In het water

Daar lag ik dan. Met mijn achterste in het water, mijn ene schoen halfdroog, de andere schepte water bij het leven. Is mijn verjaardag in het water gevallen?

Vijf seconden daarvoor aarzelde ik nog. Ik stond stevig op twee stenen, midden in een ondiepe maar ijskoude beek. De afstand naar de volgende steen, met daarachter de droge oever, leek onoverbrugbaar.

Mijn lichaam schreeuwde: ‘Niet doen!’. Ik voelde een soort angst, ondanks het feit dat ik niet in een diepe afgrond dreigde te storten. Mijn hoofd zei: ‘Toe maar, je kunt het!’ Aarzelend zette ik de stap was het de aarzeling, de twijfel die gonsde in mijn achterhoofd, waardoor het fout ging?

Wat het ook was, op het moment dat ik de stap zette, gleed mijn rechtervoet van de gladde rots, mijn lichaam helde naar rechts en tegelijk naar achteren, waardoor mijn rechterschoen tijdelijk dienst deed als waterrad en mijn achterwerk in de beek belandde.

Daar sta je dan, aan het begin van wat een mooie dag zou moeten worden. Even verderop lag de ruïne van een middeleeuws kasteel, het doel waarvoor ik de oversteek waagde. In een vlaag van overmoed, een poging wellicht om mijn reeds lang verloren gegane jeugd terug te vinden. Want letterlijk twee meter verderop stond een brede, comfortabele en vooral veilige brug, die een droge overtocht beloofde.

Het groepje mannen dat even verderop zat te lunchen deed weinig moeite hun lachen te verbergen. Waarom zouden ze ook, zo had tenminste iemand er nog plezier van.

Geschrokken kwam mijn vrouw naar me toe gesneld, zij had bepaald niet de neiging om te lachen. Gelukkig was alleen mijn trots geschonden, afgezien van natte schoenen, broek, trui en T-shirt was er niets aan de hand. Of ik niet liever terug wilde naar ons huisje, om droge kleren aan ter trekken, vroeg mijn lieve schat.

Daarvoor ben ik te veel macho. Terugkeren? Geen denken aan! We lopen naar het kasteel, onder muzikale begeleiding van soppende schoenen. Net voorbij de ingang van het kasteel ging ik zitten op een bankje, om het water uit mijn schoenen te gieten en mijn sokken uit te wringen. Tot mijn geluk had ik een droge trui bij.

Onverstoorbaar bekeek ik alle hoeken en gaten van het kasteel, tot aan de hoogste toren toe. Niemand leek acht te slaan op mijn natte schoenen of kleding, zelf deed ik alsof er niets aan de hand was.

Na het bezoek aan het kasteel maakten we nog een wandeling in de prachtige bos- en heuvelrijke omgeving. Het was een verjaardag om nooit te vergeten! En dan te bedenken dat ik niets heb met verjaardagen, vooral niet met die van mezelf. Het liefst doe ik alsof het een dag is als alle andere, daarom gingen we ook een weekje weg.

Nee, deze verjaardag is alles behalve in het water gevallen!

Over de streep

Het is prachtig fietsweer. Niet te warm, niet te koud, een lekker zonnetje en een frisse bries. Het parcours voert langs smalle paden en lanen, omzoomd door schaduw brengende bomen. En langs het kanaal, dat zich in een kaarsrechte lijn door het landschap klieft.

Onverstoorbaar fiets ik verder, mijn bestemming heb ik nog niet bereikt. Ik ben op weg naar een verjaardagsfeest, het is een mooie aanleiding voor een fietstocht.

Mijn benen worden al moe, mijn achterwerk voelt als versteend. Een stukje terug voelden mijn edele delen alsof ze geen onderdeel meer wilden uitmaken van het geheel. Fietsen is afzien.

Zweet verzamelt zich op mijn voorhoofd, en op andere onwelkome en nu onwelriekende plaatsen. Een aardige inspanning voor iemand die niet veel gewend is!

