Uitverkoop

discount-3078217_1920
Bron: Pixabay.com

Vroeger was het maar een paar keer per jaar uitverkoop. Op de grens van de seizoenen, als de winter met tegenzin plaats maakte voor de zomer, als bomen en struiken weer in blad schoten en de rokjes weer kort werden, maakte de wintercollectie plaats voor de zomercollectie. Om aan het eind van het jaar de omgekeerde weg te bewandelen, als de dagen korter, guurder en natter werden.

Nu lijkt het of het hele jaar door uitverkoop gehouden wordt. Elke week sneuvelen talloze bomen om als folders vol onweerstaanbare aanbiedingen van supermarkten, drogisterijen of een andere winkelketen in onze brievenbussen te belanden.

Veel van die ‘drie voor de prijs van twee’ aanbiedingen zijn alleen aantrekkelijk als je grootverbruiker bent. Als je alleen of met zijn tweeën, is het voordeel beperkt. Tenzij je je vol wil proppen met chips, kroketten of varkenslapjes die in de aanbieding zijn. Of het iets is dat lang houdbaar is.

De prijzen vliegen je om de oren in die folders, kortingen van 30, 40% of zelfs meer worden als heerlijk ruikende worstjes onder je neus gewreven. De worst kan ook vegetarisch zijn, als u dat liever heeft. Zijn die kortingen wel echt kortingen?

Je zou denken van wel, die winkeliers hebben toch geen prijzensjoemelsoftware? De Consumentenbond is duidelijk: de ‘van’-prijs mag geen willekeurig bedrag zijn, het moet een bedrag zijn waarmee in de voorafgaande drie maanden al eens is geadverteerd, aldus een woordvoerder (De Telegraaf 21 november 2018).

Het wordt nog erger. Geheel in Amerikaanse traditie wordt van zo ongeveer elke feestdag een commerciële happening gemaakt, zoals Valentijnsdag, Moeder- en Vaderdag en natuurlijk Sinterklaas en Kerstmis. Om vooral nog meer spullen te kunnen slijten die u en ik niet echt nodig hebben, importeren onze commerciële vrienden nu ook typisch Amerikaanse fenomenen als ‘Black Friday’, Singles Day’ en ‘Cyber Monday’.

Volgens Pablo Druijts van Black Friday Nederland, een organisatie die sinds 2015 alle aanbiedingen bijhoudt (waarvoor dank!), valt er zeker wel voordeel te halen, al gaat het niet zover als aan de overkant van de Grote Plas (De Telegraaf 21 november 2018).

‘Weet goed wat de originele prijs is’, geeft Pablo ons mee. Zoals al gezegd mogen volgens de regels niet willekeurige ‘van’-prijzen genoemd worden, al blijkt uit een steekproef onder 40 webshops die dit najaar gehouden werd: ruim de helft houdt zich niet aan deze regel. Juist ja.

Oftewel: we moeten zelf controleren of de korting wel echt een korting is, door op websites van concurrerende aanbieders te kijken. Verkopers laten eerst de prijs oplopen, om in november of december de prijs te laten zakken, zodat het lijkt alsof we gigantische korting kunnen ‘verdienen’. Of ze vergelijken een tweetal laptops met verschillende specificaties, zodat je niet even of een andere website kunt vergelijken. De rakkers!

Als ik Mark Rutte bezig zie, lijkt het alsof ook Nederland in de uitverkoop gaat. De afschaffing van de dividendbelasting, volgens de premier ‘goed voor de werkgelegenheid’, blijkt ingefluisterd te zijn door Paul Polman, CEO van Unilever. Die wilde het hoofdkantoor naar Rotterdam verhuizen, maar dat vreesde hij er niet door te kunnen krijgen als de dividendbelasting niet afgeschaft zou worden. De afloop kent u.

Mij bekruipt het gevoel dat als het bedrijfsleven naar Rutte roept: ‘Spring!’ hij alleen vraagt: ‘Hoe hoog?’ Als je zo makkelijk 1,9 miljard weggeeft, zonder te weten wat er tegenover staat, dan doe je ons land in de uitverkoop.

