Slakkengang

Stel je voor, je bent een slak. Een kleintje, hooguit 2-3 centimeter lang. Zo klein, dat je nauwelijks opvalt tussen de woudreuzen, of op de stoep of op het fietspad. Je huis op je rug, dat heb je altijd bij je.

Als je zo klein bent, lijkt alles immens. Een kleine muis is een reus, een mens is gigantisch. Maar klein zijn heeft ook voordelen: je valt minder snel op, en je hebt minder nodig.

Dat je niet de snelste bent, weet je zelf ook wel. In je eigen tempo vervolg je je weg, je reukzin achterna. Altijd op zoek naar eten, een partner of een schuilplaats. Altijd op je hoede voor gevaar. Als er gevaar dreigt, kruip je in je schulp.

Gevaar dreigt overal. Egels, vogels en allerlei andere wezens vinden je wel een lekker ding. Om op te vreten!. Zelf ben je een overtuigd vegetariër, dat maakt geen verschil.

Het liefst zou je de hele dag wegkruipen, veilig schuilen in een donker, vochtig plekje. Als de zon volop schijnt, is dat een extra gevaar. Uitdroging, of levend gebakken worden, of gekookt in je eigen slijmspoor. Als het niet al opgedroogd is.

Alleen als het donker is, of een regenachtige dag, waag je je buiten. Telkens als je dat doet, riskeer je je leven. Als je dan alle gevaren hebt ontweken, dan is er nog het ongeziene gevaar.

Het gevaar dat je niet aan ziet komen, het gevaar dat letterlijk zó groot is, dat je het niet kunt zien. Op het harde asfalt voel je het ook niet aankomen. Twee banden, één voor en één achter, gaan achtereenvolgens over je heen. Zonder dat je het in de gaten hebt, is het in een oogwenk voorbij.

Zelf ben ik niet een van de snelsten, ik kon je ontwijken toen ik je tegenkwam op het fietspad, maar net. Het scheelde niet veel, of ik had je voor een takje aangezien. Tot het al te laat was. Zover kwam het niet, dit keer.

Het leven is kort, het leven is hard. Het leven is soms snel voorbij, ook al leef je op een slakkengang.

Geloof, hoop en liefde

Ik zie verwachting, ik zie hoop in de ogen van de mensen om me heen. Rond half een hebben we ons verzameld, voor het begin van de SamenLoop voor Hoop in Geldrop, mijn geboortedorp.

SamenLoop voor Hoop, zelden past een naam beter. Het is een samenloop van mensen, die ook nog eens samen lopen, om hoop te bieden.

Hoop, dat is het thema. Hoop dat er een geneesmiddel gevonden wordt voor die vreselijke k-ziekte, die sluipmoordenaar, die verrader die zich tegen het eigen lichaam keert. Hoop dat het goed komt, hoe diep het dal is waar iemand met die k-ziekte in zit. Hoop op een menswaardig bestaan, of tenminste een menswaardig einde.

Ik zie ook geloof. Geloof dat het middel er zal komen Geloof en vastberadenheid, om de strijd niet op te geven. Een strijd die opgegeven wordt, is bij voorbaat verloren. De vastberadenheid is te zien in de ogen van de ruim 600 wandelaars, die trouw hun rondjes lopen, om beurten. De vastberadenheid is ook te zien in hun tred, in de stem van degenen die een toespraak houden. Wij geven ons niet gewonnen!

Ik zie ook liefde. Liefde voor dierbaren die de strijd hebben verloren, die met dankbaarheid herdacht worden. Zolang mensen je nog herinneren, je naam liefdevol fluisteren, ben je niet vergeten.

Iedereen die er is, is hier voor dezelfde reden. Of ze hebben zelf aan den lijven ondervonden hoe het is om die k-ziekte te hebben, of iemand in hun naaste omgeving. Dat geeft een grote saamhorigheid. We hebben een gemeenschappelijk doel, een gemeenschappelijke strijd. Al weten we niet hoe dat doel bereikt moet worden, we zetten er ons gezamenlijk voor in, met hart en ziel.

Ik zie kameraadschap, niet alleen vanwege het gezamenlijke doel, ook omdat we een andere kant van elkaar zien. We zijn allemaal mensen van vlees en bloed, met gevoel, met een eigen geschiedenis. Hoe anders we ook zijn, op deze plaats en in dit moment zijn we allemaal hetzelfde, zijn we één!

