Rijlessen: droom of nachtmerrie?

Autorijden, voor de een is het een droom waar hij of zij van jongs af aan van droomde. Voor de ander is het niets minder dan een nachtmerrie.

Zelf hield ik me er in mijn jonge jaren niet zo mee bezig, tot mijn schoonzus op de 50e verjaardag van mijn moeder vroeg wanneer ik met rijlessen ging beginnen? Zo gezegd, zo gedaan. Een rij instructeur was gauw gevonden, de schoonvader van haar oudste zus had een rijschool.

Menig peentje heb ik gezweet, met klamme handen nam ik plaats achter het stuur. Hoe ik het voor elkaar kreeg, weet ik niet, maar ik worstelde me door de rijlessen. Het scheelt wel als er iemand naast je zit die in geval van nood letterlijk op de rem kan trappen.

De rijlessen alleen al waren een marteling, ik kon me niet voorstellen dat ik ooit wijs zou kunnen uit alle prikkels die je in het verkeer krijgt, en er heelhuids doorheen te komen. Invoegen op de snelweg, met al die auto’s die in volle vaart langs je heen scheren.

Dan praat ik over begin jaren ’90. Toen was het verkeer toch minder en reed men netter dan nu. Of beeld ik me dat in?

Op een gegeven moment was het zover: ik mocht op voor het rijexamen. Stijf van de zenuwen stond ik, dankzij kalmerende middelen (lees: valeriaan) heb ik het examen doorstaan. En niet één keer, maar drie. Dat ik niet echt denderend reed, met of zonder de valeriaan, wist ik ook wel. Echt grote fouten maakte ik niet, voor zover ik me kan herinneren, maar slagen deed ik niet. De derde keer, echt scheepsrecht in mijn geval, slaagde ik wèl. Hoewel ik niet anders reed, laat staan beter. Het verschil? Een vrouw als examinator? Ik weet het niet. Blij was ik in elk geval wel!

De eerste keer dat ik autoreed na het behalen van mijn rijbewijs was niet bepaald een succes. In de auto Fiat Panda van mijn moeder, met een versnellingspook die moeizaam schakelde, het was een ervaring. De koppeling werkt ook anders in een benzinemotor, als je een dieselmotor gewend bent. Maar, we bereikten onze bestemming en keerden heelhuids terug!

Echt autorijden leer je pas als je zelfstandig en regelmatig deelneemt aan het verkeer. Een aantal jaren later, in het bezit van mijn eerste eigen auto, leerde ik pas echt autorijden. Nu zonder gierende zenuwen, zonder klamme handen. En gelukkig, een enkel incident daar gelaten, ook zonder brokken.

Misschien was het allemaal anders verlopen, was het veel minder traumatisch geweest, als ik rijles Tiel had kunnen kiezen. Een goede rijschool, met goede begeleiding, dat maakt alle verschil. Leren autorijden is al lastig genoeg, ook al ben je een natuurtalent.

Uiteindelijk is het allemaal goed gekomen.

Avondwandeling

Welke gek gaat er ’s avonds naar buiten? Het is donker, zeker ’s winters is het koud. Het waait, als je een beetje pech hebt regent het ook nog. Met zulk onguur weer kun je alleen maar ongure types tegenkomen.

Wie gaat er dan naar buiten? Schrijvers, wanhopig op zoek naar inspiratie? Tot waanzin gedreven door writer’s block?

Het zijn vooral hondenliefhebbers en hun huisdier(en). Die moeten elke dag naar buiten, weer of geen weer. Tot ze het beestje kunnen leren op de pot te gaan.

Voor de lol doe je het niet, lopen langs gesloten gordijnen. Gordijnen die de warmte binnen houden, de kou en de buitenwereld worden buiten gesloten. Je hebt geen idee wat er zich achter die gordijnen afspeelt!

Niet iedereen doet de gordijnen dicht, soms kun je een blik werpen in andermans huis, in andermans wereld. Het is op de een of andere manier onweerstaanbaar, telkens kijk ik nieuwsgierig hoe het er bij deze mensen uitziet. Reikhalzend strek ik mijn nek uit, om zoveel mogelijk te zien. ‘Hmmm, die hebben een grote tv!’ Om jaloers van te worden…

Soms vangt iets mijn blik, ik kijk nog eens om. Een steentjesmuur, dat zie je tegenwoordig niet meer zoveel. Of wel? Ik zou het niet weten. Een lamp, een vaas, anders dan anders. Anders dan ik gewend ben, in elk geval. Smaken verschillen, zoveel is zeker!

