Het meisje met de gele jas

Foto: Yvonne Bruin

Ze staarde naar de halflege beker popcorn in haar hand, zonder de beker te zien. Ze zat alleen, in een verlaten bioscoopzaal. Ingeklemd tussen twee rijen stoelen, het restant van de popcorn aan haar voeten. Een stille getuige.

Ze was dol op hem. Zo lang als ze samen waren, kon ze niet geloven dat ze samen waren. Hij was zo knap, lang en gespierd, met een glimlach die haar deed smelten. In alles was hij de perfecte man, in haar ogen.

Niet alleen in haar ogen. Zijn ogen hadden ook oog voor die andere ogen. Zijn handen beroerden ook hen, zijn lippen kusten ook de hunne. Ze was zo stom geweest, zo blind dat ze het niet al vanaf het begin gezien had. Alsof hij er mee te koop liep, alsof het allemaal aan haar lag.

Wanneer ze het precies doorkreeg? Moeilijk te zeggen. De smoesjes waarom hij niet bij haar kon zijn, zij afwezigheid ook als hij wel bij haar was, zijn blik die voortdurend afdwaalde naar anderen. Ze voelde zijn onrust, zijn behoefte verder te kijken dan haar. Ze voelde dat hij niet bij haar was, in geen enkel opzicht, op geen enkel moment.

Hoe lang houd je zoiets vol? Eindeloos lang, zo lijkt het. Eerst durfde ze hem er niet mee te confronteren. Bang om hem kwijt te raken, bang om alleen te zijn. Bang dat ze het niet waard zou zijn, zo’n mooie man. Of überhaupt iemand waard te zijn.

Veel erger dan wat anderen ons aan kunnen doen, is wat we ons zelf aandoen. Door te geloven wat anderen zeggen, dat we het niet waard zijn. Of door dat zelf te zeggen. Door keer op keer toe te staan dat iemand over onze grens gaat, zonder iets te zeggen.

Het vreemde is, dat ze het niet aan voelde komen. Ze had niet in de gaten hoe vol de maat was. Tot eerder die dag, tot hij voorstelde gezellig iets te gaan eten en een filmpje te pakken.

Bij het eten begon het al. Kijken naar anderen, hij flirtte zelfs openlijk met hen. Hij deed geen poging om het te verbergen. Bij de bioscoop ging het verder, flirtte hij met de kaartverkoopster en het meisje achter de balie bij de drankjes en het snoepgoed. Hij gaf de beker popcorn aan haar, tegelijkertijd maakte hij zo ongeveer een afspraakje met die ander.

Midden in de film, een romantische komedie die zij had uitgekozen, wilde hij haar kussen. Zijn arm om haar heen had al gevoeld als een zware balk, bijna verpletterend. Dit was de druppel! De strohalm, waar ze zich zo krampachtig aan had vastgeklemd, brak.

‘Nee!’ was het enige dat ze zei, zijn arm afwerend. Ze keken elkaar in de ogen en wisten het meteen. Het was voorbij.

Zwijgend stond hij op, keerde zich om en liep weg, haar leven uit. Zij bleef zitten, als verlamd, tot de film afgelopen was. Ze wachtte tot iedereen weg was, haar benen weigerden dienst.

Daar zat ze dan, ingeklemd tussen de rijen stoelen, met haar gele jas aan. Een jongen, die kwam kijken of iedereen weg was, vroeg of alles in orde was. ‘Ja hoor’, zei ze dapper. Verdwaasd keek ze hem aan, stond op en liep de bioscoop uit, de koude, donkere nacht in.

Dit is het eerste artikel in samenwerking met Yvonne Bruin, die de foto gemaakt heeft die mij inspireerde tot dit verhaal. Wil je meer foto’s zien van Yvonne? Kijk dan op http://yvonnebruin.com/

Liefde is


Liefde kent geen leeftijd. Als kind kun je al verliefd worden. Bij je geboorte zijn er al twee mensen die zielsveel van je houden, normaal gesproken. Daar komen nog vele liefdes bij. Voor je beste vriend of vriendin, broer(s) en/of zus(sen), opa’s, oma’s, ooms en tantes.