Een lange rij papieren zakken langs het parcours, gevuld met een waxinelichtje en in de meeste gevallen voorzien van een persoonlijke boodschap. Soms een heel verhaal, soms alleen een hartenkreet, of een foto met een geboorte- en sterfdatum, een herinnering aan een dierbare.

Ik ben blij en trots, dat ik mee heb mogen lopen. Dat ik op bescheiden manier iets heb kunnen bijdragen, geloof, hoop en liefde heb kunnen bieden.

Deze is voor jou, Frank.

 

De koning op zijn troon

Met enige vrees neem ik plaats, als een koning op zijn troon. Normaal gesproken ken ik geen angst, niet als het gaat om mijn troon. Dat was nu anders.

Het kwam niet uit de lucht vallen. Ze hadden het van te voren aangekondigd, ik wist wat me te wachten stond. Eens in de zoveel tijd moet ook mijn troon er aan geloven, zich onderwerpen aan een grondige inspectie en schoonmaak. Ongezien en achter de schermen strekt een netwerk aan pijpen zich uit, dat ook onderhoud nodig heeft.

Wanneer dat onderhoud precies plaats zou vinden, konden ze niet zeggen. Wel dat er sprake kon zijn van overlast. Ze adviseerden om de troon af te dekken met iets zwaars, omdat de pijpleidingen onder hoge druk gereinigd zouden worden. Om te voorkomen dat de stukken eraf zouden vliegen, of om de oren.

U begrijpt mijn vrees, mijn terughoudendheid. Wat anders mijn troon is, de plek waar ik me even terugtrek uit de wereld om me te verlossen van een zware last, is nu zelf een zware last. Waar ik me normaal gesproken veilig en op mijn gemak voel, daar dreigt nu gevaar.

Er is geen ontsnappen aan. Vroeg of laat, de koning moet op zijn troon, of-ie nu wil of niet. Voorzichtig verwijder ik de boeken die ik gebruik om mijn troon te verzwaren. Langzaam nadert mijn zitvlak de troon. Geen teken van verstoring, geen aanwijzing van komende rampspoed, geen uitbarsting. Ik slaak een zucht van verlichting en ga over tot de orde van de dag.

De spanning blijft echter voelbaar, niet bevorderlijk als je een zware last aan het lozen bent. Waardoor het alleen maar langer duurt!

Met pijn en moeite lukt het om te ontspannen, ik onderdruk visioenen van waterkolken en andere zaken, die ik liever verborgen houd. Mijn oren zijn gespitst op verdachte geluiden. Regelmatig schrik ik op, als ik denk iets verdachts te horen. Wat was dat? Een deur die dicht gaat. En dat? Eén van de buren, die de trap op- of afgaat. Wat nu weer? Elk geluid verstoort mijn gebruikelijke ritueel, dat gebaseerd is op rust (en regelmaat), het verpest mijn tijd op de troon.

‘Mijn koninkrijk voor een ongestoorde tijd op de troon!’ denk ik bij iedere keer dat ik plaatsneem. Dan merk je pas hoezeer je het nodig hebt om niet gestoord te worden bij zo’n delicate gebeurtenis. Hoe fijn het is, even wat tijd voor jezelf.

Morgen is het achter de rug. Dan is alles gecheckt, doorgelicht en doorgeblazen. Dan keert de rust weer terug, dan is mijn lijden voorbij.

Morgen neemt de koning weer plaats op zijn troon, in alle rust.

Fiets aan de hand

Het leven van een fietser gaat niet over rozen. Harde wind, regen, auto’s die geen voorrang geven, stoplichten, voetgangers en soms andere fietsers zijn hinderlijke obstakels, waar je niet omheen kunt.

Het ergste wat een fietser kan overkomen, is overvallen worden door een regenbui, net als je regenpak in je tas zit. Hoewel, een hagelbui is nog erger. Tenzij je een helm op hebt.

De meeste fietsers hebben een hekel aan regenpakken, zeker scholieren. Als het regent, blijven scholieren stug door trappen, alsof ze niet eens gemerkt hebben dat het regent. Alsof het ze niets doet, en ook niets kan schelen.

Je zou denken dat dat het allerergste is, dat een fietser kan overkomen. Dat je tot op het bot doorweekt bent, om dan ook nog nat gespat te worden door elke auto die door de plassen racet.