De een sluit pottenkijkers zoals ik buiten, de ander lijkt ze te verwelkomen. Bij de meeste mensen met open gordijnen staat de tv aan, we kunnen niet meer zonder. Er is een enorme verscheidenheid, aan interieur én aan vitrage. Van klassiek tot modern, soms naast elkaar.

Een flard conversatie komt aangewaaid, vanuit het niets. Twee mensen komen om de hoek, ook aan de wandel. Verderop loopt een echtpaar, een hond sjokt achter hen aan, een stok in zijn bek en een lichtje aan zijn halsband. Het lichtje bengelt op en neer met elke stap, het is bijna hypnotiserend. Niet iedereen is met de hond(en) aan de wandel, al geldt dat wel voor de meesten.

Het heeft ook voordelen, zo’n avondwandeling. Het is lekker rustig, afgezien van hondenliefhebbers. Al heb je geen last van die honden, zolang ze aangelijnd zijn. Het heeft ook nadelen. Drempels, of opstaande stoeptegels of straatstenen, verborgen door het duister. Pijnlijk voor mijn grote teen, nog pijnlijker voor mijn ego. Gelukkig heeft niemand het gezien, of mijn onkuise taal gehoord.

Weer of geen weer, ik ga ’s avonds naar buiten. Tenzij het echt pijpenstelen regent. Daar helpt geen paraplu aan!

Vertekend beeld

Vertekend beeld

Het was een mooie zomeravond, één van de vele van een zomer waar geen eind aan leek te komen. Ik besloot een avondwandeling te maken, nu de hitte van de dag wat gezakt was.

Het was een genot te wandelen in de zwoele avondlucht, die mijn armen en benen zachtjes streelde.

Tot ik langs een huis liep, en mijn weerspiegeling zag in het raam. Een enigszins gebogen lopende, kalende oude man, met een aardig buikje. Quasimodo op leeftijd, zeg maar.

Ik rechtte mijn schouders, in de ijdele hoop dat het iets uit zou maken. Vol verwachting keek ik naar mijn weerspiegeling in het volgende raam.

Helaas, pindakaas. Het resultaat was niet veel beter. Is dit wat er van mij geworden is? Als ik het zo bekijk, heb ik een aardige ‘airbag’, een flink stootkussen.

Dat ik niet de slankste ben, weet ik wel. Cola en chips, dat zijn niet bepaald vrienden als het gaat om je gewicht. In elk geval niet vrienden die goed voor je zijn, hoe heerlijk het samenzijn ook moge lijken.

Als ik naar beneden kijk, lijkt het best mee te vallen. Ik kan mijn tenen nog zien, al hangt het gereedschap wel onder een afdakje. Lekker droog, dus.

Is dat wie ik nu ben? Een ouder wordende man, met een steeds verder uitdijend buikje? Niet dat ik de enige ben, maar toch.

Zit ergens in mij nog die slanke man verborgen, die ik ooit was? Is dat wie ik verwacht te zien in de spiegel?

Mijn weegschaal en ik, we zijn geen vrienden. Dat is u wellicht bekend. Als het al een probleem is, ligt dat bij mij, niet bij mijn weegschaal.

Het lijkt een vertekend beeld, maar wat is er dan vertekend? Het spiegelbeeld dat ik zie, of het spiegelbeeld dat ik zou willen of verwacht te zien?

Het is verleidelijk vast te houden aan het ideaalbeeld dat ik van mezelf heb. Van het goddelijke lichaam, de strakke buik, spierballen en volle bos haar die ik had toen ik pakweg 25 was.

De realiteit is dat ik allang geen 25 meer ben, dat die spierballen er nooit geweest zijn, het haar grotendeels is ‘verdwenen’ (‘gone with the wind’, als het ware) en dat die buik er wél is.

Als het beeld in de spiegel niet vertekend is, maar de realiteit weergeeft, is het de kunst om dat te accepteren. Of er iets aan te doen.

Al is wat realiteit is ook een rekbaar begrip. Het kan zo maar zijn dat je een vertekend beeld van de realiteit hebt, of dat anderen dat hebben. Dat kan ook.