Wie herinnert zich niet de eerste, echte verliefdheid? Op de kleuterschool, of op de basisschool, op het speelterrein bij de schommels of in de zandbak. Het eerste kusje, vluchtig en al snel weer voorbij, als een gestolen moment. Bij mij was het op het schoolplein, met een meisje dat een paar straten verderop woonde.

Ook als je zelf opa of oma bent, of in elk geval de leeftijd ervoor hebt, kan de verliefdheid toeslaan. Een blik over de leesbril heen, en de vlinders dansen als nooit tevoren in de buik. Twee mensen die elkaar gevonden hebben, niet langer eenzaam of alleen, weer vol levenslust en vol jeugdig gevoel.

Liefde is een universele taal. Al begrijp je geen woord van wat de ander zegt en vind je zijn of haar cultuur maar vreemd, het hindert niet. Barrières zijn er om overwonnen de worden, al lukt dat niet altijd. De liefde heeft haar eigen taal, wie afgaat op gevoel spreekt de taal van de liefde vloeiend. Dan zijn woorden vaak niet eens nodig, een blik of gebaar, een enkele, tedere aanraking is al voldoende.

Liefde is blind. Liefde ziet niet wat er mis is, wat anders zou moeten of wat lelijk is. Liefde ziet alleen wat ons zo mooi maakt, waar we uniek in zijn. Fouten, als ze het al fouten zou willen noemen, worden met de mantel der liefde bedekt. Niet vergoelijkt, maar in plaats dat ze afstoten, maken ze het onderwerp van de liefde juist aantrekkelijker.

Liefde is tijdloos. Echte liefde roest niet, ze wordt alleen dieper met het verstrijken van de tijd. Soms vervliegt de liefde als een zoete parfum, langzaam maar zeker. Echte liefde is eeuwigdurend, ook op hoge leeftijd zie je dan nog die jonge man of vrouw waar je destijds verliefd op werd, alsof het gisteren was.

Liefde kent geen afstand. Geen zee is te diep, geen berg te hoog, geen afstand te ver. Wat in je hart woont, is altijd dichtbij. Al blijf je verlangen naar het moment dat je weer in elkaars armen bent, de hartslag voelt en de liefde ziet in de ogen van je geliefde. Wat de mooiste ogen ter wereld zijn!

Liefde is uitbundig, schaamteloos en onstuitbaar. Verliefde stelletjes tonen openlijk hun liefde voor elkaar, willen hun liefde van de daken schreeuwen. En waarom ook niet? Liefde is mooi, groots en meeslepend. Het vult je ziel, tot je aan niets anders meer kunt denken. Hou dat maar eens voor jezelf! Van de daken heb ik mijn liefde niet geschreeuwd, maar ik zei het wel tegen iedereen die het horen wilde.

Liefde is een kwelling, als het maar van een kant komt. Als de liefde beantwoord wordt, is ze het mooiste wat er is.

Sommigen zeggen liefde is als een chemische reactie, een roze cocktail van dopamine en oxytocine. Doe mij er nog maar een!

Geen berg te hoog – the story of Mount Doom

Het is alsof ik ogen in mijn rug voel branden, als ik het station van de kabelbaan uitstap. In de verte torent een berg overal boven uit. Bos en weiland wisselen elkaar af, overal waar ik kijk. Het uitzicht is prachtig!

‘Gelukkig hoeven we niet helemaal naar boven te klimmen’, dacht ik toen we beneden in het dal in de kabelbaan stapten. Tja, als je met een bergliefhebster getrouwd bent, en op vakantie gaat in Tirol, zou je zoiets kunnen verwachten.

Net buiten het station van de kabelbaan is een terras, met daarachter een winkel en restaurant. Het is er goed toeven, zo te zien. Bordjes wijzen ons naar de route die we hebben uitgekozen, langs grazige alpenweides en beboste hellingen. Zo steil is het hier niet, zo is het goed te doen. Het pad voert naar beneden, langs een speeltuintje met ligbanken met uitzicht over de bergen. Uren kan ik er naar kijken!