Maar nee. Dat is niet het ergste. Bij lange na niet. Het ergst is als je onderweg ontdekt dat je een lekke band hebt. Dat de lucht razendsnel uit de band vliegt, of langzaam maar zeker. Onmerkbaar, tot de band bijna leeg is. En dan geen fietspompje bij hebben, natuurlijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het ergst is, als je met je fiets aan de hand loopt, op weg naar huis. De weg is nog lang, want natuurlijk gebeurt het halverwege. Onderweg probeer je de nieuwsgierige blikken te ontwijken van de tegemoetkomende mensen. Of kijk je ze aan met een blik van ‘valt er hier wat te zien?’

Dat helpt niet, met meewarige blikken staren ze je aan. ‘Waarom loopt hij, hij is toch met de fiets?’ Ze proberen te ontdekken wat er aan de hand is. Al snel hebben ze het in de gaten: een lekke tuub!

Die vernedering, die afgang, met in je achterhoofd de wetenschap dat als je eenmaal thuis bent, de band nog geplakt moet worden. Als ik ergens een hekel aan heb!

Het alternatief? Naar de fietsenmaker. Twee tientjes, en dan was-ie nog te beroerd om de band te plakken. Zo’n klein gaatje is niet te vinden, zei hij. Die band krijg je er nooit meer om, voegde hij er aan toe. Pardon?

Het kostte een paar duiten, een nieuwe binnen- én buitenband. Nu kan ik er weer even tegen. Ik moest wel weer met de fiets in de hand, naar de fietsenmaker. Gelukkig alleen op de heenweg.

Paardenbloem

Ik zie het zo voor me. Een grote weide, vol hoog, wuivend gras. Zachtjes beweegt het mee, buigend voor de bries. Om zich weer op te richten, zodra de bries gaat liggen.

Een weide vol klaprozen, goudsbloemen, korenbloemen, slaapmutsjes, kamille en vele andere weidebloemen. Een weide, die gonst van de bijen en hommels. Vlinders fladderen voorbij, in groten getale, en in vele soorten en kleuren. Dansend gaan ze van bloem naar bloem, in hun kenmerkende sierlijke, ietwat chaotische vlucht. Vlinders zijn de artiesten, bijen en hommels de harde werkers. Amsterdam tegenover Rotterdam, in de dierenwereld.

Er ritselt nog meer leven in het hoge gras. Veldmuizen, naarstig op zoek naar voedsel. Slangen en hagedissen, en nog vele andere dieren, allemaal leven ze in hun eigen wereld, die soms elkaar kruisen.

Soms verbergt het gras iets anders. Een paartje, op zoek naar liefde, intimiteit en wat privacy, midden in de natuur. Natuurlijker kan haast niet.

In de bewoonde wereld zie je niet veel van dit soort weides. Het gras is er kort gemaaid, en strak. Geen blaadje steekt de verkeerde kant, of boven de andere uit, of het wordt afgemaaid. Lieve, kleine bloemen als de paardenbloem en de madelief grijpen hun kans.

Schuchter steken ze hun nek uit, boven het maaiveld. Hun gele of witte bloemblaadjes strekken ze zo ver mogelijk uit, om de zon te verwelkomen. Ook om hun gevleugelde gasten welkom te heten, die het stuifmeel transporteren naar soortgenoten, om het nageslacht veilig te stellen.

Telkens als we het gras maaien, leggen deze prachtige bloemen het loodje. Ze zijn prachtig in hun eenvoud, hoe mooi is het om een geel/witte zee van bloemen te zien, omlijst door groen?

Indringers zijn het, zeker de paardenbloem. Ze verdringen de grashalmen, duwen ze opzij. Breed waaieren ze hun bladeren uit, laag bij de grond, geen ruimte overlatend voor anderen.

Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om het gras te maaien, en deze prachtige bloemen van het leven te beroven. Neergemaaid, in de kracht van hun leven.

Eeuwig zonde is het! Nou ja, eeuwig. Voor je het weet, zijn ze weer terug. Onuitroeibaar. Sterk en krachtig, weerbarstig en taai, als het leven zelf. Het kan even duren, maar ze vinden een weg.

Even lijkt het grasveld een groene woestijn, een bijna kaal aandoende vlakte van kort gehouden grassprieten. Verder wordt alle leven uitgebannen, desnoods met gif of een verticuteermachine.

Nog even niet, paardenbloem. Even mag je nog blijven staan. Om ’s avonds je bloemblaadjes dicht te knijpen, als de zon achter de horizon verdwijnt. De volgende ochtend gaan ze weer open, gretig de zonnestralen onthalend, én de gevleugelde gasten.

