Spring naar toolbar

Ze smelten de kazen

Afbeelding van Dewi9 via Pixabay

Het was warm, erg warm, wellicht de warmste dag ooit. Een dag dat de mussen het dak bij voorbaat al hadden opgegeven, een dag van asfalt vloeibaar leek te zijn. Een dag dat kazen vanzelf smolten, wat me deed denken aan die iconische reclame uit de jaren’80. Een dag om binnen te blijven, als je niet naar buiten hoefde.

Was het de aanblik van verlaten straten, die op mij als rustliefhebber een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenden? Was het de behoefte aan buitenlucht, al was die vanwege de warmte niet meer zo fris? Of was het de behoefte even in beweging te zijn, na dagen van bankplakken? Nee, het was iets anders: ik had zin in een tosti. Twee sneetjes brood, een plakje ham, boter, ik had bijna alles in huis. Op één ding na: kaas!

Er zat niets anders op, ik moest het er wel op wagen. Ik trok mijn stoutste schoenen aan, met enkelsokjes, om te voorkomen dat het schoeisel aan mijn voeten vast zou smelten. Ik schoof de gordijnen opzij en keek naar buiten. Wat ik al dacht: de zon brandde ongenadig. Voorzichtig deed ik de deur open, de warmte walmde me tegemoet. Snel sprintte ik naar de overkapping aan de achterkant van onze tuin, terwijl het zweet over mijn rug gutste.

Op de parkeerplaats achter ons huis was het nóg warmer. Baksteen en asfalt straalden de warmte vrolijk terug, het was te veel voor ze. Ik voelde me net een vampier, uit alle macht probeerde ik het zonlicht te vermijden. Gelukkig ging ik niet in rook op zoals Dracula, als het even niet lukte. Al begonnen er wel rookpluimpjes uit mijn oren te komen, of was het stoom? Ik schuifelde van schaduw naar schaduw, voortgedreven door mijn verlangen. Soms kwam er een obstakel op mijn pad: een stuk waar geen boom of huis schaduw bood. Snel sprintte ik naar de overkant. Eindelijk kwam mijn bestemming in zicht, gretig ging ik door de schuifdeuren van de supermarkt naar binnen, de verkoeling tegemoet.

Uren had ik er rond kunnen zwerven, tussen gekoeld fruit en vrieskasten. Mijn verlangen dreef me voort, snel griste ik een stuk kaas uit het schap, rekende ik af bij de kassa en al gauw stond ik weer buiten. Al zwetend en fluitend liep ik weer naar huis, dit keer negeerde ik de schaduw.

Tegen de tijd dat ik thuis was, was de kaas al bijna gesmolten. Dat scheelde weer!

Klavertje vier

Fotograaf: Gineke de Laat

Het is een symbool van geluk, het klavertje vier. Een uiterst zeldzaam natuurverschijnsel, de meeste klavertjes hebben maar drie bladeren. Waarom geen twee, of meer? Geen idee, moeder natuur heeft het zo bepaald. Eens in de zoveel tijd beslist ze anders, voor een enkel klavertje. Anders zijn is normaal gesproken reden is om buitengesloten te worden, het klavertje vier wordt juist omarmd.

Al vanaf de middeleeuwen wordt het klavertje vier gezien als een geluksbrenger, enerzijds vanwege de zeldzaamheid, anderzijds door de vorm, die doet denken aan een kruis. Zelf geloof ik niet zo in gelukssymbolen. Een klavertje vier veranderd niet ineens je leven, als je er een bij je draagt, moet je nog steeds links en rechts kijken voor je oversteekt. Konijnenpootjes brengen evenmin geluk, behalve voor het konijntje, als ze er nog aan zitten tenminste.