Als het zo moet, laat dan maar zitten, die uitverkoop. Als iets te mooi is om waar te kunnen zijn, dan is het dat naar alle waarschijnlijkheid ook niet.

Op jacht

nature-3093366_1920
Bron: Pixabay.com

Zachtjes sluipt hij door het gras, op zoek naar zijn prooi. Een lekker hapje, om zijn eeuwigdurende honger te stillen. Een honger, die niet te stillen is.

Al zijn zintuigen zijn gescherpt, niets ontgaat hem. Ieder geluid, iedere beweging valt hem op. Ieder geurtje snuift hij op, in de hoop die zoete, bedwelmende geur van zijn prooi te proeven. Een geur, die hem vertelt dat zijn prooi er is. En waar zij is.

Het is niet een honger die eenvoudig te stillen is. Niet alles is geschikt, niet alles kan zijn honger stillen. Hij is uiterst kieskeurig, wat dat aangaat.

Dat was niet altijd zo. Vroeger, toen de honger veel erger was, toen er sprake was van hongersnood, toen greep hij alles aan wat hij maar kon.

Vreemd genoeg maakte dat de honger alleen maar erger. Hoeveel hij het ook probeerde, wat hij ook probeerde, het vulde niet. Het bleef niet kleven, het vervloog, als pure alcohol.

Steeds leger voelde hij zich, steeds hongeriger. Steeds wanhopiger werd hij ervan. Uiteindelijk was hij het niet die zijn prooi vond, zij vond hem. En liet niet meer los. Gelukkig maar! Het zoeken, de honger, ze waren voorbij. Voorgoed verleden tijd.

Dus sluipt hij weer op kousenvoeten door het huis, in zijn fantasie is hij omgeven door manshoog olifantsgras. Op zijn hoede, want er zijn meer jagers op pad. Je weet maar nooit waar die naar op zoek zijn.

Dan ziet hij zijn prooi, een stukje verderop. Ze heeft hem niet in de gaten. Zachtjes sluipt hij naderbij. Als hij dichtbij genoeg is, slaat hij toe. Hij neemt een grote sprong, even is er de spanning. Heeft hij wel goed getimed, en goed gemikt?

Ja! Hij heeft haar te pakken. Zachtjes en teder neemt hij haar in zijn armen en knuffelt haar overal. Hij kust haar teder, een kus die een eeuwigheid lijkt te duren.

Deze jager heeft zijn prooi gevonden, hij zal haar nooit meer loslaten.

Tsjakka!

Bron: Pixabay.com

Ik stel me zo voor dat Emile Ratelband elke ochtend als hij voor de spiegel staat denkt: ‘Tsjakka!’ ‘Ik heb er zin in!’ Je bent positiviteitsgoeroe, of je bent het niet. Zou hij bij het kijken in de spiegel denken: ‘Ik zie er uit als een jonge vent, ik voel me echt geen zestiger!’ Hij voelt zich jonger dan zijn kalenderleeftijd, dat moge duidelijk zijn.

Heb ik ook wel eens, als ik goed uitgeslapen ben. Totdat ik een krachtsinspanning moet leveren, steevast gepaard gaand met een oudemannenzucht. Ontkennen heeft geen zin, de tijd gaat maar in één richting.

Dat weet Emile ongetwijfeld ook. Desondanks heeft hij een rechtszaak aangespannen om zijn geboortedatum 20 jaar op te schuiven, van 11 maart 1949 naar 11 maart 1969. Is-ie in één klap jonger dan ik!

Het is mogelijk je naam te veranderen tegenwoordig, of je geslacht. Hoogste tijd volgens onze zelfbenoemde entertrainer dat je ook je geboortedatum moet kunnen veranderen. Logisch, dat is toch helemaal hetzelfde?

Emile voelt zich gediscrimineerd. Hij ziet zich als pionier, hij is ervan overtuigd dat duizenden mensen zijn voorbeeld zullen volgen. Dat Emile de eerste is, althans in de gemeente Arnhem, doet niet ter zake.