Als ik het dorp waar mijn vader woont binnen fiets, is daar ineens een onwelkome hindernis. Een dranghek, dwars over de weg. Dat houdt mij niet tegen, denk ik vastberaden.

Even verderop verspert een andere serie dranghekken mij de weg. In een oogwenk zie ik een peloton wielrenners voorbij flitsen. Wat is de lol voor de toeschouwer, vraag ik me af.

Links en rechts van de weg staan kleine groepjes mensen, veilig achter de dranghekken. Sommigen hangen wat tegen de muur, anderen zitten op bankjes of zelf meegebrachte stoelen. Ze praten wat met elkaar, kijken niet op of om als ik langsflits. Mijn verschijning maakt blijkbaar weinig indruk.

In de verte zie ik hem opdoemen, de finish. Zomaar ineens, uit het niets. Even aanzetten, een kleine demarrage, meer is niet nodig. Niemand voor me, ook achter me is in geen velden of wegen iemand te bekennen.

In gedachten ga ik over de streep, mijn armen triomfantelijk ten hemel geheven, onder luid gejuich en applaus.

Het is een waar dilemma. De verleiding is groot, de overwinning ligt voor het grijpen. Zouden er ook schaars geklede dames zijn om de winnaar te onthalen, zoals bij de Tour de France? Niet dat ik daar op zit te wachten, natuurlijk. Het is toch een leuk idee, een echte stimulans om de pedalen eens goed rond te laten gaan.

Hoe groot de verleiding ook is, ik bezwijk niet. Het enthousiasme van de toeschouwers ontbrak, evenals de pitspoezen, zo te zien. Teleurgesteld, maar wel met het gevoel de juiste beslissing genomen te hebben, sla ik vlak voor de finish rechtsaf, mijn route vervolgend.

Net voor de finish gestrand, het is toch wat. Gelukkig heb ik mijn bestemming wel bereikt!

Op het feestje is het verhaal een stuk mooier geworden, compleet met pitspoezen. Dat begrijpt u vast wel.

Moddergevecht

Daar sta ik dan, tot mijn knieën in de modder. Hoe ben ik hier in vredesnaam terecht gekomen? De vraag schiet door mijn hoofd, terwijl ik probeer mijn evenwicht te bewaren. Mijn evenwichtsgevoel is niet al te best, al sta ik stevig in mijn schoenen. Die schoenen zijn veilig opgeborgen in een kastje, op het droge. Mijn voeten proberen in weg te vinden in de glibberige modder, het minste of geringste brengt me aan het wankelen.

Voorzichtig zoeken mijn voeten een weg in het donkere, modderige water. Het lijkt overal even diep, maar het water is verraderlijk. Ineens is er een diepe put, lijkt het alsof de aarde onder je voeten verdwijnt, en lijk je weg te zinken. De ondergrond, als die er al is, biedt weinig houvast. Het is en blijft ploeteren!

Een smalle boomstam lijkt een uitweg te bieden. Hoog en droog ligt de stam over het water, de ene droge oever verbindend met de andere. Ik waag het er op, neem enkele wankele stappen en geef het plan op. Als je van de ene naar de andere kant wankelt, is de kans groot dat je in het water belandt. Mijn geluk kennende, op elegante wijze met mijn achterwerk in de lucht. Nee, dank u!

Achter ons klinken steeds luidere stemmen. De volgende groep is in aantocht, ongeduldig zijn ze. Ze willen vooruit, ze willen uit deze moddermassa. Dat wil ik óók, maar dan wel met overleg.

Met gemak banen ze zich een weg, waar ik aarzel. De boomstam is bepaald geen hindernis. Het zal aan mij liggen. Ik laat ze begaan, al gauw is de rust weergekeerd.