Ondanks mijn gebrek aan geloof worden mijn ogen als vanzelf naar beneden getrokken, als ik ergens klavertjes zie. Sowieso zijn het vrolijk ogende plantjes, wuivend in de wind. Zo ook op een bewolkte zaterdagochtend. Het was grauw weer, het waaide een beetje maar de temperatuur was aangenaam. Zoals zo vaak gingen mijn lief en ik aan de wandel, toen we bij een t-splitsing kwamen. Daar zag ik er een. En nog een! Voor ik het in de gaten had, had ik de eerste geplukt. Trots liet ik het plantje aan mijn lief zien. ‘O, wat bijzonder. Dat brengt geluk!’ zei ze. Zorgvuldig hield ik het klavertje in mijn hand, geklemd tussen wijsvinger en duim. Angstvallig hield ik het vast, bang om het geluk door mijn vingers te laten glippen. Bang om het geluk kwijt te raken, ergens onder weg.

Op een gegeven moment durfde ik het klavertje in mijn jaszak te stoppen. Eenmaal thuis haalde ik hem weer uit mijn zak, aandachtig bekeek ik mijn geluksbrenger. Een beetje verfomfaaid, een enkel blaadje dubbelgevouwen, zo te zien zat er nog genoeg geluk in. Missie geslaagd! Nu hoefde ik alleen nog maar af te wachten, tot het geluk zich aan zou dienen.

Volgens een legende stelt elk deelblad iets voor: het eerste de hoop, het tweede vertrouwen, het derde liefde en het vierde geluk. Geluk heb ik zeker: leuk werk, en leuke collega’s. De geweldige, lieve, mooie schat die ik mijn vrouw mag noemen bewijst dat ik als het om liefde wel goed zit. Hoop en vertrouwen zijn rotsvast in mij verankerd.

Het klavertje vier moet wel van goeden huize komen om dat te overtreffen!

Echte helden

Afbeelding van PublicDomainPictures via Pixabay

‘Zit niet in over mij’, schreef Hendrik Veeneman vanuit kamp Vught aan zijn gezin. Hendrik Veeneman zat in het kamp, omdat hij als waarnemend burgemeester van Son en Breugel niemand aan wilde wijzen voor dwangarbeid voor de bezetter. Hij werd gesommeerd om zich te melden in Vught, op 6 juli 1944 stapte hij op zijn fiets om naar het station in Best te gaan, om de rest van de reis per trein af te leggen.

Hij moet geweten hebben wat hem waarschijnlijk te wachten stond. Wat er door zijn hoofd ging, onderweg naar Vught, weet ik niet. Blije gedachten zullen het niet geweest zijn. ‘Ben je op tijd thuis voor het eten?’ vroeg zijn vrouw, voordat hij ging. ‘Natuurlijk’, had Hendrik geantwoord. De volgende dag zou hun zoon drie jaar worden. Zijn vrouw was op dat moment in verwachting van hun derde kind, een dochter die haar vader nooit zou zien. Uiteindelijk kwam Hendrik terecht in Mauthausen in Oostenrijk, waar hij op 24 april 1945 bezweek, kort voor het einde van de oorlog.

Ondanks de verschrikkingen die Henk ongetwijfeld meegemaakt zal hebben in de kampen stuurde hij optimistische berichten naar zijn gezin, om ze gerust te stellen. Of hij zijn principiële keuze betreurd heeft, we kunnen het hem niet vragen. Afgaand op de verhalen die over hem verteld worden, waag ik het te betwijfelen. Dat hij de ultieme prijs heeft betaald, een vreselijk hoge, dat is zeker.

Weten wat je te wachten staat, dat je afscheid moet nemen van alles dat je lief is, dat je het niet zult overleven, en toch zo’n keuze maken, dat maakt je een held. We hebben helden nodig, om te bewonderen, om tegenop te kijken, om te dienen als voorbeeld. Mensen die iets uitzonderlijks presteren verdienen zeker waardering. Ze inspireren, geven moed om vol te houden en wijzen ons de weg, als we die zelf een beetje kwijtgeraakt zijn.