Emile voelt zich, nee IS een jonge god. Het feit dat hij AOW ontvangt is daarmee in tegenspraak, maar die AOW wil hij helemaal niet ontvangen. ‘Dat geeft me het gevoel dat ik heb afgedaan’. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Als zijn geboortedatum wordt aangepast, is de overheid goedkoper uit, én Emile’s pensioenfonds. Een steekhoudend argument, zou je zeggen.

Een argument waar de rechter het juist niet mee eens was. Dat leeftijd deel uitmaakt van iemands identiteit, daar wilde de rechter nog wel in meegaan. Maar er kleven ook rechten en plichten aan, zoals het recht op AOW, en de verplichte keuring voor ouderen om auto te mogen rijden. Het argument van Emile dat het leeftijdsdiscriminatie zou voorkomen vond de rechter onvoldoende onderbouwd. Emile was blij met de uitspraak: ‘Er zijn genoeg gaten om in hoger beroep te gaan, want we hebben het over de Zeitgeist, over emotie en gevoel. Dus ik denk dat ik nog eens heel goed met mijn advocaat moet overleggen en dan gaan we heel snel in hoger beroep.’ NOS 3 december 2018

Je zou geneigd zijn te denken dat hij helemaal gek is geworden. Dat hij alle besef van de realiteit uit het oog is verloren. Wie wil er niet 20 jaar jonger zijn? Als je boven de 40 bent, tenminste. Maar helaas, we mogen de klok maar één uur terugdraaien eind oktober, niet 20 jaar.

Je zou kunnen denken dat het een publiciteitsstunt is van een mediageile oude bok, Als ik de foto van Emile bekijk, zie ik een oude man van bijna 70, geen jonge god van bijna 50. Dan zie ik een opa, geen vitale oudere jongere. Misschien moet ik eens naar Eyewish, of is het Eyelove?

Dat is het niet. Natuurlijk meent Emile het niet serieus. Natuurlijk wil hij die 20 jaar niet uitwissen. Natuurlijk weet hij dat het niets zal veranderen, zelfs al zou het lukken. Daar gaat het ook niet om.

Emile is een komiek, een komediant. De grootste grapjas aller tijden, de leukste man van Nederland. Leuker dan Paul de Leeuw of André van Duin, leuker zelfs dan Youp van ’t Hek. Bijna.

Iedere keer als iemand om hem lacht, als iemand zegt of schrijft hoe belachelijk het is, hoe idioot of van de pot gerukt, lacht Emile in zijn vuistje. Zijn doel is bereikt: hij heeft ons aan het lachen gekregen.

Het is gewoon een goede grap. Emile bedacht het op een ochtend in de spiegel keek, en de spiegel zei: ‘Tsjakka!’

Sinterklaas, wie kent hem niet?

saint-nicholas-2965161_1280
Bron: Pixabay.com

“Sinterklaas, wie kent hem niet? Sinterklaas, Sinterklaas en natuurlijk Zwarte Piet’ zong Het Goede Doel begin jaren ’80. Sinterklaas, ooit een kinderfeest waar jong én oud van kon genieten, nu ieder jaar het mikpunt van controverse. Nog vóór de pepernoten in de winkel liggen.

Aan de ene kant staan de tegenstanders van Zwarte Piet, die Zwarte Piet racistisch vinden.  Zwarte Piet ziet er uit als een personage uit het vroege werk van striptekenaars als Hergé of Van der Steen. Lees: ‘Kuifje in Afrika’ of ‘De vliegende aap’ maar eens.

Door onze 21ste -eeuwse bril ziet Zwarte Piet er inderdaad uit als een fout stereotype, als een symbool van slavernij en racisme. Zwarte Piet is een samenraapsel van allerlei uiteenlopende tradities, die soms eeuwen terug gaan, tot heidense tijden. Het was toen de gewoonte om gezichten zwart te maken rond de jaarwisseling, aldus Arnold-Jan Scheer in de Volkskrant van 15 oktober 2018.

Traditie, dat is ook waar de voorstanders van Zwarte Piet zich op beroepen. Het is traditie dat Zwarte Piet zwart is, dat is altijd zo geweest. Dus moet het ook zo blijven, vinden ze.