Een vertekend beeld als alternatieve waarheid, zonder dat je het in de gaten hebt.

Muziektempel

Het was een drukte van belang, in de Muziektempel. Hulpvaardige dames stonden klaar bij de ingang, om iedereen de juiste kant op te sturen. Door een massa mensen vocht ik me naar de garderobe, om de jassen die we eigenlijk niet nodig hadden op deze zomerse lente avond af te geven.

Langs brede trappen begaven we ons naar boven, eerst moesten onze toegangsbewijzen gescand worden. De zaal is nog niet open, we bestellen wat te drinken en gaan even zitten, naast andere belangstellenden die op het concert afgekomen zijn. Het is een zeer divers gezelschap, de meesten al wat ouder. Nette, ‘burgerlijke’ types naast ‘rauwere’ mensen. Vrouwen met de broek aan, of met een rok. Mannen met een colbertjasje aan, of in voerhemd met korte mouwen. Hoe verschillend ze ook zijn, ze hebben toch iets gemeenschappelijks.

Het is bijna tijd, we zoeken onze plaatsen op. Het is een heel gezoek, sommigen zwerven de hele zaal door om uiteindelijk te ontdekken dat hun plaatsen zijn waar ze begonnen te zoeken. Voor ons was de zoektocht snel voorbij, een steile trap op, een ware uitdaging als je minder goed ter been bent, de tweede rij meteen vooraan. Dat viel mee!

Ik kijk naar het podium, in de verte. Ik neem de zaal in me op, ik voel me een beetje verloren, een anoniem stipje, zo groot is het. Langzaam maar zeker stroomt de zaal vol, ik ben in elk geval niet de enige!

Dan begint het, een muzikale reis door tijd en ruimte. Van Palermo op Sicilië tot het jaar 1982, het jaar dat het antwoord al werd gevonden. Afwisselend werd nieuw en oud materiaal gespeeld, een feest van herkenning voor een oudere jongere zoals ik. Een paar liedjes worden alleen met de piano begeleid, in een intieme setting. Ondanks de volle zaal klinkt het liedje echt voor jou alleen.

Met verwondering kijk ik naar de muzikanten. Hoe ze door gitaar of bas op een bepaalde manier aan te raken de meest wonderlijke, prachtige geluiden kunnen produceren. Het lijkt wel magie!

Dan weer rustig, als het rustgevende geluid van een muzikaal kabbelende beek, dan weer opzwepend als een woest kolkende, onweerstaanbaar en snel stromende rivier, klinkt de muziek in de zaal.

Het was een weergaloze ervaring. Zeg me dat het niet zo is, zeg me dat het niet waar is. Zeg me dat je gewoon verder speelt, Frank Boeijen, ook als het niet waar is.

Blij en vervuld van muziek, ging iedereen huiswaarts in de zwoele nacht.

De hemel huilt ook

‘De hemel huilt ook’, zei ik tegen mijn vrouw, als we net in de auto zitten. Het gaat steeds harder regenen, eenmaal op weg. Het weer als spiegel van mijn gemoed, het kan verkeren. Het is bewolkt, grijs en bedrukt, net als ik.

We zijn op weg naar Breda, mijn voormalig thuis. Normaal gesproken verheug ik me op het weerzien, dit keer is het anders. Het is geen vrolijke reden waarvoor we naar de parel van het zuiden gaan. Integendeel.

We zijn op weg naar Frank. Alweer. Net nu het lijkt alsof zijn lijdensweg ten einde is, net nu hij op het punt staat zijn leven weer op te pakken, juist op dat moment slaat het noodlot toe. Weer. De ziekte met de grote K, die als een sluipmoordenaar toeslaat, heeft hem weer te pakken. Eerst in zijn longen, nu in zijn hersenen. Geen kans op genezing, luidt het doodvonnis. En dat hoewel Frank volkomen onschuldig is.

De heenreis kan me niet lang genoeg duren. Alsof het onvermijdelijke, waar ik niet aan wil denken, uitgesteld kan worden.

Veel te snel komt de afslag in zicht, veel te snel vinden we de parkeergarage. € 0,50 per 16 minuten, het ziekenhuis moet de kosten voor deze spiksplinternieuwe garage terugverdienen, lijkt het.