Als de paardenbloemen zijn uitgebloeid, of het gras te lang, dan komt de grasmaaier weer in actie. En bloedt mijn hart een beetje.

Tot de volgende keer, paardenbloem. Ik weet dat je terug zal komen. Tot die tijd denk ik aan je, en aan de weide met het hoge gras.

Het meisje met de gele jas

Foto: Yvonne Bruin

Ze staarde naar de halflege beker popcorn in haar hand, zonder de beker te zien. Ze zat alleen, in een verlaten bioscoopzaal. Ingeklemd tussen twee rijen stoelen, het restant van de popcorn aan haar voeten. Een stille getuige.

Ze was dol op hem. Zo lang als ze samen waren, kon ze niet geloven dat ze samen waren. Hij was zo knap, lang en gespierd, met een glimlach die haar deed smelten. In alles was hij de perfecte man, in haar ogen.

Niet alleen in haar ogen. Zijn ogen hadden ook oog voor die andere ogen. Zijn handen beroerden ook hen, zijn lippen kusten ook de hunne. Ze was zo stom geweest, zo blind dat ze het niet al vanaf het begin gezien had. Alsof hij er mee te koop liep, alsof het allemaal aan haar lag.

Wanneer ze het precies doorkreeg? Moeilijk te zeggen. De smoesjes waarom hij niet bij haar kon zijn, zij afwezigheid ook als hij wel bij haar was, zijn blik die voortdurend afdwaalde naar anderen. Ze voelde zijn onrust, zijn behoefte verder te kijken dan haar. Ze voelde dat hij niet bij haar was, in geen enkel opzicht, op geen enkel moment.

Hoe lang houd je zoiets vol? Eindeloos lang, zo lijkt het. Eerst durfde ze hem er niet mee te confronteren. Bang om hem kwijt te raken, bang om alleen te zijn. Bang dat ze het niet waard zou zijn, zo’n mooie man. Of überhaupt iemand waard te zijn.

Veel erger dan wat anderen ons aan kunnen doen, is wat we ons zelf aandoen. Door te geloven wat anderen zeggen, dat we het niet waard zijn. Of door dat zelf te zeggen. Door keer op keer toe te staan dat iemand over onze grens gaat, zonder iets te zeggen.

Het vreemde is, dat ze het niet aan voelde komen. Ze had niet in de gaten hoe vol de maat was. Tot eerder die dag, tot hij voorstelde gezellig iets te gaan eten en een filmpje te pakken.

Bij het eten begon het al. Kijken naar anderen, hij flirtte zelfs openlijk met hen. Hij deed geen poging om het te verbergen. Bij de bioscoop ging het verder, flirtte hij met de kaartverkoopster en het meisje achter de balie bij de drankjes en het snoepgoed. Hij gaf de beker popcorn aan haar, tegelijkertijd maakte hij zo ongeveer een afspraakje met die ander.

Midden in de film, een romantische komedie die zij had uitgekozen, wilde hij haar kussen. Zijn arm om haar heen had al gevoeld als een zware balk, bijna verpletterend. Dit was de druppel! De strohalm, waar ze zich zo krampachtig aan had vastgeklemd, brak.

‘Nee!’ was het enige dat ze zei, zijn arm afwerend. Ze keken elkaar in de ogen en wisten het meteen. Het was voorbij.

Zwijgend stond hij op, keerde zich om en liep weg, haar leven uit. Zij bleef zitten, als verlamd, tot de film afgelopen was. Ze wachtte tot iedereen weg was, haar benen weigerden dienst.

Daar zat ze dan, ingeklemd tussen de rijen stoelen, met haar gele jas aan. Een jongen, die kwam kijken of iedereen weg was, vroeg of alles in orde was. ‘Ja hoor’, zei ze dapper. Verdwaasd keek ze hem aan, stond op en liep de bioscoop uit, de koude, donkere nacht in.

Dit is het eerste artikel in samenwerking met Yvonne Bruin, die de foto gemaakt heeft die mij inspireerde tot dit verhaal. Wil je meer foto’s zien van Yvonne? Kijk dan op http://yvonnebruin.com/

Liefde is


Liefde kent geen leeftijd. Als kind kun je al verliefd worden. Bij je geboorte zijn er al twee mensen die zielsveel van je houden, normaal gesproken. Daar komen nog vele liefdes bij. Voor je beste vriend of vriendin, broer(s) en/of zus(sen), opa’s, oma’s, ooms en tantes.