Voetballers, atleten en acteurs worden vereerd als helden, soms krijgen ze een bijna goddelijke status. Hoe goed ze ook zijn, hoe charismatisch of aantrekkelijk ze ook moge zijn, hoezeer ze zich inzetten voor goede doelen, het maakt ze geen helden. Als je offers brengt, willens en wetens, en toch volhoudt, zoals Hendrik Veeneman, dan ben je pas een echte held.

Of het een troost is voor Lisette Veeneman, die geboren werd toen haar vader in Vught zat en negen maanden oud was toen hij overleed, weet ik niet. Ik hoop van wel.

Pastel de Nata

‘Weet je wat ze hier hebben?’ vroeg José, terwijl hij weer plaats nam. Op de terugweg van de WC had hij ze gezien. Nog geen vijf minuten daarvoor was ik naar de WC gezien, ik zou het dus moeten weten. ‘Geen idee’, zei ik, na uitvoerig mijn geheugen uitgekamd te hebben. Geen spoor, geen aanwijzing, niets!

‘Pastel de nata!’ riep hij enthousiast. Het is een klein rond gebakje van (blader)deeg (pastel in het Portugees), gevuld met custard of, zoals José het omschreef, crème (nata). ‘Wil je het proberen?’

Ik ben wel te porren voor een culinair avontuur, zolang het maar op bescheiden schaal is. Uit de omschrijving viel niet af te leiden dat het geen goed idee zou zijn. ‘Doen!’ zei ik dan ook.

Even later kwam een serveerster langs, die als twee druppels bidonwater leek op Jackie Groenen, één van Neerlands beste voetbalsters. Twee koffie, en twee pastéis de nata waren onderweg.

De koffie was er in no time, de pastéis lieten even op zich wachten. Druk was het niet in het restaurant waar we zaten. De deuren klapperden als de deuren van een saloon in een oude western met John Wayne. De tumbleweed, voort geblazen door de altijd waaiende wind, ontbrak nog.

Daar kon het dus niet aan liggen. Na enige tijd kwam Jackie weer langs, even later stond de Portugese lekkernij voor onze neuzen. Rechts op het bordje lag de pastel de nata, geflankeerd door een bolletje paars ijs op een kletskop. Paars? Ja, paars. Het zag er lichtelijk chemisch uit, een pure suikerbom.

Voorzichtig namen José en ik een hapje, in de hoop te ontdekken waar het naar zou smaken. Bosbessen? Nou nee. Het had wat weg van kauwgom, zowel qua kleur als qua smaak. Lekker was het niet, in tegenstelling tot de pastel, die voortreffelijk smaakte. Versierd met bosbessen en rozijnen (‘Dat is niet Portugees, hoor!’), gevuld met een zachte, nog warme custard. Heerlijk zacht van smaak, zoet maar niet té. Een weldaad voor de tong, én voor de maag!

Wat was nou die paarse substantie? We vroegen het aan Jackie, die zei: ‘Het is zoete aardappel!’ Dat hadden we nooit geraden. Zoet was het wel, zoete aardappel kan inderdaad paars zijn, al geloofden we niet dat het de kauwgompaarse kleur en de chemische uitstraling kon verklaren.

Onze nieuwsgierigheid was bevredigd, onze magen gevuld. Voldaan verdwenen we in de nacht, het wachten is op ons volgende culinaire avontuur.

Oneerlijke concurrentie

Afbeelding van slikviditet via Pixabay

Bijna achteloos stoof ze me voorbij, op de fiets. Een dame op leeftijd, een stuk ouder dan ik, ging me voorbij met een flinke gang, alsof ik stilstond. Ik ben niet de snelste fietser, nooit geweest eigenlijk, al was het vroeger eerder zo dat ik anderen voorbijsnelde. Dat was in een tijd dat ik meer haast had, de haast van de jeugd voor wie het al gauw niet snel genoeg gaat. Die hebben nog niet in de gaten hoe snel de tijd gaat.