Met modder tussen onze tenen gaan we verder, het lijkt alsof ik zwarte laarzen aan heb over mijn melkwitte benen. Over harde zandpaden gaat het verder, paden gebakken in de ook deze dag genadeloos schijnende zon. De harde zandpaden voeren naar deze modderpoel, en naar de volgende, langs boomgaarden en prachtig aangelegde middeleeuwse en Romeinse tuin. De lucht is strakblauw, de wolken zijn op vakantie.

Dan volgt een pad, bekleed met stenen. Eerst kleine stenen, die steeds groter en groter worden. Een weldaad voor onze ontblote voeten. Het pad voert dwars door een andere poel, langs een gespannen touw. Het touw biedt nog enige houvast, als mijn voeten weer voorzichtig hun weg zoeken en een nieuwe modderlaag krijgen.

Het is een afwisselend pad, daar in Twello, op de grens van Gelderland en Overijssel. Een pad dat niet alleen langs modderpoelen en tuinen voert, maar ook door dichte bossen en struikgewas. Door hoog olifantsgras, waar je achter elke bocht een olifant of tijger verwacht. Waar stemmen klinken die ver weg lijkten te zijn, maar toch dichtbij. Waar het pad over een smal plankje voert, waar ik wel mijn evenwicht weet te bewaren.

Een pad, waar het eindpunt een mooi terrein is, een oase van rust, midden in de natuur. Hier kunnen we even bijkomen van ons moddergevecht.

Gekkenwerk

‘Het is gekkenwerk’, denkt ze bij zichzelf. Het is duidelijk geen weer om naar buiten te gaan. Eigenlijk zou ze met een dik boek en een kop warme thee (mét honing) bij een knapperend haardvuur moeten zitten. Eigenlijk wel.

De onrust is sterk vandaag. De onrust is er altijd, elke minuut van elke dag. Soms sterk, overweldigend, alom aanwezig. Soms als een waakvlam van een boiler, verstopt op zolder. Uit het zicht, maar niet ver weg.

Vandaag is weer zo’n dag, alles overweldigt haar. Als de muren op je afkomen, bieden ze geen onderdak meer. In plaats van veilig, voelen ze als bedreiging. Ruimte heeft ze nodig!

Foto: Yvonne Bruin
Foto: Yvonne Bruin

Nog net denkt ze er aan om een paraplu mee te nemen, voor het geval dat. Zonder verder na te denken stapt ze op de fiets, zonder richting, zonder doel. Op en neer gaan de pedalen, steeds sneller. Ze fietst de longen uit haar lijf, pas als ze niet meer kan, valt ze even stil. Een harde, lange schreeuw ontsnapt, alsof alle wanhoop er in één keer uit wil. Er uit móét.

Als ze even is bijgekomen, gaat het weer verder. De onrust is nog niet weg, nog lang niet. Ze ziet niets van het landschap dat zich voor haar ontvouwt, ze ziet niets of niemand. Gebouwen flitsen aan haar voorbij, ongezien. Regen en wind hebben geen vat op haar, ze voelt ze niet.

Dezelfde beelden ziet ze voor haar geestesoog, telkens weer. Zonder respijt, zonder genade. Het drijft haar steeds verder, net als in haar hoofd draait ze rond in cirkels, zonder begin en zonder eind.

Waarom het zo is, kan ze niet verklaren. Het is een instinct, een gevoel. Tunnels hebben haar altijd aangetrokken, alsof ze een schuilplaats bieden. Even is de onrust weg, als ze in een tunnel is. Het waakvlammetje is verbannen naar de zolder, voor even.

Als ze weer een beetje tot zichzelf komt, ziet ze in de verte de fietstunnel. Een tunnel, waar ze al zo vaak doorheen is gefietst. Het voelt vertrouwd, hier zal ze veilig zijn.

Een plotse windvlaag verrast haar. Haar fiets gooit het bijltje er bij neer, en zijgt ter aarde. De wind maakt van haar regenscherm een windscherm, die dreigt haar mee te sleuren, bestemming onbekend.

