Buikdansen

Afbeelding van Silke Schäfer via Pixabay

Voorzichtig deed ik de deur open, en keek naar binnen. Mijn lief heeft sinds kort een nieuwe passie, naast mij. Zachtjes wiegden haar heupen naar links en naar rechts, zonder dat haar schouders meebewogen. Dat is makkelijker geschreven dan gedaan, zoals ik even later aan den lijve ondervond. ‘Sorry, ik wilde je niet storen’, zei ik. Voordat ik de deur weer dicht kon doen, zei mijn lief: ‘Wil je meedoen?’. Het zag er prachtig uit, aanstekelijk zelfs. Zonder iets te zeggen ging ik achter haar staan, en probeerde haar na te doen. Probeerde. Zo eenvoudig als het eruit ziet als je ernaar kijkt, zo lastig is het om te doen. Hoofd stil, schouders ook, de heupen al wiegend. Ik geef het u te doen. Of met de buik achtjes draaien, zonder verder iets te bewegen.

Mijn lief is begonnen met buikdansen. Buikdansen? Is dat leuk? Jazeker! Het is sowieso leuk om het enthousiasme van die lieve stuiterbal van me te zien, met blinkende ogen die me vol passie aankijken. Met een brede lach op haar gezicht, die ze niet kan onderdrukken, als ze dat al zou willen. Met een swing in haar stap, nog gracieuzer en lieflijk als ze al was. Het is ook nog eens goed voor haar, niet alleen is het een goede manier van lichaamsbeweging, het traint ook nog eens de buik- en andere spieren. Menig bierbuik die met wellustige blik naar buikdansers kijkt heeft meer buik dan de danseres, maar daar zit veel minder beweging in. Hoewel de buiken in kwestie het wel kunnen gebruiken.

Het is opmerkelijk hoe verschillend gereageerd wordt, als mijn lief vertelt over haar nieuwe passie. Sommigen van u zullen wellicht ook denken dat het gaat om een erotische dans, bedoeld om mannen op te winden. Al is daar in veel gevallen niet veel voor nodig. Bij buikdansen gaat het om andere dingen. Het gaat om sensualiteit, om gracieuze bewegingen, om elegantie en om vrijheid. ‘Ik voel me meer vrouw’, zegt mijn lief. Voor mij is ze een en al vrouw, ook al is ze wars van rode lippenstift, hoge hakken en parfum. Als ik haar zie buikdansen, begrijp ik wat ze bedoelt. Het is meer sensualiteit dan seksualiteit, meer elegantie dan erotiek, meer gratie dan begeerte.

Ik kijk in elk geval met grote bewondering naar mijn lief, dan krijg ik zin om weer mee te doen. Al weet ik niet of het zo sensueel of gracieus eruit zal zien, die dansende buik van mij.

Nobelprijs

Born: Pixabay.com

Wie ook de reclamecampagnes van het bekende biermerk uit het Brabantse Lieshout bedenkt, hij of zij verdient een loonsverhoging. De bierbrouwer heeft het Brabantse volksfeest carnaval genomineerd voor de nobelprijs voor de vrede. Uiteraard is dit een reclamestunt, alleen personen en organisaties kunnen worden voorgedragen. Het is wel een briljante stunt, het doel wordt bereikt: meer publiciteit. Het bier wordt er niet lekkerder van, een kniesoor die daar op let.

Je ziet ze overal in het Brabantse, reclameposters met een lachende malloot met een vleeskleurige badmuts op zijn hoofd, met de naam van het dorp of de stad waar de poster hangt. Niet de normale naam, die mensen van boven de rivieren ook kennen (al is het van de atlas, of Google Maps), maar de carnavalsnaam, waarvan de oorsprong niet altijd duidelijk is. Ieder jaar worden alle dorpen en steden omgedoopt en dragen ze vijf dagen lang hun carnavalsnaam, worden de sleutels overgedragen aan Prins Carnaval en gaat iedereen los.