Het is niet altijd zo geweest, het is zo gegroeid. Ook al is iets traditie, dat wil niet per se zeggen dat het zo moet blijven. Ooit waren zogenoemde kwelspelen als ganstrekken, palingtrekken en katknuppelen een populaire traditie. Zonder verdere uitleg zult u wel een idee hebben wat deze spellen inhielden, en waarom ze niet voorgezet zouden moeten worden, of nieuw leven ingeblazen.

Of Zwarte Piet zwart is, met of zonder roetveeg of pimpelpaars met witte stippen, het maakt niet uit. Iedereen heeft een mening, en mag die ook uiten. Hoe onzinnig die mening ook mag zijn, we leven immers in een vrij land.

Let’s agree to disagree. Ieder zijn mening, met respect voor de ander. Zo luid mogelijk jóúw mening uitschreeuwen, zonder te luisteren naar de ander, dat is geen discussie. Het begint meer op een burgeroorlog te lijken, zoals Saskia Noort constateert.

Als ik terug denk aan mijn jeugd, herinner ik me vooral mijn vol verwachting kloppende hartje. Wat mij bezig hield, is wat voor cadeaus en met name hoeveel de Sint mee zou brengen.

Wat mij niet bezighield, was hoe Sint en Piet het voor elkaar kregen onze schoenen te vullen, bij gebrek aan een schoorsteen. Het viel niet op dat mijn vader ineens verdwenen was, vlak voordat er hard geklopt, zacht geklopt werd op de voordeur, waar als bij magie een wasmand vol met cadeaus stond. Dat mijn vader even daarna weer verscheen, viel evenmin op.

Laat staan dat ik me interesseerde welke kleur Piet had. Of waarom hij zwart was, of waarom de Goedheiligman per (stoom)boot kwam, hoewel er ook toen al een goede vliegverbinding was tussen Nederland en Spanje.

De gretigheid om cadeaus te krijgen, de glunderende kindergezichtjes als ze de cadeaus uitpakken, dat is waar het nog steeds om gaat. Hebzucht, inhaligheid, onbegrensd consumerisme. Zo was het toen, zo is het nu nog.

Sinterklaas, wie kent hem niet? De grote kindervriend, beschermheilige van kinderen, kooplieden en gevangenen (onder meer). De grote verleider, die ons aanspoort om vooral méér te consumeren, meer en duurdere cadeaus te kopen. En natuurlijk Zwarte Piet.

Grijze wolken

gray-clouds-718177_1920
Bron: pixabay.com

Er zijn van die dagen dat als je niet zo weten welk seizoen het is, je gemakkelijk zou kunnen denken dat het herfst is. Of zelfs winter. In de herfst kan het ook zonnig zijn, zelfs (relatief) warm. Maar niet vandaag.

Grijze wolken hangen als een zware deken over ons heen. De hele dag valt de regen, zachtjes maar gestaag. Onophoudelijk en niet te stuiten daalt de regen op ons neer. Niet met bakken tegelijk, de hemelsluizen staan slechts op een kiertje. Als je maar lang genoeg in deze regen loopt wordt je toch wel nat. En koud!

Een paraplu biedt enig soelaas, zolang de wind er geen vat op krijgt. Als die wind nou maar de grijze wolken zou verdrijven, een smal, dun zonnestraaltje dat door de wolken heen prikt en zachtjes het landschap kust zou wel erg welkom zijn.

Helaas, de wind voert alleen maar nieuwe wolken aan, de een nog grijzer en dikker dan de ander. Soms kun je nog enige vorm herkennen in de wolken, maar nu is het één dikke, grijze en ondoordringbare massa. De bomen zijn al aardig kaal, ze strekken hun takken uit naar de hemel. Net als wij verlangen zij naar de zon, naar een beetje warmte. En droogte.

Mensen schuilen onder hun paraplu’s. Ze wagen zich alleen buiten op een dag als deze als het echt moet, boodschappen doen, naar het werk of de hond uitlaten. Die arme beestjes hebben het zwaar, geen paraplu om hun droog te houden en met al die regen valt er weinig te snuffelen. In de auto zit je tenminste nog droog, maar op de fiets zijn de mensen onherkenbaar, weggedoken in regenpakken. Dan moet je wel echt een bikkel zijn, om toch door wind en regen op de fiets te gaan.