Wie herinnert zich niet de eerste, echte verliefdheid? Op de kleuterschool, of op de basisschool, op het speelterrein bij de schommels of in de zandbak. Het eerste kusje, vluchtig en al snel weer voorbij, als een gestolen moment. Bij mij was het op het schoolplein, met een meisje dat een paar straten verderop woonde.

Ook als je zelf opa of oma bent, of in elk geval de leeftijd ervoor hebt, kan de verliefdheid toeslaan. Een blik over de leesbril heen, en de vlinders dansen als nooit tevoren in de buik. Twee mensen die elkaar gevonden hebben, niet langer eenzaam of alleen, weer vol levenslust en vol jeugdig gevoel.

Liefde is een universele taal. Al begrijp je geen woord van wat de ander zegt en vind je zijn of haar cultuur maar vreemd, het hindert niet. Barrières zijn er om overwonnen de worden, al lukt dat niet altijd. De liefde heeft haar eigen taal, wie afgaat op gevoel spreekt de taal van de liefde vloeiend. Dan zijn woorden vaak niet eens nodig, een blik of gebaar, een enkele, tedere aanraking is al voldoende.

Liefde is blind. Liefde ziet niet wat er mis is, wat anders zou moeten of wat lelijk is. Liefde ziet alleen wat ons zo mooi maakt, waar we uniek in zijn. Fouten, als ze het al fouten zou willen noemen, worden met de mantel der liefde bedekt. Niet vergoelijkt, maar in plaats dat ze afstoten, maken ze het onderwerp van de liefde juist aantrekkelijker.

Liefde is tijdloos. Echte liefde roest niet, ze wordt alleen dieper met het verstrijken van de tijd. Soms vervliegt de liefde als een zoete parfum, langzaam maar zeker. Echte liefde is eeuwigdurend, ook op hoge leeftijd zie je dan nog die jonge man of vrouw waar je destijds verliefd op werd, alsof het gisteren was.

Liefde kent geen afstand. Geen zee is te diep, geen berg te hoog, geen afstand te ver. Wat in je hart woont, is altijd dichtbij. Al blijf je verlangen naar het moment dat je weer in elkaars armen bent, de hartslag voelt en de liefde ziet in de ogen van je geliefde. Wat de mooiste ogen ter wereld zijn!

Liefde is uitbundig, schaamteloos en onstuitbaar. Verliefde stelletjes tonen openlijk hun liefde voor elkaar, willen hun liefde van de daken schreeuwen. En waarom ook niet? Liefde is mooi, groots en meeslepend. Het vult je ziel, tot je aan niets anders meer kunt denken. Hou dat maar eens voor jezelf! Van de daken heb ik mijn liefde niet geschreeuwd, maar ik zei het wel tegen iedereen die het horen wilde.

Liefde is een kwelling, als het maar van een kant komt. Als de liefde beantwoord wordt, is ze het mooiste wat er is.

Sommigen zeggen liefde is als een chemische reactie, een roze cocktail van dopamine en oxytocine. Doe mij er nog maar een!

Geen berg te hoog – the story of Mount Doom

Het is alsof ik ogen in mijn rug voel branden, als ik het station van de kabelbaan uitstap. In de verte torent een berg overal boven uit. Bos en weiland wisselen elkaar af, overal waar ik kijk. Het uitzicht is prachtig!

‘Gelukkig hoeven we niet helemaal naar boven te klimmen’, dacht ik toen we beneden in het dal in de kabelbaan stapten. Tja, als je met een bergliefhebster getrouwd bent, en op vakantie gaat in Tirol, zou je zoiets kunnen verwachten.

Net buiten het station van de kabelbaan is een terras, met daarachter een winkel en restaurant. Het is er goed toeven, zo te zien. Bordjes wijzen ons naar de route die we hebben uitgekozen, langs grazige alpenweides en beboste hellingen. Zo steil is het hier niet, zo is het goed te doen. Het pad voert naar beneden, langs een speeltuintje met ligbanken met uitzicht over de bergen. Uren kan ik er naar kijken!

De weg voert verder, langs een boerderij. Op een helling, langs het pad, is een boer bezig met hooien. Als we de bocht omgaan, zie ik hem in de verte opdoemen. Een steile, hoge berg. Met hellingen die loodrecht omhoog lijken te gaan. Hoog torent de berg uit boven de omgeving. De Reither Kogel heet de berg officieel. Mount Doom zou een betere naam zijn!