Nou ja, iedereen. Ik vraag me soms wel eens af of ik wel een echte Brabander ben. Koffie drink ik zelden, worstenbrood vind ik dan wel lekker, maar carnaval? Nee, daar houd ik me verre van. Niet vanwege de busladingen van boven de rivieren, die denken dat het tijdens carnaval gaat om zuipen en vrouwen lastigvallen. Of vanwege bezopen Brabanders, die hetzelfde denken. Zelf drink ik, wel met mate. Hossen en hoempapamuziek, ik heb er gewoon niets mee. Je kunt alleen aan mijn zachte ‘g’ horen dat ik uit Brabant kom.

Carnaval is meer dan drank en ‘foute’ muziek, het is meer dan even met z’n allen uit je dak gaan, voor we veertig dagen vasten.  Al wordt het vasten tegenwoordig overgeslagen, het feestje van tevoren gaat gewoon door. Een feestje waarbij mensen een transformatie lijken te ondergaan, evenals hun woonplaats. Menigeen houdt het bij een kiel of lange jas, sommigen maken echt werk van hun kostuum, met een ludieke gedachte erachter.

Het idee om carnaval te nomineren lijkt onzinnig, het blijft natuurlijk een reclamestunt. Carnaval verbroedert, het verbroedert de deelnemers, maar ook degenen die niet deelnemen. Voor de eersten vervagen alle tegenstellingen in een waas van bier en confetti, de laatsten worden verenigd in hun verbazing over al die gekkigheid, op een stokje.

De nobelprijs voor de vrede zal carnaval niet krijgen. De nobelprijs voor originaliteit verdienden de bedenkers van deze campagne in elk geval wel.

Klassieker versus eenheidsworst

Afbeelding van M-ART-IJN via Pixabay

Ik ben geen autoliefhebber. Ik ben niet iemand die zij vehikel een naam geeft (liefst vrouwelijk), iemand die pas leeft als de wereld in een vage, kleurrijke veeg langs hem heen snelt. Iemand voor wie zijn bolide als een verlengstuk van zijn lichaam is, een opvulling van een lege plek. Voor mij is mijn auto een vervoermiddel dat me van A naar B brengt, liefst zonder tegen te sputteren en zonder te haperen.

Dat wil niet zeggen dat ik niet graag naar auto’s kijk. Het is wonderlijk hoe de een gehaast is en alleen maar sneller en sneller lijk te willen gaan, de ander tuft vrolijk en onverstoorbaar door, in zijn eigen tempo. Misschien is het wel omdat ik niet het oog van een liefhebber heb, auto’s lijken steeds meer op elkaar, ongeacht het merk. Natuurlijk, er is een duidelijk verschil tussen grote en kleine auto’s; binnen de specifieke segmenten zijn de verschillen klein, en is het moeilijker de verschillende merken van elkaar te onderscheiden. Als je niet naar de emblemen kijkt, tenminste.

Zo ben ik erin geslaagd om bijna een hele vakantie lang mezelf wijs te maken dat de auto waarin we het Griekse eiland Rhodos doorkruisten een Peugeot 107 was, terwijl het toch echt een Citroën C1 was, wat duidelijk te zien was middels het embleem op het stuur. Waar mijn reisgenoot me lachend op wees.

Het is eenheidsworst, met het merkembleem als keurmerk. Ook qua kleuren is er weinig verschil, de meeste auto’s zijn zwart, donkerblauw of verschillende tinten grijs.  Ze vliegen als een grijze, grauwe flits aan je voorbij op de snelweg. De uitzonderingen, auto’s met een afwijkende kleur, vallen des te meer op. Ook oude auto’s vallen ook steeds meer op. Niet alleen omdat ze zeldzamer worden, de meeste exemplaren zijn afgevoerd naar andere oorden of verwerkt tot blikjes. Ook omdat het ontwerp en de vormen afwijken.