De weg voert verder, langs een boerderij. Op een helling, langs het pad, is een boer bezig met hooien. Als we de bocht omgaan, zie ik hem in de verte opdoemen. Een steile, hoge berg. Met hellingen die loodrecht omhoog lijken te gaan. Hoog torent de berg uit boven de omgeving. De Reither Kogel heet de berg officieel. Mount Doom zou een betere naam zijn!

Tegen beter weten in hoop ik dat we deze berg niet hoeven te beklimmen, dat de route vóór Mount Doom afbuigt. Hoe dichterbij we komen, hoe hoger de berg lijkt te worden. Dan komen we bij een smal pad, dat zich slingerend om de berg kronkelt. De wegwijzer velt het vonnis: we gaan linksaf, Mount Doom op.

Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd, en neem nog een slok water. Zijn het ogen die in mijn rug branden, of is het de zon? Het zal mijn verbeelding zijn. Ongetwijfeld is het dezelfde verbeelding die denkt dat de berg me uitlacht, me uitdaagt. Kom maar op!

Stap voor stap gaan we omhoog, het lijkt eindeloos te duren. Mijn ademhaling gaat steeds zwaarder, ik lijk wel een zwaar astmatische bergbok. Regelmatig stop ik even, om bij te komen. Bij iedere bocht kijk ik smekend omhoog, dat dit de laatste mag zijn! Iedere keer zinkt de moed in mijn schoenen, samen met het zweet, het bloed en de tranen, als blijkt dat mijn lijdensweg nog niet ten einde is.

Dan ineens is het zover: we hebben de top bereikt! Ik zijg neer op het dichtstbijzijnde bankje, reikhalzend uitkijkend naar die zuurstoffles die ik zo hard nodig heb. Nergens te bekennen! Een klein, select gezelschap van waaghalzen en sportievelingen heeft zich hier verzameld, om uit te hijgen, te lunchen en te genieten van het uitzicht.

Als ik weer bij mijn positieven ben, zie ik het ook. Het is adembenemend, net als de beklimming. Het is de moeite waard!

Als we weer afdalen naar de bewoonde wereld, voel ik niet langer vermoeidheid of ademnood, maar trots en voldoening. Geen berg gaat ons te hoog!

Ganzenboom

Met een rugtas vol boodschappen, en een tas in de hand loop ik naar buiten, op weg naar huis. Ik zie een man zwalken op de fiets, alsof hij niet weet welke kant hij op wil. ‘Heb je dat gezien?’ vraagt de man. ‘Er zit een gans in die boom!’

Een stuk verderop, aan de overkant van de straat, staat een hoge naaldboom. Tot mijn niet geringe verbazing zie ik inderdaad een gans zitten, bovenin de boom. Totaal op zijn gemak, rustig in zichzelf gakkend.

‘Dat kan helemaal niet, daar hebben ganzen toch geen geschikte poten voor?’ vraagt de man. Ganzen hebben zwemvliezen, inderdaad niet echt geschikt voor dergelijke acrobatiek.

Deze gans trekt zich duidelijk niets aan van conventie of traditie. Hij heeft lak aan de natuurwetten. ‘Dit lijkt me wel een fijn plekje, hier strijk ik eens neer’, zal hij gedacht hebben.

Ik ben een kind van de tijd, ik pak meteen mijn mobiel erbij om een foto te maken. Zo’n moment moet je vastleggen, én delen op Facebook. Anders gelooft niemand je, zelf geloof je het op een gegeven moment ook niet meer, jaren later. Nu heb ik bewijs!

Even later hoor ik nog meer gegak. Door de lens van de camera zie ik nóg een gans aan komen vliegen. Het werkt kennelijk aanstekelijk! Kennelijk dacht gans nr. 2 ‘Dat ziet er leuk uit, ikke ook!’ Sierlijk landt gans nr. 2 naast zijn vriend/vriendin, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Ik weet niet of het een paartje is, meneer en mevrouw De Gans. Misschien ben ik getuige van het ontstaan van een nieuwe soort, de boomgans. Misschien gaan de twee een nest bouwen, planten ze zich voort, daar hoog in de boom. Misschien is het evolutie in actie!

Met een combinatie van verwondering en ongeloof kijk ik naar de ganzenboom. Het is alsof ze de zwaartekracht trotseren.