Op perrons en bij bushaltes zie je de mensen wegduiken, hopend een plekje te vinden waar het droog blijft. Zolang er geen wind is, of die de andere kant opwaait, lukt dat wel. Maar dan komt er een natte vlaag, die je nog onder het dak van het perron of de bushalte weet te vinden. Met een feilloze doeltreffendheid waar menig bloedhond jaloers op zou kunnen worden.

Alles in ons schreeuwt om een eind aan die eindeloze regen, een beetje zon. Hopend dat de zon spoedig weer terugkeert, vrezend dat ze dat niet zal doen.

Klagen over het weer doen we allemaal, hoe weinig het ook uitmaakt. Het lucht in elk geval op!

Enfin, morgen beter hopen we dan maar. Ik durf even niet naar de weersvoorspelling te kijken.

 

Foute opmerking

Het is een gênant moment. Een compleet foute opmerking, bijna #MeToo waardig. Het is eruit voor ik er erg in had. De dame tegen wie ik het zeg, doet gelukkig alsof haar neus bloedt. Het lijkt alsof ik er mee wegkom!

Het gekke is, ik ben helemaal niet zo van ‘grab ‘m by the pussy’. Integendeel! Ik heb groot respect voor vrouwen, al voor dat het mode werd.

Ik ben ook weer niet vies van dubbelzinnige opmerkingen, a dirty mind is tenslotte a joy forever. Al geldt hetzelfde als voor alcohol: met mate.

Nietsvermoedend loop ik de Blokker binnen, op zoek naar kersverlichting die in de aanbieding is. Twee schappen met een identieke omschrijving, de ene leeg, de andere niet. Ik kijk om me heen, op zoek naar een personeelslid dat me uit de brand kan helpen. Welke is de goede?

Niemand te zien, natuurlijk. Achter de kassa staat een leuke jongedame, niet dat ik daar op let. Ahem. Enfin, dan maar naar de kassa. Ik neem twee dozen kerstverlichting mee, in de hoop dat dit de goede zijn. Ondanks de duidelijke instructies die ik van thuis heb meegekregen, heerst er nog enige twijfel. Vooral gevoed door het gegeven dat ik niet nóg eens naar de Blokker wil.

Er staan twee wachtenden voor me. Ik bereid me mentaal voor op een lange wachttijd, als ik in een winkel in de rij ga staan, is het steevast de verkeerde. Als het gaat om de rij die het snelst gaat, moet je niet in de rij gaan staan waar ik sta.

Voor ik het weet, is de dame die vooraan staat al klaar, de spullen in haar tas gepakt. De dame achter haar zegt quasi-verontschuldigend: ‘Ik hoor bij haar!’ Alsof ik dat erg zou vinden. Ik schuif naar voren en vraag wat het verschil is tussen de twee producten met dezelfde omschrijving, waarvan het ene schap dus leeg is. ‘Ik weet niet’, zegt de kassajuffrouw, ‘Misschien dat de ene met kleurtjes is? Deze zijn wit’. Opgelucht haal ik adem, ik heb de goede lichtjes uitgekozen.

Nu komt het. Mijn moment van schaamte. Ik had het hierbij kunnen laten. Ik had kunnen zeggen: ‘Dank je wel’, daarna afrekenen en wegwezen. Maar nee, wat bedenkt mijn Neanderthalerbrein? Welke briljante opmerking komt er over mijn lippen? ‘Ik zal hem even te voorschijn halen’, doelend op mijn bankpasje.

Ik hoor het mezelf zeggen, realiseer me meteen hoe fout het is. Enigszins bevreesd kijk ik naar de kassajuffrouw, die doet alsof ze niets gehoord heeft. Geen loeiende sirenes, geen politie die me meteen in de boeien sluit. Geen #MeToo schandaal.

Voortaan zal ik twee keer nadenken, voordat ik mijn mond open doe. Voorkomen is beter dan een foute opmerking!

Vreemdgaan

Foto: Pixabay.com
Foto: Pixabay.com

Ik ben er niet trots op. Schamen doe ik me evenmin. Ik durf het gewoon te schrijven: ik ben vreemd gegaan!