Laatst zag ik onderweg een auto Ford escort, zilvergrijs. Ik schat dat de auto ergens in de jaren ’80 gebouwd is, zeker weten doe ik het niet. De auto schoot me voorbij, de motor deed het nog prima, zo te zien. Het was misschien niet de mooiste auto die ik ooit gezien heb, het deed mijn ogen plezier een klassieker te zien, te midden van al die eenheidsworsten.

Het is ontnuchterend om te bedenken dat er een tijd was, waarin klassiekers juist eenheidsworsten waren. Het is dus een kwestie van geduld, tot de eenheidsworsten van vandaag klassiekers geworden zijn.

Een ongeluk zit in een klein hoekje

Bron: Luc van de Wiel

Het was een gezellige avond, met mijn goede vriend José. We stapten in onze auto’s, om weer huiswaarts te gaan. Het was druk, het leek of iedereen tegelijkertijd naar huis ging. Bij de parkeergarage moesten tientallen auto’s zich langs drie slagbomen zien te werken, die automatisch omhooggingen. Mits je betaald had, natuurlijk. Om twee meter verder op één enkele rijbaan verder te moeten, het was dringen geblazen. Wonderwel ging het goed, en gebeurden er geen ongelukken.

Dat gebeurde een stuk verderop, ik reed rechtdoor, opeens kwam een auto van links. Ontwijken ging niet meer, met een knal botste de auto tegen de mijne, tolde een paar keer om zijn as en kwam tot stilstand op de middenberm. Zelf kon ik gewoon doorrijden, even kwam de gedachte in me op om dat ook te doen. Het verstand kreeg de overhand, ik zette mijn auto langs de kant. Even later klopte een jongedame op mijn raam. ‘Is alles goed met u?’ vroeg ze bezorgd. ‘Ja hoor, met jou ook?’ was mijn wedervraag. Ik voelde de generatiekloof, ze zei nog net niet ‘meneer’ tegen mij. Uit beleefdheid sprak ze me met ‘u’ aan, ook toen ik zei dat ze best ‘je’ mocht zeggen.

Samen vulden we het schadeformulier in, dat ik standaard in mijn dashboardkastje heb liggen. Juist voor een situatie als deze, een situatie die je liever vermijdt, maar die je soms toch overkomt. Dat deze jongedame naar me toekwam, deed me goed. ‘Sorry hoor’, zei ze, ‘Ik had u echt niet gezien!’. Ja, je botst niet voor je plezier tegen een andere auto aan, tenzij je op de kermis bent. En niet in je eigen auto zit, maar eentje die er speciaal voor gemaakt is.

Nadat we het formulier ingevuld hadden, barstte ze in tranen uit. De schrik zat er goed in, bij mij ook. Het gaat je niet in je kouwe kleren zitten, ook niet op een druilerige, winderige avond, ergens in Tilburg. Nogmaals bood ze excuses aan, ‘Hoeft niet hoor, het kan gebeuren’, probeerde ik haar gerust te stellen.

Daarna gingen we op weg naar huis, enigszins trillering zat ik achter het stuur. Gelukkig was er niets ergs gebeurd. Alleen blikschade, dat is te overzien. Het was een vreemd einde van een gezellige avond. Een einde dat ik niet aan zag komen, letterlijk en figuurlijk.

Zo zie je maar, een ongeluk zit in een klein hoekje.

Ik ook van jou

Afbeelding van Pana Kutlumpasis via Pixabay

Het zijn vier woorden, niet meer. Woorden die veel kunnen betekenen, als ze met gevoel en gemeend uitgesproken woorden. Woorden, die sommige mensen maar moeilijk over hun lippen krijgen, waar anderen ze er te pas en te onpas uitslingeren. Welke woorden je ook bezigt, als ze gemeend zijn, hebben ze wel degelijk effect. Zowel in positieve als in negatieve zin.