Tegen beter weten in hoop ik dat we deze berg niet hoeven te beklimmen, dat de route vóór Mount Doom afbuigt. Hoe dichterbij we komen, hoe hoger de berg lijkt te worden. Dan komen we bij een smal pad, dat zich slingerend om de berg kronkelt. De wegwijzer velt het vonnis: we gaan linksaf, Mount Doom op.

Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd, en neem nog een slok water. Zijn het ogen die in mijn rug branden, of is het de zon? Het zal mijn verbeelding zijn. Ongetwijfeld is het dezelfde verbeelding die denkt dat de berg me uitlacht, me uitdaagt. Kom maar op!

Stap voor stap gaan we omhoog, het lijkt eindeloos te duren. Mijn ademhaling gaat steeds zwaarder, ik lijk wel een zwaar astmatische bergbok. Regelmatig stop ik even, om bij te komen. Bij iedere bocht kijk ik smekend omhoog, dat dit de laatste mag zijn! Iedere keer zinkt de moed in mijn schoenen, samen met het zweet, het bloed en de tranen, als blijkt dat mijn lijdensweg nog niet ten einde is.

Dan ineens is het zover: we hebben de top bereikt! Ik zijg neer op het dichtstbijzijnde bankje, reikhalzend uitkijkend naar die zuurstoffles die ik zo hard nodig heb. Nergens te bekennen! Een klein, select gezelschap van waaghalzen en sportievelingen heeft zich hier verzameld, om uit te hijgen, te lunchen en te genieten van het uitzicht.

Als ik weer bij mijn positieven ben, zie ik het ook. Het is adembenemend, net als de beklimming. Het is de moeite waard!

Als we weer afdalen naar de bewoonde wereld, voel ik niet langer vermoeidheid of ademnood, maar trots en voldoening. Geen berg gaat ons te hoog!

Ganzenboom

Met een rugtas vol boodschappen, en een tas in de hand loop ik naar buiten, op weg naar huis. Ik zie een man zwalken op de fiets, alsof hij niet weet welke kant hij op wil. ‘Heb je dat gezien?’ vraagt de man. ‘Er zit een gans in die boom!’

Een stuk verderop, aan de overkant van de straat, staat een hoge naaldboom. Tot mijn niet geringe verbazing zie ik inderdaad een gans zitten, bovenin de boom. Totaal op zijn gemak, rustig in zichzelf gakkend.

‘Dat kan helemaal niet, daar hebben ganzen toch geen geschikte poten voor?’ vraagt de man. Ganzen hebben zwemvliezen, inderdaad niet echt geschikt voor dergelijke acrobatiek.

Deze gans trekt zich duidelijk niets aan van conventie of traditie. Hij heeft lak aan de natuurwetten. ‘Dit lijkt me wel een fijn plekje, hier strijk ik eens neer’, zal hij gedacht hebben.

Ik ben een kind van de tijd, ik pak meteen mijn mobiel erbij om een foto te maken. Zo’n moment moet je vastleggen, én delen op Facebook. Anders gelooft niemand je, zelf geloof je het op een gegeven moment ook niet meer, jaren later. Nu heb ik bewijs!

Even later hoor ik nog meer gegak. Door de lens van de camera zie ik nóg een gans aan komen vliegen. Het werkt kennelijk aanstekelijk! Kennelijk dacht gans nr. 2 ‘Dat ziet er leuk uit, ikke ook!’ Sierlijk landt gans nr. 2 naast zijn vriend/vriendin, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Ik weet niet of het een paartje is, meneer en mevrouw De Gans. Misschien ben ik getuige van het ontstaan van een nieuwe soort, de boomgans. Misschien gaan de twee een nest bouwen, planten ze zich voort, daar hoog in de boom. Misschien is het evolutie in actie!

Met een combinatie van verwondering en ongeloof kijk ik naar de ganzenboom. Het is alsof ze de zwaartekracht trotseren.

Dan denk je alles gezien te hebben. Dan denk je dat niets je nog kan verrassen, verwonderen of verbazen. Dan denk je alles te weten.

Niet dus! Het is een fascinerend schouwspel, ik kan wel blijven kijken. Maar de boodschappen beginnen zwaar te wegen, met enige tegenzin begeef ik me huiswaarts.