Ik ken het ziekenhuis, in de tijd dat ik me nog Bredanaar mocht noemen was het al een gezondheidsfabriek. Nu het uitgebreid wordt, wordt het alleen maar erger. Een doolhof van gangen en kamers, waar je zomaar kunt verdwijnen. Gelukkig hebben we een routebeschrijving, langs vele gangen met witte muren gaan we, tot we er zijn.

Vrolijk zwaait Frank naar ons, terwijl hij nog in gesprek is met een verpleegster. Het is onwezenlijk, als we even later bij hem zitten in zijn kamer. Achter hem zie ik een paar bomen en struiken, ze zien er dor uit, het leven er uit geperst. Hoe symbolisch.

Hij ziet er vreemd genoeg goed uit, zittend in zijn rolstoel, met een pyjama en vrolijke sokken aan. Dan weer tilt hij zijn ene been op, dan weer het andere.

Het is een gesprek met een traan en een lach. ‘Het is bizar’, zegt Frank, ‘Iedere keer als ik iemand zie, vraag ik me na afloop af of het de laatste keer is geweest dat we elkaar zien’.

Zijn woorden echoën de mijne. ‘Het voelt alsof ik onderuit geschoffeld wordt, met de finish in zicht’. Precies wat ik ook dacht, op de heenweg. Kwaad is hij niet, eerder teleurgesteld. Nee, eerlijk is het niet, wat hem overkomt.

Maar, zegt Frank: ‘Ik heb een vol leven geleid. Er zijn geen openstaande zaken, geen dingen die ik nog had willen zien of doen. Ik heb er vrede mee’.

Dat geeft ons ook vrede, al blijft het zwaar, voor iedereen. Eén ding heeft het me wel geleerd: koester wat dierbaar voor je is, waar je van houdt. Zeg tegen je dierbaren dat je van ze houdt, al lijkt het nog zo vanzelfsprekend. Koester het nu, in dit aardse leven, koester het in alle eeuwigheid.

In het water

Daar lag ik dan. Met mijn achterste in het water, mijn ene schoen halfdroog, de andere schepte water bij het leven. Is mijn verjaardag in het water gevallen?

Vijf seconden daarvoor aarzelde ik nog. Ik stond stevig op twee stenen, midden in een ondiepe maar ijskoude beek. De afstand naar de volgende steen, met daarachter de droge oever, leek onoverbrugbaar.

Mijn lichaam schreeuwde: ‘Niet doen!’. Ik voelde een soort angst, ondanks het feit dat ik niet in een diepe afgrond dreigde te storten. Mijn hoofd zei: ‘Toe maar, je kunt het!’ Aarzelend zette ik de stap was het de aarzeling, de twijfel die gonsde in mijn achterhoofd, waardoor het fout ging?

Wat het ook was, op het moment dat ik de stap zette, gleed mijn rechtervoet van de gladde rots, mijn lichaam helde naar rechts en tegelijk naar achteren, waardoor mijn rechterschoen tijdelijk dienst deed als waterrad en mijn achterwerk in de beek belandde.

Daar sta je dan, aan het begin van wat een mooie dag zou moeten worden. Even verderop lag de ruïne van een middeleeuws kasteel, het doel waarvoor ik de oversteek waagde. In een vlaag van overmoed, een poging wellicht om mijn reeds lang verloren gegane jeugd terug te vinden. Want letterlijk twee meter verderop stond een brede, comfortabele en vooral veilige brug, die een droge overtocht beloofde.

Het groepje mannen dat even verderop zat te lunchen deed weinig moeite hun lachen te verbergen. Waarom zouden ze ook, zo had tenminste iemand er nog plezier van.

Geschrokken kwam mijn vrouw naar me toe gesneld, zij had bepaald niet de neiging om te lachen. Gelukkig was alleen mijn trots geschonden, afgezien van natte schoenen, broek, trui en T-shirt was er niets aan de hand. Of ik niet liever terug wilde naar ons huisje, om droge kleren aan ter trekken, vroeg mijn lieve schat.

Daarvoor ben ik te veel macho. Terugkeren? Geen denken aan! We lopen naar het kasteel, onder muzikale begeleiding van soppende schoenen. Net voorbij de ingang van het kasteel ging ik zitten op een bankje, om het water uit mijn schoenen te gieten en mijn sokken uit te wringen. Tot mijn geluk had ik een droge trui bij.