Inmiddels heb ik Abraham al een tijdje in de achteruitkijkspiegel, happend naar adem. Of het de wijsheid is die komt met de jaren, vergezeld van grijze haren en wijkende haarlijn, ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat mijn haast aanzienlijk is afgenomen. En daarmee mijn snelheid, zowel op de fiets als in de auto. Al ver voordat het wettelijk verplicht werd, was ik al lid van de club van honderd. Op de snelweg stuiven ze me ook voorbij de laatste tijd, aan alle kanten. Mensen met ongelooflijke haast, wellicht gestimuleerd door lege snelwegen trappen ze het gaspedaal flink in, en geven mij het gevoel voort te sukkelen in een slakkengangetje. Ik vind het wel relaxt. Ik heb geen haast, ik kom er toch wel. Ook op de fiets.

Maar toch. Als je ingehaald wordt door een kleinere auto, of door een fietser die aanzienlijk ouder is, dat steekt. Het zit me niet helemaal lekker. Alsof ik niet meer mee kan komen, alsof ik op mijn laatste benen fiets. Alsof ik net als Abraham naar adem hap, iedere keer als ik een fysieke prestatie moet leveren. Om eerlijk te zijn, mijn conditie kan beter. Dankzij corona kom ook ik niet veel verder dan een enkele wandeling, onder het genot van een hemel die blauwer en een lucht die schoner lijkt. Maar toch.

Als ik bij het autorijden ingehaald wordt, boeit me dat niet zoveel. Iedereen kan te hard rijden, dat is geen verdienste. Op de fiets, dat is een ander verhaal. Dan moet je het zelf doen, in plaats van pk’s heb ik dan alleen lk. Daar moet ik het mee doen.

Op het moment dat de dame op leeftijd me voorbij stoof, keek ik naar de bagagedrager van haar fiets. Wat ik al dacht, een accu. Geen wonder dat ze me zo makkelijk in kon halen, ze zat op een elektrische fiets!

Oneerlijke concurrentie, dat is wat het is.

De andere wang

Veel van wat er op Gezichtsboek voorbijkomt, is niet of nauwelijks de moeite waard. Het zijn voyeuristische kijkjes in andermans leven. Er zijn ook mooie, aangrijpende dingen. Het verhaal van een jongen van 14 die een andere jongen vermoordde, dat greep me aan. De jongen pleegde zijn daad om aan de bende waar hij toe behoorde te laten zien wat hij waard was. Dat deed hij.

Zijn pech, of beter gezegd zijn geluk, was dat hij gepakt werd. Na afloop van de rechtszaak, nadat de jongen veroordeeld werd, stond de moeder van de vermoorde jongen op en zei: ‘Ik zal je vermoorden!’. De jongen verdween in de gevangenis. Niemand kwam hem opzoeken, hij had geen familie. Zijn vermeende vrienden, die van de bende, kwamen hem ook niet opzoeken. De moeder van de vermoorde jongen wel, als enige. Na een jaar kwam ze hem bezoeken, de jongen was nerveus. Wat zou ze van hem willen? ‘Ik wil alleen praten’, zei ze, en gaf hem geld om sigaretten te kopen. Ze bezocht hem regelmatig, om te proberen de jongen te begrijpen die haar zoon had vermoord. Als hij bijna vrijgelaten wordt, vraagt ze hem: ‘Wat ga je doen als je vrijkomt?’ ‘Ik heb geen idee’, antwoord de jongen, een jonge man inmiddels. Ze regelt een baan voor hem, onderdak had hij evenmin, ook dat bood ze hem aan.

Zogezegd, zo gedaan. De jongeman trekt bij haar in, en bouwt een nieuw leven op. Op een dag, na een maand of zes, komt de moeder naar hem toe. ‘Ik wil je even spreken, kom je mee naar de woonkamer?’ Ze kijkt hem in de ogen en zegt: ‘Kun je je herinneren dat ik in de rechtbank zei dat ik je zou vermoorden?’ ‘Ik zal het nooit vergeten’, zei de jongeman. ‘Dat is precies wat ik gedaan heb’, zei de moeder. Ze wilde niet dat de persoon die haar zoon vermoordde nog op deze aarde zou rondlopen. Door in hem te geloven, door hem een kans te geven zorgde ze ervoor dat de jongeman die voor haar zat niet meer dezelfde was als de moordenaar van haar zoon.