De absurditeit van de situatie dringt tot haar door. Een glimlach breekt door, eerst voorzichtig, dan wat brutaler. Steeds breder wordt de glimlach, tot de glimlach verandert in een bulderende, onstuitbare schaterlach.

De onrust, de wanhoop, alles waait weg. De paraplu weet ze ternauwernood te redden. Ze vouwt hem op, nutteloos als hij is geworden. De fiets neemt ze ter hand, lopen gaat sneller in de steeds sterker wordende wind.

Bevrijd keert ze terug naar huis, de vier muren zijn weer een thuis. Even is ze vrij, alle zorgen zijn ‘gone with the wind’.

Morgen ziet ze weer, morgen is weer een dag.

Samenscholing verboden

Julius Caesar, wie kent die naam niet? Julius Caesar, de beroemde Romeinse generaal en dictator, die toen hij op 15 maart 44 v.Chr. de Senaat betrad, omringd werd door senatoren, die de republiek in ere wilden herstellen. ‘Tu quoque, fili mi’, kermde Julius tegen Brutus, zijn protegé en een van de samenzweerders, terwijl hun dolken zich in zijn lichaam boorden.

Ik moest aan de arme Julius denken, toen ik ’s avonds aan de wandel was en verderop een groepje mensen zag. Ik weet niet hoe u er over denkt, samenscholingen van mensen geven mij een zeker gevoel van onbehagen. Al zien ze er nog zo vriendelijk of onschuldig uit, al hebben ze meer aandacht voor elkaar of voor wat de ander te vertellen heeft dan voor mij, al is het nog zo gezellig, ik vertrouw het niet.

Wie kent ze niet, de groepjes jongeren die aan het ‘chillen’ zijn (heet dat nog zo?) op de hoek van de straat, bij een cafetaria of in het park. Denkt u dan ook ‘die hebben vast niet veel goeds in de zin’? Ook al is er geen aanleiding toe, toch denken we dat.

Soms, een enkele keer, komen die bange voorgevoelens uit. Verbale plaagstoten, een petje dat van je hoofd gerukt wordt en dat je vervolgens nooit meer terug ziet, of nog erger. Het gebeurt, maar minder vaak dan we wellicht denken.

Julius Caesar dacht wellicht dat het wel mee zou vallen, op het moment dat de moordlustige senatoren hem omringden. Pas toen de messen zijn lichaam perforeerden en het leven langzaam wegvloeide, wist hij wat er aan de hand was. Maar toen was het al te laat.

Daarom mijd ik waar mogelijk samenscholingen. Daarom vind ik dat samenscholingen van meer dan vier personen verboden moeten worden, met onmiddellijke ingang. De avondklok moet weer ingevoerd worden, als groepjes onverlaten zich er niet aan houden, moeten ze uiteengejaagd worden door de Mobiele Eenheid, met wapenstok en traangas. Geen genade!

Zodat eenzame mensen, of mensen alleen, weer veilig over straat kunnen. Evenals ouden van dagen, en vrouwen alleen.

Als Julius Caesar samenscholingen had verboden, had hij allicht langer geleefd. Wie weet hoe de wereld er dan uitgezien zou hebben.

Je kunt natuurlijk ook gewoon een straatje omlopen, als je het niet vertrouwt. Zo kom je nog eens ergens anders, het is niet verkeerd soms van de vertrouwde paden af te wijken.

Misschien had de ouwe Juul dat ook beter kunnen doen, een straatje omlopen.

Zombie

Als ik even opkijk, zie ik een zombie langs fietsen. Tergend langzaam fietst ze me voorbij, haar ogen gefixeerd op het kleine scherm voor haar neus. Ze fietst net snel genoeg om niet te vallen.

Een klein stukje verder buigt de weg scherp naar rechts. Daar is alleen het terrein van de plaatselijke voetbaltrots, vooral in het weekend het doelwit van voetbalpappa’s en –mamma’s, die hun nakomeling(en) afzetten of ophalen. En van liefhebbers die zelf graag tegen een balletje trappen, natuurlijk.