Onverstoorbaar bekeek ik alle hoeken en gaten van het kasteel, tot aan de hoogste toren toe. Niemand leek acht te slaan op mijn natte schoenen of kleding, zelf deed ik alsof er niets aan de hand was.

Na het bezoek aan het kasteel maakten we nog een wandeling in de prachtige bos- en heuvelrijke omgeving. Het was een verjaardag om nooit te vergeten! En dan te bedenken dat ik niets heb met verjaardagen, vooral niet met die van mezelf. Het liefst doe ik alsof het een dag is als alle andere, daarom gingen we ook een weekje weg.

Nee, deze verjaardag is alles behalve in het water gevallen!

Over de streep

Het is prachtig fietsweer. Niet te warm, niet te koud, een lekker zonnetje en een frisse bries. Het parcours voert langs smalle paden en lanen, omzoomd door schaduw brengende bomen. En langs het kanaal, dat zich in een kaarsrechte lijn door het landschap klieft.

Onverstoorbaar fiets ik verder, mijn bestemming heb ik nog niet bereikt. Ik ben op weg naar een verjaardagsfeest, het is een mooie aanleiding voor een fietstocht.

Mijn benen worden al moe, mijn achterwerk voelt als versteend. Een stukje terug voelden mijn edele delen alsof ze geen onderdeel meer wilden uitmaken van het geheel. Fietsen is afzien.

Zweet verzamelt zich op mijn voorhoofd, en op andere onwelkome en nu onwelriekende plaatsen. Een aardige inspanning voor iemand die niet veel gewend is!

Als ik het dorp waar mijn vader woont binnen fiets, is daar ineens een onwelkome hindernis. Een dranghek, dwars over de weg. Dat houdt mij niet tegen, denk ik vastberaden.

Even verderop verspert een andere serie dranghekken mij de weg. In een oogwenk zie ik een peloton wielrenners voorbij flitsen. Wat is de lol voor de toeschouwer, vraag ik me af.

Links en rechts van de weg staan kleine groepjes mensen, veilig achter de dranghekken. Sommigen hangen wat tegen de muur, anderen zitten op bankjes of zelf meegebrachte stoelen. Ze praten wat met elkaar, kijken niet op of om als ik langsflits. Mijn verschijning maakt blijkbaar weinig indruk.

In de verte zie ik hem opdoemen, de finish. Zomaar ineens, uit het niets. Even aanzetten, een kleine demarrage, meer is niet nodig. Niemand voor me, ook achter me is in geen velden of wegen iemand te bekennen.

In gedachten ga ik over de streep, mijn armen triomfantelijk ten hemel geheven, onder luid gejuich en applaus.

Het is een waar dilemma. De verleiding is groot, de overwinning ligt voor het grijpen. Zouden er ook schaars geklede dames zijn om de winnaar te onthalen, zoals bij de Tour de France? Niet dat ik daar op zit te wachten, natuurlijk. Het is toch een leuk idee, een echte stimulans om de pedalen eens goed rond te laten gaan.

Hoe groot de verleiding ook is, ik bezwijk niet. Het enthousiasme van de toeschouwers ontbrak, evenals de pitspoezen, zo te zien. Teleurgesteld, maar wel met het gevoel de juiste beslissing genomen te hebben, sla ik vlak voor de finish rechtsaf, mijn route vervolgend.

Net voor de finish gestrand, het is toch wat. Gelukkig heb ik mijn bestemming wel bereikt!

Op het feestje is het verhaal een stuk mooier geworden, compleet met pitspoezen. Dat begrijpt u vast wel.

Moddergevecht

Daar sta ik dan, tot mijn knieën in de modder. Hoe ben ik hier in vredesnaam terecht gekomen? De vraag schiet door mijn hoofd, terwijl ik probeer mijn evenwicht te bewaren. Mijn evenwichtsgevoel is niet al te best, al sta ik stevig in mijn schoenen. Die schoenen zijn veilig opgeborgen in een kastje, op het droge. Mijn voeten proberen in weg te vinden in de glibberige modder, het minste of geringste brengt me aan het wankelen.