De gelegenheid kondigde zich ruim van te voren aan. Een tijd lang stond ik in dubio. Zal ik het doen, of toch maar niet? Heen en weer werd ik geslingerd, tussen verleiding en verstand. Stemmetjes in mijn hoofd, die zeiden: ‘Doe het! Ga er voor! Dit is je kans!’ andere stemmetjes die het tegenovergestelde zeiden: ‘Het is het niet waard! Waarom zou je?’

Op het laatste moment hakte ik de knoop door. Met gemengde gevoelens stap ik in de auto. Ver rijden is het niet, gelukkig. Er is te weinig tijd om van gedachten te veranderen.

Dat blijkt een illusie: met klamme handen pak ik de deurklink vast. Bijna glijdt die uit mijn handen! Met de nodige moeite en doorzettingsvermogen lukt het.

Een beetje bedeesd stap ik naar binnen, het is altijd even de weg vinden als je ergens voor het eerst komt. Al gauw zie ik degene zie ik zoek, die me wijst waar ik moet zijn.

Vóór ik het in de gaten heb, ben ik flink bezig, met een wildvreemde nog wel. We zijn niet alleen, niemand slaat acht op ons. Niemand kijkt zelfs maar op, daarvoor zijn ze zelf ook te druk bezig. De ruimte vult zich met kreten van enthousiasme, of teleurstelling. En zelfs een enkele kreun.

We doen zelfs verschillende rondjes, iedere keer stel ik me netjes voor. Ik ben goed opgevoed, tenslotte. Eerst kijk ik de kat uit de boom, al snel laat ik me gelden. Het is wonderlijk, al heb ik jarenlange ervaring en ben ik bepaald geen beginneling, ik zie veel nieuwe ‘moves’. Zo zie je maar, je bent nooit te oud om te leren!

Ik gooi alle schroom van me af, ik ga he-le-maal los! Ik ken mezelf niet meer terug, zo gereserveerd en bedeesd als ik normaal gesproken ben, zo losjes en soepel ben ik nu.

Tussen de rondjes door blazen we even uit, drinken wat. Tot mijn verbazing meng ik me in de gesprekken, ook iets wat ik niet snel doe.

Als het even niet lukt, wordt dat met de mantel der liefde bedekt. Iedereen maakt fouten. Het is een heerlijke avond, die veel te snel tot een eind komt.

Hoe vreemd het ook voelde voor het begon, zo goed voelt het nu. Als ik onder de douche sta, spoel ik alleen het onvermijdelijke zweet af, geen schaamte of teleurstelling.

Blij rij ik naar huis. ‘Hoe was het?’ vraagt mijn vrouw als ik binnenkom. Ik had het haar verteld, ze had geen bezwaar. ‘Leuk, gezellig!’ zeg ik, een ware spraakwaterval als altijd. ‘Voor herhaling vatbaar!’ voeg ik er aan toe.

Het voelde een beetje als vreemdgaan, vooraf. Achteraf ben ik blij dat ik gegaan ben! Het is best leuk, zo’n uitwisselingsavond met de badmintonclub.

Foto: Pixabay.com
Foto: Pixabay.com

Rijlessen: droom of nachtmerrie?

Autorijden, voor de een is het een droom waar hij of zij van jongs af aan van droomde. Voor de ander is het niets minder dan een nachtmerrie.

Zelf hield ik me er in mijn jonge jaren niet zo mee bezig, tot mijn schoonzus op de 50e verjaardag van mijn moeder vroeg wanneer ik met rijlessen ging beginnen? Zo gezegd, zo gedaan. Een rij instructeur was gauw gevonden, de schoonvader van haar oudste zus had een rijschool.

Menig peentje heb ik gezweet, met klamme handen nam ik plaats achter het stuur. Hoe ik het voor elkaar kreeg, weet ik niet, maar ik worstelde me door de rijlessen. Het scheelt wel als er iemand naast je zit die in geval van nood letterlijk op de rem kan trappen.