De bocht was tot voor kort een gevaar. Het fietspad gaat rechtdoor, auto’s kunnen alleen rechtsaf of rechtsomkeer maken. Menig automobilist heeft wel eens een fietser over het hoofd gezien, die rechtdoor ging. Met alle noodlottige gevolgen van dien. De oplossing: een verkeersbord die de automobilisten er alert op moet maken dat er wel eens een fietser rechtdoor wil.

Het meisje fietst gestaag door, nog steeds in bedaard tempo. Langzaam maar zeker komt de bocht dichterbij. Net als ik denk ‘schiet maar op, dadelijk komt er een auto aan’, komt er dus een auto aan.

De automobilist lijkt aanstalten te maken om de zombie in te halen, en nog voor haar rechtsaf te slaan. Ik houd mijn adem in, het zal toch niet?

Inderdaad, het zal niet. De automobilist remt op tijd af, de zombie slaagt er zowaar in niet uit de bocht te vliegen, met enig kunst en vliegwerk, haar ogen nog steeds als vastgelijmd aan het kleine scherm.

Het lijkt alsof de rest van de wereld niet bestaat voor haar, niet meer is dan achtergrondgeluid. Een vage ruis, ergens ver weg. Wat is er zo belangrijk dat ze ziet op dat kleine, felverlichte scherm, dat ze de rest van de wereld vergeet? Dat ze geen acht slaat op de prachtige wolkenhemel boven haar, of op het verkeer om haar heen?

Is ze aan het snapchatten met haar vriendinnen? Of met haar vriendje? Is snapchatten nog populair onder de jeugd van tegenwoordig? Had ik maar kinderen, dan kon ik het ze vragen. Waarop ze me ongetwijfeld met een wanhopige blik aan zouden kijken, hun ogen ten hemel zouden slaan om te verzuchten: ‘pap!’ Nee, een hippe, moderne vader zou ik niet zijn geweest, denk ik.

De auto staat nog steeds stil. Dan komt er een jongen aangelopen, van de school iets verderop. Hij stapt in, zijn vader keert de auto en rijdt weg, in de tegenovergestelde richting.

De zombie stopt bij haar huis, net op de hoek, een stukje verderop. Ze haalt zowaar even haar ogen van het schermpje. Even, net lang genoeg om de poort te openen en haar fiets weg te zetten. ‘Dag schat!’ zal haar moeder gezegd hebben, ‘Hoe was je dag?’ ‘Prima hoor’, zal de zombie geantwoord hebben. Om even later op de bank neer te ploffen, haar ogen weer gefixeerd op dat vermaledijde schermpje.

Een kwestie van leven en dood

Gisteren stonden ze nog fier overeind. Hoog, prachtig, groen gras, doorweven met delicate witte en gele bloeiende planten, op de weide onder het balkon van ons vakantiehuisje. Een lust voor het oog, het schoolvoorbeeld van een alpenweide. Het wachten was tot Heidi tevoorschijn zou komen, of Anton (die uit Tirol).

Heidi kwam niet, Anton evenmin. Ze zouden teleurgesteld zijn, bij de aanblik die de weide nu biedt. Schots en scheef liggen ze daar te drogen, de grashalmen en de bloemen.

Vandaag werd het anders. Een grote tractor kwam aangereden, met draaiende messen, al knippend en snijdend, om het gras zo laag mogelijk bij de grond af te snijden. De tractor liet een spoor van afgesneden halmen achter, quasi achteloos. De halmen hebben geen toekomst meer, geen perspectief. Alleen dat ze zullen drogen en tot hooi verworden, om te eindigen in de vier magen van hongerige koeien, de komende winter.

De ene helft van het weiland is gemaaid, de andere helft niet. Het contrast is scherp, de grens loopt precies door het midden, als een grens tussen leven en dood.