Dan denk je alles gezien te hebben. Dan denk je dat niets je nog kan verrassen, verwonderen of verbazen. Dan denk je alles te weten.

Niet dus! Het is een fascinerend schouwspel, ik kan wel blijven kijken. Maar de boodschappen beginnen zwaar te wegen, met enige tegenzin begeef ik me huiswaarts.

Zullen de ganzen werkelijk een nest bouwen? Zijn ze inderdaad boomganzen geworden? Een dag later fiets ik nieuwsgierig langs de boom, benieuwd of ik ze nog zie. Geen ganzen te bekennen, ook de dagen daarna niet. Iedere keer als ik langs de boom kom, kijk ik hoopvol. Tot de dag dat het wonder nogmaals geschiedt!

Voor mij blijft deze boom voor alle eeuwigheid de ganzenboom.

Vol verwachting

Vol verwachting klopt mijn hart. Mijn hand trilt lichtjes als ik de telefoon pak. Zou het eindelijk zover zijn? Is dit het moment waar ik op heb gewacht?

Zou ik nu wel mijn pen in vitriool kunnen dopen? Zou ik nu wel eens lekker los kunnen gaan? Zou dit mijn kans zijn om de ultieme, van satire druipende, lifestyle bepalende column te schrijven?

Is dit mijn Buckler-moment?

Even schoot een zwarte gedachte door mijn hoofd. Het zal me toch niet weer op het laatste moment uit de handen glippen? Heb ik iets over het hoofd gezien?

Nee, volgens mij niet. De afstandsbediening heeft echt kuren. Soms reageert het kreng zo traag, het lijkt wel of hij aan vakantie toe is. Reden genoeg om de klantenservice van KPN, onze provider maar eens te bellen!

Wie zou ik aan de lijn krijgen? Hopelijk is hij/zij flink chagrijnig, en word ik van het kastje naar de muur gestuurd. Dat is gelukkig niet zo ver, in onze huiskamer. Pen en papier klaar, telefoon in de hand. Ik ben er klaar voor!

Binnen twee seconden is alle hoop de grond ingeboord. Een uiterst vriendelijke jongeman staat me te woord. Eén voor één gaan we de mogelijke oorzaken af. Uiteindelijk vraagt de jongeman of ik het ontvangstkastje even uit- en aan wil zetten.

‘De knop zit achter op het kastje’ helpt hij me op weg. Ik trek het kastje na voren, wat enig krachtsvertoon vergt. Nada! ‘Dan stuur ik een nieuwe afstandsbediening!’ besluit de jongeman. Binnen een dag of twee zullen we hem ontvangen.

Dezelfde avond zet ik de tv aan. ‘Geen videosignaal’, bijt de tv me toe. Hoezo niet? Er is toch niets veranderd? Het kastje staat aan, ik kan het groene lampje zien. Wat ik ook probeer, tv uit, tv aan, een andere HDMI poort selecteren, niets helpt.

Aha! Een nieuwe kans? Het zal toch niet…

Wéér klopt mijn hart vol verwachting. Wéér trilt mijn hand! Wéér dep ik handen en voorhoofd droog.

En weer slaat de twijfel toe. Zal ik nu wel iemand treffen die me eens lekker afblaft? Nee hoor. Een vriendelijke jongedame. Geduldig, vriendelijk en behulpzaam. Getver!

Wéér gingen we alle mogelijkheden af. ‘Hebt u al geprobeerd een andere poort te selecteren?’ Zeker! ‘Zit de kabel er wel goed in?’

Ik moet bekennen dat het achter ons tv meubel een wirwar aan kabels en draden is. Welke kabel bij welk apparaat hoort, en waar ze naar toe gaan, is niet te ontwarren. Ik meen het bewuste kabeltje gevonden te hebben, dat blijkt naar het stopcontact te gaan. Het andere is de internetkabel.

Twee kabels? Volgens de jongedame moeten het er drie zijn. Ik voel de bui al hangen. Voorzichtig trek ik het ontvangstkastje naar voren en ja hoor, daar zie ik de schuldige! De HDMI kabel, die ik eerder op de dag los had getrokken toen ik de ontvanger uit- en aan zette.