De rijlessen alleen al waren een marteling, ik kon me niet voorstellen dat ik ooit wijs zou kunnen uit alle prikkels die je in het verkeer krijgt, en er heelhuids doorheen te komen. Invoegen op de snelweg, met al die auto’s die in volle vaart langs je heen scheren.

Dan praat ik over begin jaren ’90. Toen was het verkeer toch minder en reed men netter dan nu. Of beeld ik me dat in?

Op een gegeven moment was het zover: ik mocht op voor het rijexamen. Stijf van de zenuwen stond ik, dankzij kalmerende middelen (lees: valeriaan) heb ik het examen doorstaan. En niet één keer, maar drie. Dat ik niet echt denderend reed, met of zonder de valeriaan, wist ik ook wel. Echt grote fouten maakte ik niet, voor zover ik me kan herinneren, maar slagen deed ik niet. De derde keer, echt scheepsrecht in mijn geval, slaagde ik wèl. Hoewel ik niet anders reed, laat staan beter. Het verschil? Een vrouw als examinator? Ik weet het niet. Blij was ik in elk geval wel!

De eerste keer dat ik autoreed na het behalen van mijn rijbewijs was niet bepaald een succes. In de auto Fiat Panda van mijn moeder, met een versnellingspook die moeizaam schakelde, het was een ervaring. De koppeling werkt ook anders in een benzinemotor, als je een dieselmotor gewend bent. Maar, we bereikten onze bestemming en keerden heelhuids terug!

Echt autorijden leer je pas als je zelfstandig en regelmatig deelneemt aan het verkeer. Een aantal jaren later, in het bezit van mijn eerste eigen auto, leerde ik pas echt autorijden. Nu zonder gierende zenuwen, zonder klamme handen. En gelukkig, een enkel incident daar gelaten, ook zonder brokken.

Misschien was het allemaal anders verlopen, was het veel minder traumatisch geweest, als ik rijles Tiel had kunnen kiezen. Een goede rijschool, met goede begeleiding, dat maakt alle verschil. Leren autorijden is al lastig genoeg, ook al ben je een natuurtalent.

Uiteindelijk is het allemaal goed gekomen.

Schuifelende voeten

Eerst heb ik het niet in de gaten. Ineens vallen ze op, schuifelende voeten die achter de mijne aan schuifelen. Geen staccato van hakkelende hoge hakken, geen zacht swaffelende schoenen, scharrelend op een onhoorbaar ritme. Het geluid was hard, snerpend, een beetje dreigend. Het is een vreemd geluid, dat zich krassend in mijn geheugen kerft.

Een golf van lichte paranoia gaat door me heen. Word ik achtervolgd? Loopt iemand achter me aan. Automatisch gaat mijn hand naar mijn portemonnee. Die zit veilig in mijn achterzak!

Waar komen die schuifelende voeten ineens vandaan? Waren ze er de hele tijd al? Gaan ze toevallig dezelfde kant op? Ik zet er eens flink de sokken in, kijken of ze me bij kunnen houden.

Ik sla linksaf, de bocht om. Even hoor ik ze niet, net als ik opgelucht adem wil halen, zijn ze er weer. Ik sla weer linksaf. De voeten volgen me. Ik sla rechtsaf. Nog steeds word ik gevolgd. Of ik harder ga lopen, of zachter, niets helpt.

Ik durf niet om te kijken. Mijn geestesoog maakt zich de meest verschrikkelijke voorstellingen van mijn achtervolger. Minstens twee meter hoog, met lang en vettig haar en lange, scherpe tanden en lange nagels, als klauwen.

Onder de genadeloos schijnende zon stijgt met de temperatuur ook mijn onrust. Nergens kan ik schuilen, nergens ben ik veilig. Links zie ik een doodlopende straat, zal ik die inslaan? Nee zeg, dan zit ik helemaal klem. Vluchten kan niet meer.

Verder gaat het, straat in, straat uit. Een bocht naar links, een bocht naar rechts. Een dame komt me tegemoet, ik wil haar waarschuwen. Slechts onverstaanbare klanken komen uit mijn keel, verschrikt loopt de dame snel verder, het onheil tegemoet.