Vogels van allerlei pluimage hoppen over het gemaaide gras, op zoek naar andere slachtoffers, op zoek naar iets eetbaars. Ik stel me voor hoeveel leven er zich tussen het gras verborg, toen het nog naar de hemel probeerde te reiken. Bijen, hommels, vlinders en andere insecten zoemden voortdurend af en aan bij de bloemen, op zoek naar pollen en honing. Wat wemelde er verder nog tussen het gras? Hebben die wezentjes op tijd weten te ontsnappen aan de genadeloze messen van de tractor? Ik hoop het maar van wel.

Naarstig zoeken de vogels, de snavels pikkend tussen de halmen, voor hen is het een buitenkans. Een kans om voedsel te bemachtigen, waar ze anders niet of niet zo makkelijk bij zouden kunnen. Nu ligt het voor het oprapen. De een zijn dood, de ander zijn brood. Zo is de natuur, al krijgt de natuur soms een helpende hand van de mens.

Ik wend mijn ogen af, ik kijk liever naar het hoge gras aan de andere kant, wuivend in de wind. Daar krijgt het leven nog alle ruimte, daar groeit en bloeit het naar hartenlust. Een zonnestraal breekt door de dikke wolken, en kust de gele bloemen. Zwaluwen vliegen over de weide, voor hen maakt het niet uit of het gras gemaaid is, of niet. Ze vliegen heen en weer, veranderen voortdurend van richting, hun prooi achterna.

Het leven gaat verder, het gras zal weer terug groeien, tot ongekende hoogte. Bloeiende planten zullen zicht weer tussen het gras nestelen, de bijen, hommels en vlinders zullen weer terugkeren. De natuur laat zich niet bedwingen, het leven vindt zijn eigen weg.

Hoe vaak de grasmaaier ook terug zal keren, de natuur veert iedere keer weer op. Dat is ook de bedoeling, het gras moet groeien. Het gras krijgt ook ruimte om te groeien, als het gemaaid is. Zo is de natuur, een eeuwige cirkel van groei en achteruitgang, van zaaien en oogsten, van leven en dood.

Oogappel

 

Hij ligt voor me, in de fruitschaal. Een appel, glanzend rood met vleugjes groen, een belofte van zoetsappigheid. De schaal ligt vol met fruit, glanzend en wel. Naast mijn oogappel liggen nog andere appels, en twee peren, ook lekker te wezen.

Wat is er zo mooi aan deze appel, waar ik mijn oog op heb laten vallen? Wat maakt hem anders dan de anderen, dan zijn broeders en zussen die naast hem liggen? Ik heb het niet over de peren, ik ga geen appels met peren vergelijken.

Hij zit strak in zijn schil, zijn kleur belooft zoetheid, belooft sap dat over mijn kin zal druipen. Het belooft die typische knapperigheid, het belooft dat geluid dat alleen een appel kan maken, als je er een stuk uit bijt.

Iedere hap heeft die belofte in zich, van zoetigheid, sappigheid en van de vitaminen en het andere goeds dat je lichaam nodig heeft.

Die belofte heeft iedere (verse) appel, al is de ene appel zoeter en/of sappiger dan de andere. Soms is de andere appel zuurder, of meliger. Verschil moet er zijn, het is maar waar je van houdt.

Wat deze appel anders maakt dan zijn soortgenoten, is alleen dat mijn oog op hem gevallen is. Hij staat symbool voor het nieuwe begin, dat ik wil maken.

Ziet u, ik ben ook maar een mens, met de nodige zwakheden. Een lekker, speciaal biertje, een stukje worst of zelfs twee, een schaaltje (zoute) chips, dat is genieten!

Hoe lekker het ook is, het is niet erg gezond. Dat weet ik wel, voorheen trok ik me er niets van aan. Trok, als in verleden tijd. Voltooid, om precies te zijn.