Juist ja. Mijn eigen glazen ingegooid.

De volgende dag kwam de nieuwe afstandsbediening, zoals beloofd. Hij werkt prima, ik kan wel een kanaal kiezen, maar niet de tv aan- of uitzetten of het geluid harder of zachter zetten. Voor ik de telefoon weer zou pakken, kijk ik op de gebruiksaanwijzing. Nu doet-ie het wel. Weer een kans voorbij.

Het zal wel even duren, voor mijn hart weer vol verwachting kan kloppen. Ik gok op 5 december.

Show me the money!

‘Show me the money!’ schreeuwt Rod Tidwell door de telefoon naar de hoofdpersoon van de film ‘Jerry Maguire’, zijn manager.

‘Show me the money!’ had de kassajuffrouw in de supermarkt tegen mij kunnen roepen, terwijl ik met zweterige vingers wanhopig probeerde mijn bankpasje in het daartoe bestemde gleufje van de betaalautomaat te stoppen. Het luistert nauw, het past precies. Als je het goed doet, tenminste.

Het was al eerder gebeurd, dat mijn pasje werd geweigerd. Als je te snel bent, werkt het niet. Zachtjes en teder, en met veel gevoel schuif ik het pasje in de automaat. Stik! Weer geweigerd!

Ik voel de ogen van de mensen achter me in mijn rug prikken. Ik durf niet te kijken, om te vermijden dat ik het ongeduld en onbegrip in hun ogen zie. ‘Je weet toch wel hoe je je bankpas in een betaalautomaat stopt?’ Ja, dat dacht ik van wel.

Hoe voorzichtig ik ook probeer, hoe zacht en teder ook, steeds volgt een afwijzing. ‘Onbekende pas’, gevolgd door ‘Magneetstrip lezen’.

Ah, magneetstrips. Het is iets uit lang vervlogen tijden, dat je je bankpas langs een magneetstriplezer moest halen. Deze betaalautomaat heeft niet eens zo’n lezer, volgens mij. Jammer!

Swipen dan? Noem mij maar ouderwets, het idee dat er geld van mijn rekening gehaald kan worden zonder dat ik een code of wachtwoord in kan voeren, gaat mij te ver. Ik doe mijn best, ik heb een mobiele telefoon waar je meer mee kan dan alleen bellen en sms’en, ik zit op Facebook, Instagram en Whatsapp er op los, maar er zijn grenzen.

De kassajuffrouw, moe van mijn vergeefse pogingen, neemt het over. Hoe ze ook probeert, hard of zacht, snel of langzaam, ruw of teder, het helpt niet. En nu?

Ik word naar een andere kassa gedirigeerd, ver weg van de drukte, starende blikken vol medelijden of ongeduld volgen me. Een andere kassajuffrouw, hetzelfde resultaat. Niks! Nada! Noppes!

Daar sta je dan. Tassen vol met boodschappen, klaar om mee naar huis te nemen. Die krijg je niet zomaar mee. Er zit niets anders op dan even naar huis te gaan om mijn portemonnee te halen. Die had ik niet bij me, aan mijn bankpasje had ik toch genoeg? Als-ie het doet wel, ja.

Snel loop ik naar huis, met lege handen. Met een goedgevulde portemonnee kom ik weer terug.

Nog één laatste poging, als ik weer terug ben in de supermarkt. Nee hoor, de automaat blijft halsstarrig bij zijn weigering. Het leven van een columnist gaat niet over rozen.

Ik reken af, contant. Er was een tijd, nog niet eens zo lang geleden, dat dat doodnormaal was. Nu voelt het vreemd, alsof ik iets van mezelf afsta. Alsof het nu ineens geld kost, nu je het ziet in plaats van een anonieme, onzichtbare afschrijving. Anoniem en onzichtbaar, tot je je afschrift controleert. Online, vanzelfsprekend.

‘Show me the money!’ Nou, dat heb ik dus gedaan.

Langzaamheidsmaniak

Eens in de zoveel tijd ga ik naar Veldhoven. Eerst een stukje A50, dan verder via de N2, parallel aan de immer drukke A2. Twee snelwegen, die zich een tijdlang gezamenlijk rond Eindhoven door het landschap kronkelen. Met één onderscheid: op de een mag je 120 km per uur, op de ander 80.

