden te hebben, dat blijkt naar het stopcontact te gaan. Het andere is de internetkabel.

Twee kabels? Volgens de jongedame moeten het er drie zijn. Ik voel de bui al hangen. Voorzichtig trek ik het ontvangstkastje naar voren en ja hoor, daar zie ik de schuldige! De HDMI kabel, die ik eerder op de dag los had getrokken toen ik de ontvanger uit- en aan zette.

Juist ja. Mijn eigen glazen ingegooid.

De volgende dag kwam de nieuwe afstandsbediening, zoals beloofd. Hij werkt prima, ik kan wel een kanaal kiezen, maar niet de tv aan- of uitzetten of het geluid harder of zachter zetten. Voor ik de telefoon weer zou pakken, kijk ik op de gebruiksaanwijzing. Nu doet-ie het wel. Weer een kans voorbij.

Het zal wel even duren, voor mijn hart weer vol verwachting kan kloppen. Ik gok op 5 december.

Show me the money!

‘Show me the money!’ schreeuwt Rod Tidwell door de telefoon naar de hoofdpersoon van de film ‘Jerry Maguire’, zijn manager.

‘Show me the money!’ had de kassajuffrouw in de supermarkt tegen mij kunnen roepen, terwijl ik met zweterige vingers wanhopig probeerde mijn bankpasje in het daartoe bestemde gleufje van de betaalautomaat te stoppen. Het luistert nauw, het past precies. Als je het goed doet, tenminste.

Het was al eerder gebeurd, dat mijn pasje werd geweigerd. Als je te snel bent, werkt het niet. Zachtjes en teder, en met veel gevoel schuif ik het pasje in de automaat. Stik! Weer geweigerd!

Ik voel de ogen van de mensen achter me in mijn rug prikken. Ik durf niet te kijken, om te vermijden dat ik het ongeduld en onbegrip in hun ogen zie. ‘Je weet toch wel hoe je je bankpas in een betaalautomaat stopt?’ Ja, dat dacht ik van wel.

Hoe voorzichtig ik ook probeer, hoe zacht en teder ook, steeds volgt een afwijzing. ‘Onbekende pas’, gevolgd door ‘Magneetstrip lezen’.

Ah, magneetstrips. Het is iets uit lang vervlogen tijden, dat je je bankpas langs een magneetstriplezer moest halen. Deze betaalautomaat heeft niet eens zo’n lezer, volgens mij. Jammer!

Swipen dan? Noem mij maar ouderwets, het idee dat er geld van mijn rekening gehaald kan worden zonder dat ik een code of wachtwoord in kan voeren, gaat mij te ver. Ik doe mijn best, ik heb een mobiele telefoon waar je meer mee kan dan alleen bellen en sms’en, ik zit op Facebook, Instagram en Whatsapp er op los, maar er zijn grenzen.

De kassajuffrouw, moe van mijn vergeefse pogingen, neemt het over. Hoe ze ook probeert, hard of zacht, snel of langzaam, ruw of teder, het helpt niet. En nu?

Ik word naar een andere kassa gedirigeerd, ver weg van de drukte, starende blikken vol medelijden of ongeduld volgen me. Een andere kassajuffrouw, hetzelfde resultaat. Niks! Nada! Noppes!

Daar sta je dan. Tassen vol met boodschappen, klaar om mee naar huis te nemen. Die krijg je niet zomaar mee. Er zit niets anders op dan even naar huis te gaan om mijn portemonnee te halen. Die had ik niet bij me, aan mijn bankpasje had ik toch genoeg? Als-ie het doet wel, ja.

Snel loop ik naar huis, met lege handen. Met een goedgevulde portemonnee kom ik weer terug.

Nog één laatste poging, als ik weer terug ben in de supermarkt. Nee hoor, de automaat blijft halsstarrig bij zijn weigering. Het leven van een columnist gaat niet over rozen.

Ik reken af, contant. Er was een tijd, nog niet eens zo lang geleden, dat dat doodnormaal was. Nu voelt het vreemd, alsof ik iets van mezelf afsta. Alsof het nu ineens geld kost, nu je het ziet in plaats van een anonieme, onzichtbare afschrijving. Anoniem en onzichtbaar, tot je je afschrift controleert. Online, vanzelfsprekend.

‘Show me the money!’ Nou, dat heb ik dus gedaan.

Langzaamheidsmaniak

Eens in de zoveel tijd ga ik naar Veldhoven. Eerst een stukje A50, dan verder via de N2, parallel aan de immer drukke A2. Twee snelwegen, die zich een tijdlang gezamenlijk rond Eindhoven door het landschap kronkelen. Met één onderscheid: op de een mag je 120 km per uur, op de ander 80.

Het is nogal verleidelijk om zelf ook het gaspedaal in te trappen, als je op de weg naast je iedereen voort ziet razen. Menigeen doet dat dan ook, de auto’s razen me links en soms ook rechts voorbij, als een rijstrook zich bij de onze voegt. Verwonderd kijk ik naar de auto’s die me voorbijrazen. Ik rij braaf 80, het is wel relaxt rijden zo. Ik heb alle tijd, ik wil me vooral niet op laten jagen!