Ze adopteerde hem. Ze keerde hem de andere wang toe, ze deed meer dan hem vergeven. Ze gaf hem een plaats in haar leven, in haar hart. Ze werd de moeder die hij nooit had.

Ik weet niet of ik dat ook zou kunnen.

Herinneringen

Fotograaf: Astrid Timmers

Ik kan me de dag herinneren, als de dag van gisteren. Mijn lief, mijn bruid, stralend naast me. Onze trouwambtenaar Judith, die een prachtige toespraak hield, waarvan ik wilde dat die zo snel mogelijk voorbij was. Zodat ik ‘Ja, ik wil’ kon zeggen. Zodat ik dat prachtige, liefdevolle schepsel naast me kon kussen, iets wat ik dolgraag wilde. Zodat iedereen wist dat ze mijn vrouw was, de liefde van mijn leven. Mijn alles.

Er zijn veel dingen, die een mens zich kan herinneren van zijn trouwdag. De mooie, korte witte jurk die mijn lief droeg. De Schotse Hooglander, die nieuwsgierig in haar nek snuffelde toen we foto’s aan het maken waren bij het Oud Meer. De schommel, die we daags tevoren ophingen aan een boom, vlakbij datzelfde Oud Meer, tussen de buien door. Het stralende weer op onze trouwdag zelf, het openluchttheater waar we trouwden, de verbaasde blikken van de gasten toen mijn bruid en ik arriveerden, op de fiets. Hoe iedereen verwachtingsvol naar ons keek, toen we hand in hand van de trap afliepen, op weg naar het podium. Hoe ik een traantje weg moest pikken toen Judith de door mij geschreven woorden aan mijn lief voorlas, en ik de liefde voelde.

Dit jaar is het vijf jaar geleden, ons houten huwelijksjubileum. Vijf jaar, het is een mooi rond getal. Het is ons eerste lustrum, ook een leuk detail. Elke trouwdag is me kostbaar, zoals elke dag met mijn lief me kostbaar is. Zoals mijn lief zelf me nog het kostbaarst is van alles! We zouden onze vijfde trouwdag in Noorwegen gevierd hebben, ware het niet dat de reis niet doorging. Noorwegen, daar wilde mijn lief graag naartoe, een lang gekoesterde wens die eindelijk in vervulling zou gaan. Niet dat we per se ons eerste lustrum op een bijzondere plek wilden vieren. Dat kan volgend jaar ook, als we ons ijzeren jubileum vieren.

Als je ware liefde hebt gevonden, dan ben je een gelukkig mens. Al vijf jaar hoor ik bij de Quote 500 van de gelukkigste mensen in Nederland, al is het niet alleen rozengeur en maneschijn. Ook wij kennen momenten dat het even minder gaat, we komen er altijd weer uit. Liefde is werken, je moet er wel wat voor doen.

Zoveel herinneringen, zoveel mooie tijden. Ik koester ze allemaal, of het vijf jaar geleden is of vijftig.

Ik hou van je, mijn lief, nu en in alle eeuwigheid!

Examenfeesttijd

Afbeelding van Marjon Besteman-Horn via Pixabay

Aan de vlaggen en boekentassen te zien, is het alweer voorbij, de examentijd. Als je geen kinderen hebt, merk je er niet zoveel van. Dan gaat het in stilte aan je voorbij.