Het is nogal verleidelijk om zelf ook het gaspedaal in te trappen, als je op de weg naast je iedereen voort ziet razen. Menigeen doet dat dan ook, de auto’s razen me links en soms ook rechts voorbij, als een rijstrook zich bij de onze voegt. Verwonderd kijk ik naar de auto’s die me voorbijrazen. Ik rij braaf 80, het is wel relaxt rijden zo. Ik heb alle tijd, ik wil me vooral niet op laten jagen!

Het gaat wel een beetje knagen bij me. Ik weet hoe lekker het is, om het gaspedaal eens flink in te trappen. Ook ik verander van Dr. Jekyll in Mr. Hyde zodra ik de auto instap, ik wil ook zo snel mogelijk van A naar B.

Die verandering in me verbaast me, normaal gesproken ben ik juist het toonbeeld van rust en kalmte. Geen onvertogen woord komt over mijn lippen, ik ben de vriendelijkheid zelve. Totdat ik in de auto stap, en de automobilist voor me minder haast heeft dan ik. Wat maakt het uit dat hij of zij niet de maximum snelheid rijdt? Het is niet alsof het de voorgeschreven snelheid is. Waarom laat ik me zo opjagen?

Ik geef toe, als ik als eerste wegrijd bij een stoplicht geeft dat wel een kick. Als ik een bocht neem op volle snelheid, eveneens. Om het landschap als een soort groene flits aan je voorbij te zien trekken, heeft wel wat. Maar dat gejakker en gestres… ik ben het wel beu.

Het geeft rust, om rustig achter een vrachtwagen of auto aan te tuffen. Tijd om een liedje te zingen (of te fluiten, als ik de tekst niet weet). Tijd om over mijn zonden na te denken, alhoewel? Zoveel tijd heb ik ook weer niet.

Daarom probeer ik ook in de auto rustig te blijven, op tijd te vertrekken zodat ik niet hóéf te haasten, en me netjes aan de maximumsnelheid te houden. Het geeft me rust, het geeft me de gelegenheid met verwondering naar de andere weggebruikers te kijken, die wél een ongelooflijke haast lijken te hebben.

 

Het grappige is, dat de tijdwinst door hard te rijden minimaal is, op korte afstanden tenminste. Ook op langere afstanden kun je je afvragen of het iets oplevert. Maar daar gaat het helemaal niet om. Of het nu de rebel is, die zich niet aan de regels wil houden, of de snelheidsmaniak die gewoon zo hard mogelijk wil rijden, het gaspedaal moet ingetrapt worden.

De weg leent zich er ook voor. Hij ziet er niet anders uit dan de snelweg, en de scheurneuzen doen er toch niemand kwaad mee? Met de vlam in de pijp scheuren ze door de Brennerpas.

De verleiding is er, om ook een snelheidsmaniak te zijn. De verleiding is groot. Maar nee, ik blijf lekker een langzaamheidsmaniak!

Hongerige ogen

Ritmisch en gestaag beuken de golven op de rotsen. Het lijkt bijna een liefkozing, zij het een hardhandige. Alsof de zee wil laten zien aan het land wie de baas is.

Er is geen ontsnapping voor de rotsen, gelaten ondergaan ze hun lot. Langzaam afbrokkelend, tot er niets meer van over is. Niets meer dan zand, aangespoeld op het strand.

Golf na golf rolt het strand op. Net als de ene golf terug wil keren naar de zee, komt de volgende er al aan. Ongedurig, ongeduldig en onstuitbaar.

Verderop is het kalm, op de open zee. Op het strand is het rustig, hier en daar zaten wat mensen. Even verderop oefende een jongleur, om klaar te zijn voor de zomer. We zochten en vonden een mooi plekje om te lunchen, met uitzicht op zee. Gratis en voor niets!