Vier woorden, die een gevoel omschrijven dat eigenlijk niet in woorden te vangen is. Vlinders in de buik, de wereld zien door een roze bril, die ene persoon die zomaar ineens het middelpunt van je universum is geworden. Of die ene vriend of vriendin, waar je al je verhalen aan kwijt kunt, die al je geheimen kunt vertellen en die er voor je is, altijd en overal. Of die broer of zus, vader of moeder, die zo bijzonder en belangrijk voor je is. Geliefden zijn er in vele soorten en maten.

Het lijkt soms vanzelfsprekend, zeker als je elkaar al lange tijd kent. Het leven is alles behalve voorspelbaar, zoals het nu is, kan het morgen anders zijn. Alles wat vanzelfsprekend is, is verdwenen. Wat je dierbaar is, kun je maar beter koesteren, zolang het kan. Het is sowieso fijn om die vier woorden te horen. Ik kan me nog goed het moment herinneren dat ik die vier woorden zei tegen mijn beste vriend, een van de laatste keren dat ik hem zag. ‘Ach, dat weten we toch wel’, was zijn reactie. ‘Dat kan wel zijn’, was mijn weerwoord, ‘Maar ik wil het graag gezegd hebben’. Dat is het voordeel, als je weet dat het einde nadert. Normaal gesproken weet je dat niet, dan kun je maar beter je kans grijpen, waar en wanneer het maar kan.

Ik ben een gelukkig mens, ik heb de liefde van mijn leven gevonden. Of beter gezegd, zij vond mij. Hoe dan ook, ik hecht er grote waarde aan om de vier mooiste woorden uit de Nederlandse taal tegen haar te zeggen. ’s Ochtends als we wakker worden, voor ik naar mijn werk ga, ’s avonds als ik weer thuis kom en voor we gaan slapen. Niet altijd, maar wel zo vaak mogelijk. Dan neem ik haar gezicht in mijn handen, en kijk haar diep in haar prachtige, groene ogen terwijl ik de vier woorden uitspreek.

Mooier nog dan die vier woorden is de reactie, die ik dan krijg van mijn lief. ‘Ik ook van jou’, zegt ze dan.

Een verloren dag

Afbeelding van Jan Vašek via Pixabay

Elke dag start bij mij op dezelfde wijze. Als de wekker gaat, kus ik als eerste mijn vrouw. Heerlijk! Na het scheren en aankleden volgt het ontbijt en een digitaal krantje, dan zet ik mijn tas klaar, doe mijn lunch en het fruit erin, doe mijn autosleutels alvast in mijn broekzak, zodat ik ze niet vergeet. Mijn mobiel leg ik op de hoek van de eettafel, klaar om mee te nemen. Op mijn werk haal ik eerst een flesje water, zet dan mijn computer aan en haal ondertussen mijn spullen uit mijn tas. De lunch en het fruit op de hoek van mijn bureau, mijn mobieltje ernaast. Ik ben een gewoontedier.

Tot op een dag ik mijn mobieltje niet kon vinden. Hoe ik ook zocht, vinden deed ik het niet. Waar had ik het toch gelaten? Wacht, misschien in mijn jaszak. Nee, ook al niet. In de auto dan? Nee, in de auto blijft mijn mobiel in de tas. Het zou toch niet? Veel zin om naar de parkeerplaats te lopen en te kijken, had ik niet. Een mailtje naar het thuisfront bracht uitsluitsel: ik had ‘m op de eettafel laten liggen. Ik was ervan overtuigd dat ik hem meegenomen had, niet dus.

Vergeetachtig ben ik niet, toch vergat dit gewoontedier iets. In de volle overtuiging dat dit niet zo was, tot het tegendeel werd bewezen. Een uitzondering, maar toch.

De hele dag voelde ik me onthand. Naar huis bellen om te vragen of mijn mobiel daar lag? Dan zou ik het telefoonnummer moeten weten, dat staat dus in mijn mobiel. Appen? Vergeet het maar! Zelfs ouderwets SMS-en zat er niet in. Het enige telefoonnummer dat ik uit mijn hoofd ken, is dat van mijn moeder. En dat van mijn eigen mobiel, daar had ik dus niets aan.