Voorzichtig zoeken mijn voeten een weg in het donkere, modderige water. Het lijkt overal even diep, maar het water is verraderlijk. Ineens is er een diepe put, lijkt het alsof de aarde onder je voeten verdwijnt, en lijk je weg te zinken. De ondergrond, als die er al is, biedt weinig houvast. Het is en blijft ploeteren!

Een smalle boomstam lijkt een uitweg te bieden. Hoog en droog ligt de stam over het water, de ene droge oever verbindend met de andere. Ik waag het er op, neem enkele wankele stappen en geef het plan op. Als je van de ene naar de andere kant wankelt, is de kans groot dat je in het water belandt. Mijn geluk kennende, op elegante wijze met mijn achterwerk in de lucht. Nee, dank u!

Achter ons klinken steeds luidere stemmen. De volgende groep is in aantocht, ongeduldig zijn ze. Ze willen vooruit, ze willen uit deze moddermassa. Dat wil ik óók, maar dan wel met overleg.

Met gemak banen ze zich een weg, waar ik aarzel. De boomstam is bepaald geen hindernis. Het zal aan mij liggen. Ik laat ze begaan, al gauw is de rust weergekeerd.

Met modder tussen onze tenen gaan we verder, het lijkt alsof ik zwarte laarzen aan heb over mijn melkwitte benen. Over harde zandpaden gaat het verder, paden gebakken in de ook deze dag genadeloos schijnende zon. De harde zandpaden voeren naar deze modderpoel, en naar de volgende, langs boomgaarden en prachtig aangelegde middeleeuwse en Romeinse tuin. De lucht is strakblauw, de wolken zijn op vakantie.

Dan volgt een pad, bekleed met stenen. Eerst kleine stenen, die steeds groter en groter worden. Een weldaad voor onze ontblote voeten. Het pad voert dwars door een andere poel, langs een gespannen touw. Het touw biedt nog enige houvast, als mijn voeten weer voorzichtig hun weg zoeken en een nieuwe modderlaag krijgen.

Het is een afwisselend pad, daar in Twello, op de grens van Gelderland en Overijssel. Een pad dat niet alleen langs modderpoelen en tuinen voert, maar ook door dichte bossen en struikgewas. Door hoog olifantsgras, waar je achter elke bocht een olifant of tijger verwacht. Waar stemmen klinken die ver weg lijkten te zijn, maar toch dichtbij. Waar het pad over een smal plankje voert, waar ik wel mijn evenwicht weet te bewaren.

Een pad, waar het eindpunt een mooi terrein is, een oase van rust, midden in de natuur. Hier kunnen we even bijkomen van ons moddergevecht.

Gekkenwerk

‘Het is gekkenwerk’, denkt ze bij zichzelf. Het is duidelijk geen weer om naar buiten te gaan. Eigenlijk zou ze met een dik boek en een kop warme thee (mét honing) bij een knapperend haardvuur moeten zitten. Eigenlijk wel.

De onrust is sterk vandaag. De onrust is er altijd, elke minuut van elke dag. Soms sterk, overweldigend, alom aanwezig. Soms als een waakvlam van een boiler, verstopt op zolder. Uit het zicht, maar niet ver weg.

Vandaag is weer zo’n dag, alles overweldigt haar. Als de muren op je afkomen, bieden ze geen onderdak meer. In plaats van veilig, voelen ze als bedreiging. Ruimte heeft ze nodig!

Foto: Yvonne Bruin
Foto: Yvonne Bruin

Nog net denkt ze er aan om een paraplu mee te nemen, voor het geval dat. Zonder verder na te denken stapt ze op de fiets, zonder richting, zonder doel. Op en neer gaan de pedalen, steeds sneller. Ze fietst de longen uit haar lijf, pas als ze niet meer kan, valt ze even stil. Een harde, lange schreeuw ontsnapt, alsof alle wanhoop er in één keer uit wil. Er uit móét.

Als ze even is bijgekomen, gaat het weer verder. De onrust is nog niet weg, nog lang niet. Ze ziet niets van het landschap dat zich voor haar ontvouwt, ze ziet niets of niemand. Gebouwen flitsen aan haar voorbij, ongezien. Regen en wind hebben geen vat op haar, ze voelt ze niet.

Dezelfde beelden ziet ze voor haar geestesoog, telkens weer. Zonder respijt, zonder genade. Het drijft haar steeds verder, net als in haar hoofd draait ze rond in cirkels, zonder begin en zonder eind.