Ik pakte mijn lunch box, en pakte één van mijn zelf gesmeerde broodjes. Ik voelde twee paar hongerige ogen, gebiologeerd starend naar mijn broodje. Ik voelde de twijfel, ‘zal ik dichterbij gaan, of niet?’ Hij wilde dolgraag het broodje uit mijn handen grissen, maar miste het lef om het daadwerkelijk te doen. Of misschien was hij niet hongerig genoeg.

Ik liet me niet van de wijs brengen. Hap na hap verdween het broodje in mijn mond, op weg naar mijn maag. Het was lekker brood, ik was zelf zo mogelijk nóg hongeriger, en niet bepaald van plan te delen.

Eerst waren ze met z’n tweeën, zijn maat gaf het al snel op. Die had in de gaten dat er niets te halen viel! Maar hij liet zich niet van de wijs brengen. Zijn blik blééf gefixeerd op mijn broodje, ook toen de laatste hap in mijn keel verdween.

Na een slok water om het broodje weg te spoelen, pakte ik het tweede broodje. Mmm, net zo lekker. Vers brood, krakelend iedere keer als ik kauwde. De smaak van het brood, de boter en de gerookte Spaanse ham vermengden zich in mijn mond, mijn smaakpapillen kietelend.

De hongerige ogen bleven me aanstaren. Bijna wanhopig, nu ook dit tweede broodje dat zo overduidelijk heerlijk smaakte aan zijn neus voorbij dreigde te gaan.

Niet dat ik een sadist ben, die plezier beleeft aan het lijden van een ander levend wezen. Integendeel! Ik had het harder nodig dan hij, hij kon makkelijk elders aan de kost komen, zónder te schooien.

Uiteindelijk gaf hij het op. Uiteindelijk zag hij in, dat hier niets te halen viel. Uiteindelijk besefte hij, dat ik niet zou delen met hem.

Na een laatste, verontwaardigde blik ontvouwde hij zijn vleugels, en vloog weg.

Vakantiemijmeringen

De strakblauwe lucht. De zingende vogels, verborgen in het struikgewas. De blauwe ekster, huppelend op het gras voor ons huisje.

De meeuwen, zittend op de oranjebruine daken, soms alleen, soms met een groepje. Eerst gooide de ene zijn kop in zijn nek, om uit te barsten in ‘gelach’, al gauw gevolgd door de rest.
Schijnbaar moeiteloos zwevend de meeuwen door de lucht, gedragen door hun lange, smalle vleugels.

De witgepleisterde vakantiehuisjes, met hun typische Moorse schoorstenen, soms wel een half dozijn per huisje.

De weldadige warme zonnestralen op mijn gezicht. Is het schijn, of is de zon hier echt warmer dan thuis?

De warmte en vriendelijkheid van de lokale mensen. Het heerlijke eten, dat rechtstreeks uit de zee lijkt te komen.

De hoge, steile en adembenemend mooie kliffen. De ‘verborgen’ baaien, geteisterd door ogenschijnlijk zacht rollende golven, die steeds verder het strand op kruipen. Soms zwellen de golven tot grote hoogte, om met een rollende donder tegen de rotsen omhoog te beuken.

De golven, die soms over elkaar struikelden in hun gretigheid om het strand te bereiken. De rotsen, die de liefkozing van de zee lijdzaam ondergaan, een liefkozing die ze niet kunnen ontwijken.

De rotsen, kaal en roestbruin, leven en warmte ademend. De kliffen, goudgeel glinsterend in de zon.

De groene bergen verder landinwaarts, met hun Kurkeiken bossen en Eucalyptussen, reikend tot aan de hemel.

De citrusbomen, een erfenis van de Moren, geurig en groen, een sieraad op de hellingen.

De ooievaars, in hun nest gebouwd op schoorstenen van verlaten en vervallen huizen, klepperend in een innige omhalzing.

De toeristen, hevig afstekend tegen de lokale bevolking, met hun korte mouwen en dito broeken. Ze waren niet groot in aantal, maar wel overduidelijk aanwezig.

De Chinezen, met hun fototoestellen om de nek, ‘made in China’ vanzelfsprekend, overal tussendoor banjerend, zonder op of om te kijken.

Het haveloze, verwaarloosde hotel, met enkele kamers bezet door krakers, op gepaste afstand van het strand.