Ik betrapte me erop regelmatig opzij te kijken, waar normaal gesproken mijn mobiel lag. Soms neem ik ‘m mee, eventjes pauze, om te kijken of er toevallig een berichtje binnen gekomen is, of dat iemand en woordje gelegd heeft. Dan pas merk je hoeveel je met dat ding bezig bent, dan pas merk je hoe verslaaft je bent.

Het was een lange dag, zonder e-mail, WhatsApp, LinkedIn of WordFeud. Het eerste dat ik deed toen ik thuiskwam, na mijn vrouw gekust te hebben, was mijn mobiel erbij te pakken. Heb je me gemist? Even kijken. Nul berichten, nul woordjes, niets!

Het was een verloren dag.

Frenkie & Jacky

Afbeelding van bottomlayercz0 via Pixabay

Ik legde de opbrengst van een ochtendje boodschappen doen bij het filiaal van de Zaanse grootgrutter in het centrum van ons dorp op de kassaband. Op de muur achter de kassa hing een poster met twee bekende voetballers: Frenkie & Jacky. Het was een promotieposter om voetbalplaatjes te slijten, zeer gewild zijn bij het kroost van boodschappen doende ouders. Jongens én meisjes tegenwoordig, de Oranje leeuwinnen halen de mannen aardig in. De leeuwinnen hebben ook een EK op hun naam staan, ze hebben hun eerste WK finale ook al verloren.

Volgens sommige sigaar rokende voetbalcommentatoren kan het vrouwenvoetbal zich niet meten met het mannenvoetbal. Qua commerciële aantrekkingskracht is er nog een lange weg te gaan, qua niveau is het verschil zo groot niet. Ik mag in elk geval graag naar de Oranje leeuwinnen kijken, alsof je bij een gemiddelde wedstrijd op een mannen EK of WK niet in slaap valt, voordat ze met de penalty’s beginnen.

Mijn favoriete leeuwin is zonder meer Jacky Groenen. Onvermoeibaar, overal op het veld te vinden en strooiend met prachtige steekpassjes. Net als Frenkie de Jong. Samen prijkten ze op de poster bij de grootgrutter. Dat bracht me op een idee. Wat de burgerlijke staat van Jacky is, weet ik niet. Frenkie is met vriendin en al neergestreken in Barcelona. Het zal dus wel een fantasie blijven, maar wat als Frenkie en Jacky een kind zouden krijgen? Een heel elftal, voor mijn part. Jongens of meisjes, dat maakt me niet uit.

Wat een geweldig voetbaltalent zou hun kind zijn. Twee keer zoveel techniek en tactisch inzicht, twee keer zoveel kappen en draaien en steekpassjes. En twee keer zo vaak een sporadisch, maar wel fantastisch mooi doelpunt, in het geval van Jacky op een cruciaal moment, met een finale plaats als resultaat. Op welke positie de zoon of dochter van Frenkie & Jacky zou spelen, maakt niet zoveel uit. Het zou zo maar kunnen dat hij of zij doelman/vrouw wordt, zoals de zoon van Ronald Koeman.

Het zal wel nooit meer zijn dan een droom, wel een mooie. De zoon of dochter van Frenkie & Jacky, die vlak voor tijd de winnende maakt in de WK finale, liefst tegen Duitsland. Dat zou voor mij de ultieme voetbaldroom zijn. Ik hoor wijlen Hugo Walker al: ‘Komt dat schot!’, gevolgd door Jack van Gelder: ‘Ja! Jaa! Jaaaaa!’

Dromen zijn bedrog, aldus Marco Borsato. Waar zouden we zijn, als we niet meer zouden durven dromen?

Zoendag

Afbeelding van Bessi via Pixabay

Ik vind het altijd spannend, de eerste werkdag van het nieuwe jaar. Mijn collega’s heb ik vorig jaar voor het laatst gezien, twee dagen geleden dus. Dat is niet wat het spannend maakt. Wel het feit dat er verwacht wordt dat je elkaar een gelukkig nieuw jaar wenst, en vooral wat daarbij komt kijken. De eerste werkdag in het nieuwe jaar: het is een echte zoendag!