Snel loop ik verder, ik durf niet te kijken. Ik hoor verder geen geluid, zou de dame veilig zijn? Vertwijfeld en vervuld van schaamte en schuld loop ik verder. Ik zie een supermarkt opdoemen, mijn bestemming. Zal ik verder lopen, of gewoon naar binnen gaan?

Opgaan in de massa lijkt me wel wat. Ik loop naar binnen, pak een mandje en loop verder de winkel in.

De schuifelende voeten lijken van de aardbodem verdwenen. Voeten en schoenen volop, in alle soorten en maten. Van hoge hakken tot piepende gympies, van elegant tot afgetrapt.

Ik kijk regelmatig om, zie ik mijn achtervolger nog ergens? Wie zou het kunnen zijn? Niemand wekt de indruk me te volgen, of ook maar in de verste verte in me geïnteresseerd te zijn.

Vlak voordat ik de supermarkt verlaat, zie ik hem zitten. Een zwerver, of moet ik zeggen iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats, zit aan een tafeltje koffie te drinken. Inderdaad, vettig haar en een slonzige, versleten jas, trui en dito broek. Blote voeten met lange nagels, maar geen klauwen.

Op de terugweg is het stil, achter me. Op de een of ander manier mis ik ze, die schuifelende voeten.

Avondwandeling

Welke gek gaat er ’s avonds naar buiten? Het is donker, zeker ’s winters is het koud. Het waait, als je een beetje pech hebt regent het ook nog. Met zulk onguur weer kun je alleen maar ongure types tegenkomen.

Wie gaat er dan naar buiten? Schrijvers, wanhopig op zoek naar inspiratie? Tot waanzin gedreven door writer’s block?

Het zijn vooral hondenliefhebbers en hun huisdier(en). Die moeten elke dag naar buiten, weer of geen weer. Tot ze het beestje kunnen leren op de pot te gaan.

Voor de lol doe je het niet, lopen langs gesloten gordijnen. Gordijnen die de warmte binnen houden, de kou en de buitenwereld worden buiten gesloten. Je hebt geen idee wat er zich achter die gordijnen afspeelt!

Niet iedereen doet de gordijnen dicht, soms kun je een blik werpen in andermans huis, in andermans wereld. Het is op de een of andere manier onweerstaanbaar, telkens kijk ik nieuwsgierig hoe het er bij deze mensen uitziet. Reikhalzend strek ik mijn nek uit, om zoveel mogelijk te zien. ‘Hmmm, die hebben een grote tv!’ Om jaloers van te worden…

Soms vangt iets mijn blik, ik kijk nog eens om. Een steentjesmuur, dat zie je tegenwoordig niet meer zoveel. Of wel? Ik zou het niet weten. Een lamp, een vaas, anders dan anders. Anders dan ik gewend ben, in elk geval. Smaken verschillen, zoveel is zeker!

De een sluit pottenkijkers zoals ik buiten, de ander lijkt ze te verwelkomen. Bij de meeste mensen met open gordijnen staat de tv aan, we kunnen niet meer zonder. Er is een enorme verscheidenheid, aan interieur én aan vitrage. Van klassiek tot modern, soms naast elkaar.

Een flard conversatie komt aangewaaid, vanuit het niets. Twee mensen komen om de hoek, ook aan de wandel. Verderop loopt een echtpaar, een hond sjokt achter hen aan, een stok in zijn bek en een lichtje aan zijn halsband. Het lichtje bengelt op en neer met elke stap, het is bijna hypnotiserend. Niet iedereen is met de hond(en) aan de wandel, al geldt dat wel voor de meesten.

Het heeft ook voordelen, zo’n avondwandeling. Het is lekker rustig, afgezien van hondenliefhebbers. Al heb je geen last van die honden, zolang ze aangelijnd zijn. Het heeft ook nadelen. Drempels, of opstaande stoeptegels of straatstenen, verborgen door het duister. Pijnlijk voor mijn grote teen, nog pijnlijker voor mijn ego. Gelukkig heeft niemand het gezien, of mijn onkuise taal gehoord.

Weer of geen weer, ik ga ’s avonds naar buiten. Tenzij het echt pijpenstelen regent. Daar helpt geen paraplu aan!

Spring naar toolbar