Het gaat wel een beetje knagen bij me. Ik weet hoe lekker het is, om het gaspedaal eens flink in te trappen. Ook ik verander van Dr. Jekyll in Mr. Hyde zodra ik de auto instap, ik wil ook zo snel mogelijk van A naar B.

Die verandering in me verbaast me, normaal gesproken ben ik juist het toonbeeld van rust en kalmte. Geen onvertogen woord komt over mijn lippen, ik ben de vriendelijkheid zelve. Totdat ik in de auto stap, en de automobilist voor me minder haast heeft dan ik. Wat maakt het uit dat hij of zij niet de maximum snelheid rijdt? Het is niet alsof het de voorgeschreven snelheid is. Waarom laat ik me zo opjagen?

Ik geef toe, als ik als eerste wegrijd bij een stoplicht geeft dat wel een kick. Als ik een bocht neem op volle snelheid, eveneens. Om het landschap als een soort groene flits aan je voorbij te zien trekken, heeft wel wat. Maar dat gejakker en gestres… ik ben het wel beu.

Het geeft rust, om rustig achter een vrachtwagen of auto aan te tuffen. Tijd om een liedje te zingen (of te fluiten, als ik de tekst niet weet). Tijd om over mijn zonden na te denken, alhoewel? Zoveel tijd heb ik ook weer niet.

Daarom probeer ik ook in de auto rustig te blijven, op tijd te vertrekken zodat ik niet hóéf te haasten, en me netjes aan de maximumsnelheid te houden. Het geeft me rust, het geeft me de gelegenheid met verwondering naar de andere weggebruikers te kijken, die wél een ongelooflijke haast lijken te hebben.

 

Het grappige is, dat de tijdwinst door hard te rijden minimaal is, op korte afstanden tenminste. Ook op langere afstanden kun je je afvragen of het iets oplevert. Maar daar gaat het helemaal niet om. Of het nu de rebel is, die zich niet aan de regels wil houden, of de snelheidsmaniak die gewoon zo hard mogelijk wil rijden, het gaspedaal moet ingetrapt worden.

De weg leent zich er ook voor. Hij ziet er niet anders uit dan de snelweg, en de scheurneuzen doen er toch niemand kwaad mee? Met de vlam in de pijp scheuren ze door de Brennerpas.

De verleiding is er, om ook een snelheidsmaniak te zijn. De verleiding is groot. Maar nee, ik blijf lekker een langzaamheidsmaniak!

Hongerige ogen

 

Ritmisch en gestaag beuken de golven op de rotsen. Het lijkt bijna een liefkozing, zij het een hardhandige. Alsof de zee wil laten zien aan het land wie de baas is.

Er is geen ontsnapping voor de rotsen, gelaten ondergaan ze hun lot. Langzaam afbrokkelend, tot er niets meer van over is. Niets meer dan zand, aangespoeld op het strand.

Golf na golf rolt het strand op. Net als de ene golf terug wil keren naar de zee, komt de volgende er al aan. Ongedurig, ongeduldig en onstuitbaar.

Verderop is het kalm, op de open zee. Op het strand is het rustig, hier en daar zaten wat mensen. Even verderop oefende een jongleur, om klaar te zijn voor de zomer. We zochten en vonden een mooi plekje om te lunchen, met uitzicht op zee. Gratis en voor niets!

Ik pakte mijn lunch box, en pakte één van mijn zelf gesmeerde broodjes. Ik voelde twee paar hongerige ogen, gebiologeerd starend naar mijn broodje. Ik voelde de twijfel, ‘zal ik dichterbij gaan, of niet?’ Hij wilde dolgraag het broodje uit mijn handen grissen, maar miste het lef om het daadwerkelijk te doen. Of misschien was hij niet hongerig genoeg.

Ik liet me niet van de wijs brengen. Hap na hap verdween het broodje in mijn mond, op weg naar mijn maag. Het was lekker brood, ik was zelf zo mogelijk nóg hongeriger, en niet bepaald van plan te delen.

Eerst waren ze met z’n tweeën, zijn maat gaf het al snel op. Die had in de gaten dat er niets te halen viel! Maar hij liet zich niet van de wijs brengen. Zijn blik blééf gefixeerd op mijn broodje, ook toen de laatste hap in mijn keel verdween.

 

 

Na een slok water om het broodje weg te spoelen, pakte ik het tweede broodje. Mmm, net zo lekker. Vers brood, krakelend iedere keer als ik kauwde. De smaak van het brood, de boter en de gerookte Spaanse ham vermengden zich in mijn mond, mijn smaakpapillen kietelend.

De hongerige ogen bleven me aanstaren. Bijna wanhopig, nu ook dit tweede broodje dat zo overduidelijk heerlijk smaakte aan zijn neus voorbij dreigde te gaan.

Niet dat ik een sadist ben, die plezier beleeft aan het lijden van een ander levend wezen. Integendeel! Ik had het harder nodig dan hij, hij kon makkelijk elders aan de kost komen, zónder te schooien.

Uiteindelijk gaf hij het op. Uiteindelijk zag hij in, dat hier niets te halen viel. Uiteindelijk besefte hij, dat ik niet zou delen met hem.

Na een laatste, verontwaardigde blik ontvouwde hij zijn vleugels, en vloog weg.

 

Spring naar toolbar