Zullen de ganzen werkelijk een nest bouwen? Zijn ze inderdaad boomganzen geworden? Een dag later fiets ik nieuwsgierig langs de boom, benieuwd of ik ze nog zie. Geen ganzen te bekennen, ook de dagen daarna niet. Iedere keer als ik langs de boom kom, kijk ik hoopvol. Tot de dag dat het wonder nogmaals geschiedt!

Voor mij blijft deze boom voor alle eeuwigheid de ganzenboom.

Vol verwachting

Vol verwachting klopt mijn hart. Mijn hand trilt lichtjes als ik de telefoon pak. Zou het eindelijk zover zijn? Is dit het moment waar ik op heb gewacht?

Zou ik nu wel mijn pen in vitriool kunnen dopen? Zou ik nu wel eens lekker los kunnen gaan? Zou dit mijn kans zijn om de ultieme, van satire druipende, lifestyle bepalende column te schrijven?

Is dit mijn Buckler-moment?

Even schoot een zwarte gedachte door mijn hoofd. Het zal me toch niet weer op het laatste moment uit de handen glippen? Heb ik iets over het hoofd gezien?

Nee, volgens mij niet. De afstandsbediening heeft echt kuren. Soms reageert het kreng zo traag, het lijkt wel of hij aan vakantie toe is. Reden genoeg om de klantenservice van KPN, onze provider maar eens te bellen!

Wie zou ik aan de lijn krijgen? Hopelijk is hij/zij flink chagrijnig, en word ik van het kastje naar de muur gestuurd. Dat is gelukkig niet zo ver, in onze huiskamer. Pen en papier klaar, telefoon in de hand. Ik ben er klaar voor!

Binnen twee seconden is alle hoop de grond ingeboord. Een uiterst vriendelijke jongeman staat me te woord. Eén voor één gaan we de mogelijke oorzaken af. Uiteindelijk vraagt de jongeman of ik het ontvangstkastje even uit- en aan wil zetten.

‘De knop zit achter op het kastje’ helpt hij me op weg. Ik trek het kastje na voren, wat enig krachtsvertoon vergt. Nada! ‘Dan stuur ik een nieuwe afstandsbediening!’ besluit de jongeman. Binnen een dag of twee zullen we hem ontvangen.

Dezelfde avond zet ik de tv aan. ‘Geen videosignaal’, bijt de tv me toe. Hoezo niet? Er is toch niets veranderd? Het kastje staat aan, ik kan het groene lampje zien. Wat ik ook probeer, tv uit, tv aan, een andere HDMI poort selecteren, niets helpt.

Aha! Een nieuwe kans? Het zal toch niet…

Wéér klopt mijn hart vol verwachting. Wéér trilt mijn hand! Wéér dep ik handen en voorhoofd droog.

En weer slaat de twijfel toe. Zal ik nu wel iemand treffen die me eens lekker afblaft? Nee hoor. Een vriendelijke jongedame. Geduldig, vriendelijk en behulpzaam. Getver!

Wéér gingen we alle mogelijkheden af. ‘Hebt u al geprobeerd een andere poort te selecteren?’ Zeker! ‘Zit de kabel er wel goed in?’

Ik moet bekennen dat het achter ons tv meubel een wirwar aan kabels en draden is. Welke kabel bij welk apparaat hoort, en waar ze naar toe gaan, is niet te ontwarren. Ik meen het bewuste kabeltje gevonden te hebben, dat blijkt naar het stopcontact te gaan. Het andere is de internetkabel.

Twee kabels? Volgens de jongedame moeten het er drie zijn. Ik voel de bui al hangen. Voorzichtig trek ik het ontvangstkastje naar voren en ja hoor, daar zie ik de schuldige! De HDMI kabel, die ik eerder op de dag los had getrokken toen ik de ontvanger uit- en aan zette.

Juist ja. Mijn eigen glazen ingegooid.

De volgende dag kwam de nieuwe afstandsbediening, zoals beloofd. Hij werkt prima, ik kan wel een kanaal kiezen, maar niet de tv aan- of uitzetten of het geluid harder of zachter zetten. Voor ik de telefoon weer zou pakken, kijk ik op de gebruiksaanwijzing. Nu doet-ie het wel. Weer een kans voorbij.

Het zal wel even duren, voor mijn hart weer vol verwachting kan kloppen. Ik gok op 5 december.

Spring naar toolbar