Begrijp me niet verkeerd: ik heb niets tegen zoenen, integendeel. Ik heb wel een sterke voorkeur: ik kus het liefst mijn eigen vrouw. Ook al is een vrouw niet de mijne, ik kus haar met plezier. Op de wangen, drie keer, zoals een rechtgeaard Brabander betaamd, dat dan weer wel. Ik ben blij dat we niet zoals in oostelijke landen de gewoonte hebben dat mannen elkaar kussen, op de wang. Die prikbaarden van tegenwoordig, ik moet er niet aan denken! Nee, geef me dan maar een gladde, zachte wang.

Wat het spannend maakt, is meer de vraag wat te doen. Ga je alleen de afdeling af waar je werkt, of ga je het hele gebouw door om iedereen de beste wensen te geven? Als je bij een groot bedrijf werkt, met duizenden werknemers, ben je wel even bezig. Bij het bedrijf waar ik werk, gaat het om zo’n 100 personen. Dat is nog te doen, al houd ik het voor het gemak bij de verdieping waar ik werk, met zo’n 20-30 mensen, die niet eens allemaal aanwezig waren. De rust in de kerstvakantie, op weg naar werk of huis, de overvloed aan beschikbare parkeerplaatsen op het werk (normaal gesproken is dat best een probleem, als je niet vroeg begint), ik kan er best aan wennen.

Of het de gouden regel is, weet ik niet, als ik op het werk kom, nadat de champagne en oliebollen gezakt en de kruitdampen opgetrokken zijn, is de collega’s die aanwezig zijn begroeten. De mannen krijgen een hartelijke, stevige handdruk, de vrouwen drie ferme, welgemeende zoenen op hun wangen. Allen krijgen van mij de beste wensen voor het nieuwe jaar, wat zeg ik: het nieuwe decennium. De roaring twenty-twenties, het zal me benieuwen wat het komende jaar op ons pad gaat komen. De collega’s die na mij op het werk verschijnen doen hetzelfde. Het is even onrustig, tot alle nieuwjaarswensen gedeeld zijn, dan gaan we weer aan de slag.

Ook al delen u en ik geen zoendag, ik wens iedereen een mooi, gezond en gelukkig 2020!

Lichtjesroute

Afbeelding van Ben Kerckx via Pixabay

Eens per jaar heb je de lichtjesroute in Eindhoven, rond Bevrijdingsdag, rond de tijd ook dat Glow losbarst. Ik kan me de eerste keer dat ik de lichtjesroute reed goed herinneren, ik had zoiets nog nooit gezien. Allemaal lichtjes, nog in het kerstthema ook, het is en blijft een wonderlijk gezicht.

Als Sinterklaas met roetveegpieten en alweer terug is in Spanje, zie je meer en meer lichtjes verschijnen. Sommige mensen maken er veel werk van en hangen de voor- en/of zijgevel van hun huis vol met lichtjes, ter ere van Kerstmis. Soms in een duidelijk patroon, een kerstboom bijvoorbeeld, soms min of meer willekeurig, als een tros lichtjes over de takken van bomen gedrapeerd. Het is een prachtig gezicht, een zee van licht, waarbij de een in bewondering toekijkt, de ander in verwondering. Een zee van licht, die in die het duister verdrijft, al is het maar voor even.

Waarom maakt de een er zo’n werk van, met een torenhoge elektriciteitsrekening als gevolg, waar een ander het liefst er helemaal niets aan doet? Voor sommigen is het een traditie, die ze met hun familie delen, en die ze voortzetten als hun vader of moeder, broer of zus er niet meer zijn, als eerbetoon. Een ander versiert zijn huis niet, haalt zelfs geen boom in huis, omdat hij of zij dat niet heeft meegekregen, of er juist een hekel aan gekregen heeft. Kerstmis heeft voor iedereen een andere betekenis, of het nu een religieus feest is, of een familiefeest.