Het is een bijzonder moment, een soort ‘rite of passage’, een stap naar volwassenheid, het eindexamen. Een moment dat normaal gesproken gepaard gaat met feesten, gala’s zelfs, en niet te vergeten de diploma-uitreiking. Het is een moment om even terug te denken aan toen ik zelf examen deed. Gymzalen, gevuld met tafels, op ruim 1,5 meter afstand, toen al. Een zwijgzame menigte scholieren, gebogen over wiskunde, Nederlands of geschiedenis. Krassende pennen, gevolgd door zuchten van verlichting of wanhoop, als het teken ‘Pennen neer!’ werd gegeven. Om tenslotte gespannen af te moeten wachten, tot het verlossende telefoontje, het telefoontje dat NIET kwam.

Gala’s waren er niet in mijn tijd, niet dat ik me kan herinneren. Ik herinner me ook niets van afgeslagen of niet gekregen uitnodigingen voor examenfeestjes, zo niet mijn ding. Een dodelijk verlegen tiener, die moet je ook niet naar een feestje sturen, om vol verlangen te moeten kijken naar dansende stelletjes. Dat ook wel willen, dolgraag zelfs, maar niet kunnen. Terugverlangen doe ik niet naar mijn middelbareschooltijd, al zou ik best wel willen weten hoe het voelt om achttien te zijn. Een strak lichaam te hebben, zonder buikje, mét haar. Ik zou een brommer aanschaffen, of hard fietsen, tegen de wind in. Zodat mijn haar kon wapperen.

Wat was ik jong en wat wist ik weinig. Het is vreemd, dat je je voor moet bereiden op je leven als volwassene, keuzes moet maken welke kant je op wil met je leven, zonder te weten wie je bent, waar je goed in bent en wat je wilt.

Als ik kijk naar de huidige tijd, waarin feesten, gala’s en diploma-uitreikingen uit den boze zijn, denk ik wel eens dat ik te vroeg geboren ben. Voor mij zou het geen straf geweest zijn het zonder deze dingen te moeten doen, eerder een beloning. Voor veel jongeren die dit jaar examen deden is het wel een gemis. Een anticlimax, de beloning voor vier tot zes jaar hard werken word je ontnomen, ik kan me voorstellen dat het zo voelt. Een fase in je leven wordt afgesloten, op een manier die suggereert dat het er niet toe heeft gedaan.

Zouden er openlucht-examenfeesten zijn? Doe het geluid alsjeblieft een beetje zachtjes, voor deze stilteliefhebber.

Spinnen zijn monsters

Fotograaf: Gineke de Laat

Ineens zag ik ze, drie joekels van spinnen, tegen de muur waar ik een hoop planken tegenaan had staan. Toen ik de planken weghaalde, kwamen ze tevoorschijn. De spinnen bewogen niet, alsof er niets aan de hand was bleven ze zitten. Even later was er één weg, opgegeten of gevlucht, ik weet het niet. Spinnen zijn voor veel mensen enge beesten, monsters zijn het! Dankbaar maken makers van horrorfilms of -boeken gebruik van de angst die veel mensen voor deze beestjes hebben. Ze zien er zo anders uit, ‘alien’ bijna, met hun acht poten en acht ogen. Lange, dunne poten, harige lijven en monsterlijke kaken, als je ze uitvergroot ziet. Het is om bang van te worden.

Hoe gevaarlijk ze ook ogen, de meeste spinnen zijn het niet. Spinnen zo groot als die in de Lord of the Rings trilogie zijn er gelukkig niet, anders was het een ander verhaal. Sommige spinnen zijn wel gevaarlijk, die zijn uiterst giftig. Al komen fatale spinnenbeten zelden voor, sowieso niet in Nederland, waar geen spinnen voorkomen die giftig zijn voor de mens.

Spinnen, ze lijken slachtoffer te zijn van een slechte publiciteitscampagne. Ze hebben een slechte reputatie, veel mensen zijn bang voor ze en durven ze niet aan te raken. Spinnen zijn uiterst nuttig, veel insecten waarvan we niet eens weet hebben dat ze in onze huizen rondwaren worden door spinnen gevangen. De webben die spinnen bouwen, zijn kunstwerken op zich. Perfect symmetrisch, en gemaakt van ongelooflijk sterke zijde, die de mens niet na kan maken. De natuur overtreffen of zelfs evenaren, is soms moeilijker dan het lijkt.