Ik nam ook chips etc. als ik geen honger had, als ik lekkere trek had, pakte ik eerder chips of worst dan iets anders. Als je eet zonder dat je echt honger hebt, zelfs geen trek, dan is het goed je af te vragen waarom je eet en waarom je juist dat eet.

Het is vluchtgedrag, om niet na te hoeven denken over wat ik wil met mijn leven, om niet na te hoeven denken wie ik ben en wie ik wil zijn. Vluchten in eten, het is niet bepaald origineel.

Er komt een moment, dat vluchten niet meer kan. Dat je inziet dat je stilstaat, dat die stilstand achteruitgang betekent. Dat het moment gekomen is om het over een andere boeg te gooien. Een gezondere boeg, in dit geval.

Daar komt mijn oogappel om de hoek kijken. Hij staat symbool voor een gezonder eetpatroon, waar ik voor kies. Hij staat symbool voor de bewuste(re) keuzes die ik wil maken.

Ik zal de chips, worst, bier en cola niet uit mijn leven bannen. Ik zal minderen, maar niet ‘cold turkey’ stoppen. Als ik me weer aan de chips etc. waag, wil ik er wel intens van kunnen genieten.

Ik neem mijn oogappel, zachtjes snijd ik hem in schijfjes, die ik één voor één opeet. Genietend van elke hap, genietend van de zoetheid en van het sap, dat inderdaad over mijn kin druipt.

Een nieuw begin is zojuist begonnen.

Voor mij is de lol er af

In een vorig leven ging ik graag winkelen. Ik ging er speciaal vroeg op uit, zaterdagochtend. Vóór iedereen wakker was, was ik al weer thuis. Soms met een speciaal doel, meestal niet. Even neuzen of ze nog leuke, nieuwe dingen hadden. Kleding, schoenen, maar ook cd’s of gadgets. Hebbedingetjes, met maar één functie: het vullen van de leegte.

Ik had zo mijn vaste adressen, waar ik langsging. Een warenhuis, een grote kledingwinkel, een platenzaak, een sportkledingwinkel, er zat wel wat variatie in, al lag de nadruk wel op kleding. Als ik nu weer eens door de binnenstad loop, mis ik juist die variatie. Het zijn alleen nog maar kleding winkels, sommige vintage, of schoenenwinkels. Hippe, trendy fastfoodtenten voor de lekkere trek. Maar het moet wel snel gaan!

Laatst zag ik in Tilburg een gourmet frietzaak. Gourmet? Ik denk dat ze bedoelen dat ze extra lekkere, speciaal gemaakte en vooral verse friet verkopen. Ik geloof dat je zelfs zelf de aardappel mag uitkiezen, die voor je ogen tot friet verwerkt wordt.

In dezelfde stad zag ik een filiaal van een Canadese warenhuisketen, die de plaats ingenomen heeft van V&D. In sommige steden, niet overal. V&D, tot voor niet al te lang geleden bijna niet weg te denken uit de binnenstad van elke, zichzelf respecterende winkelstad. Maar nu bijna vergeten, behalve door de ex-werknemers.

Als ik vroeger ging winkelen, kwam ik meestal niet met lege handen thuis. Met als gevolg een uitpuilende kledingkast. Pure verspilling, je kunt maar één T-shirt, trui of overhemd tegelijk aan. Tenzij het koud is en je verwarming stuk is, of je naar buiten moet, natuurlijk.

Sinds mijn lief in mijn leven is, is er iets veranderd. Ik heb een hoop overbodige kleding weggeven, die ik nooit aandeed. En als ik een kledingwinkel binnen loop, om eens even te kijken wat er te koop is, loop ik met lege handen naar buiten. Zo ook deze keer. Te duur, of ik heb het niet nodig.

Tja, de conclusie is onvermijdelijk. De shopper in mij is niet meer. De leegte is gevuld, mijn kledingkast hoeft niet langer bang te zijn te bezwijken onder de immer toenemende last. Voor mij is de lol ervan af, van het shoppen.