Hoe kijken onze medelanders ernaar, die vanuit verre oorden naar ons land toegekomen zijn? Zo’n zee van licht, verdrijft dat bij hun de duisternis uit hun hoofd, de duisternis van de reden waarom ze hier naartoe gekomen zijn, of van de familie en vrienden die ze daar achter gelaten hebben? Wat vinden zij van tradities als Sinterklaas, Zwarte Piet en vuurwerk met Nieuwjaar? Ons land lijkt te veranderen in een oorlogsgebied, als je kijkt naar het geknal. Het kan leiden tot nieuwe inzichten, als je wat je als vanzelfsprekend ervaart beziet door de ogen van een ‘buitenstaander’.

In landen die wel Kerstmis kennen, zijn veel verschillende tradities, licht in de vorm van (vreugde)vuren is een terugkerend thema. De dagen rond kerst zijn vaak donker en guur. Dan is het fijn als je een lichtjesroute kunt volgen, hoe die er uit moge zien. Het licht, dat wordt door iedereen omarmd en verwelkomd.

Fijne feestdagen allemaal!

Bel-me-wel-register

Bron: Pixabay.com

Het vreemde, doordringende geluid drong maar langzaam tot me door. Het was mijn mobiel dat rinkelde. Gek, ik gebruik hem nauwelijks nog om te bellen. Een onbekend nummer, zag ik op de display. Na een eerste ergernis voelde ik blijdschap, dat iemand de moeite nam om mij te bellen. Mij! Nieuwsgierig nam ik op.  Of het uitkwam dat hij belde, vroeg de onbekende. ‘Natuurlijk!’ antwoordde ik. Het bleek een verkooppraatje, dat al snel ten einde kwam, toen bleek dat ik niet ging kopen.

Ik moet bekennen: stiekem vind ik het wel fijn dat ze me bellen. Gewoon, omdat ik dan weet dat ze even aan me denken. Dat ze het fijn vinden dat ik klant ben, bij hun bedrijf! Het gaat echt niet om het geld, ze missen me écht! Dat voel je gewoon, dat hoor ik in de stem van de jongen of het meisje aan de andere kant van de lijn. Ze zeggen het niet, ze houden het zakelijk. Dat het doel zo goed is, dat mijn bijdrage zo belangrijk is. Of dat het product wat ze verkopen zo goed is, dat het bijna onmisbaar is. Een hoorbare snik, even een trilling in de stem, het is duidelijk. Het gaat om mij! Daarom is het zo jammer, dat aan het eind van een fijn gesprek je doorverwezen wordt naar het Bel-me-niet register. Dat lijkt me volkomen overbodig, het is juist hinderlijk. Was het net gezellig!

Op zich is het geen ingewikkelde opgave om je te registreren in het Bel-me-niet register. Je hoeft alleen maar je (mobiele) telefoonnummer in te voeren, daarna mag je niet meer benaderd worden. Hoewel, het mag wel als je klant bent of bent geweest van het desbetreffende bedrijf of ooit donateur geweest bent. Het is de omgekeerde wereld. In plaats van een Bel-me-niet register zou er een Bel-me-wel register moeten komen. Bedrijven, ideële of charitatieve instellingen mogen alleen iemand bellen als de betreffende persoon expliciet toestemming gegeven heeft. Ook eenzame mensen kunnen zich aanmelden, die om een praatje verlegen zitten. Mensen die een einde willen maken aan de voortdurende telefoonterreur van niet aflatende verkopers hoeven niets te doen, het houdt vanzelf op.

Ik zie het wel zitten. Als het gemis te erg wordt, als ik weer eens gebeld wil worden, meld ik me aan. En ga zitten wachten bij de telefoon, tot die weer eens rinkelt.

Ik ben benieuwd hoe lang ik moet wachten.

Spring naar toolbar