De vele gesloten restaurantjes, ongeduldig wachtend op de zomer en de echte, grote stroom toeristen.

Het enkele, verdwaalde wolkje dat dacht dat het in Nederland was, om al snel weg te smelten onder de stralen van de genadeloze zon.

De kille, zouteloze torenflats in het naburige plaatsje, die als de zon onderging plots goudgeel oplichtten, verbijsterend mooi.

De zon, glinsterend op het water van de Atlantische Oceaan, als sparkelende diamanten. Om aan het eind van de dag langzaam maar onvermijdelijk in de zee weg te zinken, in een regenboog van kleur die van zachtroze in goudgeel en tenslotte oranje overgaat.

Van dit alles hebben we een week mogen genieten, intens genieten. Nu zijn we weer terug, in het koude Nederland.

Ik zou zó weer terug kunnen gaan!

Luke Skywalker

‘Met wie heb je afgesproken?’ vroeg zijn zoon. ‘Met Luc’, antwoordde José. ‘O, met Luke Skywalker!’ zei zijn zoon. ‘Luke Skywalker? Hoe kom je daarbij?’ vroeg José. ‘Dat is de enige ‘Luke’ die ik ken’, antwoordde zijn zoon.

Luke Skywalker, ik ben wel voor ergere dingen uitgemaakt. Ik vind het een mooi verhaal, een voorbeeld van totaal anders kinderen kunnen denken. Dat vrije, die fantasie, héérlijk! Soms komen ze tot verrassende, originele conclusies. Zij het in dit geval een onjuiste, helaas.

Het was een tijd geleden dat José en ik elkaar gesproken hadden. José is een oud-collega, waar ik regelmatig contact mee heb. We zijn het stadium van oud-collega’s voorbij, we zijn vrienden geworden. Vrienden die elkaar niet om de haverklap zien, maar als je echte vrienden bent, hoeft dat ook niet. Het gaat om kwaliteit, niet om kwantiteit. Zowel als het gaat over hoe vaak je elkaar ziet, als over het aantal goede vrienden dat je hebt.

José vertelde het verhaal van een goede vriend uit Portugal, waar José vandaan komt. Ze kennen elkaar al vanuit hun vroege jeugd, door omstandigheden is het een paar keer voorgekomen dat ze elkaar voor langere tijd uit het oog verloren. Zodra het contact weer hersteld was, was het als vanouds. Alsof ze elkaar gisteren voor het laatst gezien hadden. Ware vriendschap kent geen tijd.

Zo is het ook voor ons. Anderhalf jaar geleden was het, dat we elkaar voor het laatst gezien hadden. Dan heb je aardig wat te bespreken! Zoals mijn carrièreswitch, José had ook het nodige meegemaakt. Tijdens een vakantie verdraaide hij zijn knie, daar was hij maanden zoet mee. Na een week vroeg hij of hij vanuit huis mocht werken, als je alleen maar stil op de bank kunt liggen, kun je net zo goed wat om handen hebben.

Daarnaast heeft hij een eigen bedrijf, dat databases ontwikkelt. Voor mij een ingewikkelde materie, die mijn verstand te boven gaat. Ik hou het bij pen en papier. Ouderwets? Welnee, traditioneel!

Het is wonderlijk, hoe vertrouwd het voelde, ondanks de verstreken tijd. Fijn ook om met een gelijkgestemde te spreken, al is dat niet het allerbelangrijkste. Of je het met elkaar eens bent of niet, het gaat erom dat je een raakvlak hebt. Het gaat er vooral om dat je elkaar respecteert. Zoals José en zijn (tweede) vrouw, zij is katholiek, hij niet gelovig. Het is voor beiden een non-issue, omdat ze elkaars ideeën respecteren en elkaar daarin de ruimte geven.

De tijd vloog voorbij, voor we het wisten was het laat. We namen hartelijk afscheid, we spraken af de volgende keer onze vrouwen (en zijn zoon) mee te nemen. Dan ken je elkaar al jaren, maar elkaars gezin heb je nog nooit ontmoet. Daar gaan we wat aan doen!

Ik hoop dat zijn zoon er naar uit zal kijken om Luke Skywalker te ontmoeten.

Spring naar toolbar