Mijn portemonnee daarentegen is voller dan ooit tevoren. En dan zeggen ze dat vrouwen geld kosten! Alleenstaand zijn was voor mij duurder.

Plantsoenlijk gedaan

Ik werd er wakker van, van het getik van schoffels tegen de bestrating. Eerst dacht ik dat het de buurman was in een actieve bui, al kon ik niets zien vanuit het raam.

Ik dacht er niet meer aan, totdat ik boodschappen ging doen. Ze waren met z’n drieën, druk schoffelend in het gemeentelijke groen. De plantsoenendienst, dacht ik, al zag ik nergens het bijbehorende busje met het logo van de gemeente. Misschien waren ze gedropt of zo.

Vriendelijk knik ik naar de dichtstbijzijnde en zeg: ‘Hallo!’ Meer als een vriendelijke knik terug zat er niet in, blijkbaar. Een verlegen type?

Het was warm die dag, zo op de grens van lente en zomer. Na een paar dagen wisselvallig weer had de zon weer de overhand en scheen genadeloos op hun witte borst, rug of onbedekte hoofd. Hoewel ze hard werkten, liep het zweet niet tappelings over hun rug. Waar mogelijk zochten ze de schaduw op.

Met verbazing keek ik naar de stoep. Waar eerst een oerwoud van onkruid stond, minstens een halve meter hoog, lag de stoep er nu strak en schoon bij. Ik kon de stoeptegels weer zien, het stukje zandgrond aan de straatkant was netjes bijgeharkt.

Even verderop is een donkere hoek, beschermd door tuinmuren en hoge muren. Een paradijs voor mos, dat er welig tierde. Niet meer, de mannen hadden al het mos weg geschraapt en de straat netjes aangeveegd. Wie waren die mannen, waar kwamen ze vandaan, waar hadden ze geleerd zo netjes te werken? Dat zijn we niet gewend!

Bij terugkomst van het boodschappen doen volgde weer hetzelfde ritueel. Weer groette en knikte ik beleefd, dit keer naar de oudste van de drie. Opnieuw kreeg ik niet meer dan een vriendelijke knik terug, alsof hij niet begreep wat ik zei.

Tussen de middag waren ze plots verdwenen. Mijn oog viel op een oude, rode Opel Corsa, geparkeerd op de hoek. Met zijn drieën zaten ze daar, te lunchen en te schuilen voor de zon.

Nog een raadsel: waar lieten ze al het gewiede onkruid? Her en der zag ik bijna lege vuilniszakken, waar waren de volle gebleven?

De hele dag waren ze bezig, voorzichtig manoeuvrerend langs geparkeerde auto’s, vastberaden de strijd tegen het halsstarrige onkruid te winnen. Het onkruid gaf zich niet eenvoudig gewonnen, zodra de mannen hun rug toekeren, zal het terugkeren, vroeg of laat. Het is een niet te winnen strijd, maar de mannen lieten zich niet ontmoedigen.

Gestaag verdween het ongewenste groen, onder het onstuitbare geschuifel van de schoffels. De gele hesjes die ze eerst aanhadden, hingen al gauw over de heg.

Onder elkaar praatten de mannen wel, in een taal die ik niet verstond. Het is een vreemd idee, mannen die weet-ik-veel waar vandaan komen om hun geluk te zoeken in ons land. Hadden ze van te voren al bedacht dat ze in een vreemd land zouden staan schoffelen?

Zo plots als ze ’s ochtends verschenen, zo plots waren ze ’s avonds verdwenen. Een opgeknapt hofje achterlatend, ontdaan van onkruid en netjes aangeharkt, een weldaad voor het oog. Een geel hesje lag nog over de heg, een eenzame herinnering aan de aanwezigheid van de vreemde mannen.

Ik hoop dat ze terugkomen, zodat ik ze kan zeggen: ‘plantsoenlijk gedaan!

Spring naar toolbar