Natuurlijk, het is vervelend als je een spinnenweb in je gezicht krijgt, als je even niet uitkijkt. Op drukbevaren routes houden de webben niet lang stand, in vergeten hoekjes floreren ze. Niet alle spinnen bouwen webben, sommige spinnen zoals de wolfspin besluipen hun prooi, net zoals een kat. Het zijn intelligente wezens, die uiterst precies de perfecte route uitrekenen om hun prooi te kunnen benaderen. Prooien, die wij nog minder graag zien als spinnen zelf, zoals zilvervisjes, muggen en vliegen.

Misschien jaag ik u de stuipen op het lijf: het schijnt dat er honderden spinnen door uw huis kruipen, terwijl u dit leest. Het zijn er zoveel, en ze zijn zo taai, weg krijgen we ze niet. Willen we dat ook wel, nuttig als ze zijn?

Spinnen zijn geen monsters, niet meer dan u of ik.

Paniek in de VS

Afbeelding van Shutterbug75 via Pixabay

Er heerst paniek in de VS. Het is vreselijk, het fundament van de beschaving staat onder druk, dreigt te worden weggevaagd. Niet vanwege overvolle IC-afdelingen. Niet vanwege het almaar stijgende aantal mensen die overleden zijn als gevolg van corona. Zelfs niet omdat alleskunner Trump aanraadt om jezelf te injecteren met ontsmettingsmiddel, tegen corona. Nee, het is erger. Véél erger.

De hamburgers dreigen op te raken. U leest het goed: het land van McDonald’s en Burger King, het mekka van fastfood, dreigt het zonder dat platte stukje vleesachtige substantie te moeten doen. Net nu het barbecueseizoen aanbreekt, dreigen de Amerikanen het te moeten doen zonder de halve koe op de barbecue, om het langzaam te laten garen. In het vleesland bij uitstek moet menig hamburgerrestaurant het zonder doen, de supermarkten stellen een maximum in aan de hoeveelheid vlees die iedere klant mag kopen. Of ze willen of niet, tot augustus moeten de Amerikanen op dieet. Het zal wennen zijn!

Wat is de reden? Amerika is het land van onbegrensde mogelijkheden. Je kunt het ver schoppen, van krantenjongen tot mediamagnaat. Dat is slechts voor een enkeling weggelegd, de meeste Amerikanen moeten hard werken om het hoofd boven water te houden. Immers, geen werk betekent geen inkomen. Geen eten, geen dak boven je hoofd en al helemaal geen ziektekostenverzekering. Dan pak je alles aan wat je kunt, ook werk in een vleesverwerkingsfabriek, waar je schouder aan schouder staat met je al even laagbetaalde lotgenoten. Zonder enige bescherming, ziekmelden is er niet bij. Uit angst hun baan (en dus inkomen) te verliezen, werken de immigranten door. Met als gevolg dat het coronavirus vrij spel heeft, sommige slachterijen hebben onder druk van lokale overheden en vakbonden de deuren gesloten.

President Trump, betrokken als hij is, heeft de vleesverwerkers opgedragen te blijven draaien. Om dat doel te bereiken heeft hij een oude oorlogswet van stal gehaald, die de mogelijkheden beperkt om bedrijven aansprakelijk te houden als werknemers ziek worden of overlijden. Trump wil dat de vleesfabrikanten hun productie opschroeven. Volgens mij is hij bang het zonder zijn favoriete voedsel te moeten doen.

Om afstand te kunnen houden, en vanwege ziekteverzuim, draaien de slachthuizen maar op halve kracht. Goed nieuws voor de dieren, zou je denken. Niet helemaal, sommige boeren zijn ertoe overgegaan hun dieren te ruimen, nu de slachtcapaciteit is afgenomen.

Paniek omdat er minder vlees is, het is wat. Misschien eens een Vega burger proberen?