Waarom het zo is, kan ze niet verklaren. Het is een instinct, een gevoel. Tunnels hebben haar altijd aangetrokken, alsof ze een schuilplaats bieden. Even is de onrust weg, als ze in een tunnel is. Het waakvlammetje is verbannen naar de zolder, voor even.

Als ze weer een beetje tot zichzelf komt, ziet ze in de verte de fietstunnel. Een tunnel, waar ze al zo vaak doorheen is gefietst. Het voelt vertrouwd, hier zal ze veilig zijn.

Een plotse windvlaag verrast haar. Haar fiets gooit het bijltje er bij neer, en zijgt ter aarde. De wind maakt van haar regenscherm een windscherm, die dreigt haar mee te sleuren, bestemming onbekend.

De absurditeit van de situatie dringt tot haar door. Een glimlach breekt door, eerst voorzichtig, dan wat brutaler. Steeds breder wordt de glimlach, tot de glimlach verandert in een bulderende, onstuitbare schaterlach.

De onrust, de wanhoop, alles waait weg. De paraplu weet ze ternauwernood te redden. Ze vouwt hem op, nutteloos als hij is geworden. De fiets neemt ze ter hand, lopen gaat sneller in de steeds sterker wordende wind.

Bevrijd keert ze terug naar huis, de vier muren zijn weer een thuis. Even is ze vrij, alle zorgen zijn ‘gone with the wind’.

Morgen ziet ze weer, morgen is weer een dag.

Samenscholing verboden

Julius Caesar, wie kent die naam niet? Julius Caesar, de beroemde Romeinse generaal en dictator, die toen hij op 15 maart 44 v.Chr. de Senaat betrad, omringd werd door senatoren, die de republiek in ere wilden herstellen. ‘Tu quoque, fili mi’, kermde Julius tegen Brutus, zijn protegé en een van de samenzweerders, terwijl hun dolken zich in zijn lichaam boorden.

Ik moest aan de arme Julius denken, toen ik ’s avonds aan de wandel was en verderop een groepje mensen zag. Ik weet niet hoe u er over denkt, samenscholingen van mensen geven mij een zeker gevoel van onbehagen. Al zien ze er nog zo vriendelijk of onschuldig uit, al hebben ze meer aandacht voor elkaar of voor wat de ander te vertellen heeft dan voor mij, al is het nog zo gezellig, ik vertrouw het niet.

Wie kent ze niet, de groepjes jongeren die aan het ‘chillen’ zijn (heet dat nog zo?) op de hoek van de straat, bij een cafetaria of in het park. Denkt u dan ook ‘die hebben vast niet veel goeds in de zin’? Ook al is er geen aanleiding toe, toch denken we dat.

Soms, een enkele keer, komen die bange voorgevoelens uit. Verbale plaagstoten, een petje dat van je hoofd gerukt wordt en dat je vervolgens nooit meer terug ziet, of nog erger. Het gebeurt, maar minder vaak dan we wellicht denken.

Julius Caesar dacht wellicht dat het wel mee zou vallen, op het moment dat de moordlustige senatoren hem omringden. Pas toen de messen zijn lichaam perforeerden en het leven langzaam wegvloeide, wist hij wat er aan de hand was. Maar toen was het al te laat.

Daarom mijd ik waar mogelijk samenscholingen. Daarom vind ik dat samenscholingen van meer dan vier personen verboden moeten worden, met onmiddellijke ingang. De avondklok moet weer ingevoerd worden, als groepjes onverlaten zich er niet aan houden, moeten ze uiteengejaagd worden door de Mobiele Eenheid, met wapenstok en traangas. Geen genade!

Zodat eenzame mensen, of mensen alleen, weer veilig over straat kunnen. Evenals ouden van dagen, en vrouwen alleen.

Als Julius Caesar samenscholingen had verboden, had hij allicht langer geleefd. Wie weet hoe de wereld er dan uitgezien zou hebben.

Je kunt natuurlijk ook gewoon een straatje omlopen, als je het niet vertrouwt. Zo kom je nog eens ergens anders, het is niet verkeerd soms van de vertrouwde paden af te wijken.

Misschien had de ouwe Juul dat ook beter kunnen doen, een straatje omlopen.

Spring naar toolbar