Ode aan het Brabantse landschap

Zo, een nieuwe columnist in de MooiGeldropMierloKrant. Dat is mooi, zult u wellicht denken. Wie is dat dan wel, die Lucky Luc, wat mogen we van hem verwachten?

Wel, mijn naam is Luc, ik ben 51 jaar geleden geboren in Geldrop, aan de Ziggenstraat 51. 51? Toeval bestaat niet, zou ik haast zeggen. Hoe dan ook, het is me een eer in mijn geboortegemeente in de Mooikrant te mogen staan.

Wat kunt u van mij verwachten? Ik schrijf over van alles en nog wat, dingen die me opvallen en die ik bijzonder vind. Ik heb een bijzondere kijk op de wereld, die ik graag met u deel. Mijn columns zijn soms kritisch, soms beschouwend maar altijd vanuit respect en met humor.

 

Hieronder alvast een voorproefje: een ode aan het Brabantse landschap. Specifiek: het landschap rondom Eindhoven, waar wij wonen. Landelijke wegen, dwars door het platteland, langs groene weiden en omgeploegde akkers, waar niet zo lang geleden het maïs groeide, zover je kon kijken.

Wegen omzoomd door hoge, statige bomen. Sommige nog aardig groen, andere variërend in kleur van vuurrood tot goudgeel, of van vaalbruin tot bronsgroen. Soms rijd je dwars door een bos, soms ligt het wat in de verte. Sommige bomen zijn al helemaal kaal, de beuken houden nog vast aan hun blad. Al is dat een kwestie van tijd.

Her en der verspreid staan boerderijen, soms moderne(re) huizen met megastallen ernaast, soms ook bijna vervallen. Vlakbij Nuenen is een lieflijk laantje, met de ene na de andere ouderwetse boerderij. Tijdloze gebouwen, soms aangetast door de tijd, maar met een eeuwige schoonheid. Af en toe durfde ik haast te zweren dat ik de Contente mens zag, symbool van Kempische tevredenheid, ‘een rond boertje met een pet op, de handen op de rug, de blik niet fier voorwaarts gericht, maar eerder kalmpjes ondergedompeld in een soort oneindig niets’. Hij keek me aan, en zei dat het goed was.

Het regent lichtjes, her en der kom ik fietsers tegen, weggedoken op hun fiets in een vergeefse poging weer en wind te ontwijken. De regen vertroebelt het beeld, maar doet niets af aan de schoonheid van het landschap.

De Dommel, die zich langzaam een weg kronkelt door het Brabantse land, kalmpjes stromend richting zee, geeft het ritme aan van het land. Geen gehaast, ook geen treuzeling. Onvermijdelijk gaat het leven zijn weg, tevreden genietend van al dat moois. Als ‘ne contente mens ga ik weer op weg naar huis.

Ik hoop dat u zult genieten van mijn schrijfsels!

De dag dat de democratie stierf

Deze brief ontving ik van een Catalaanse vriend:

‘Ik was erbij, de dag dat de democratie stierf. Onder het geweld van de Spaanse politie, die met kletterend geweld de gummiknuppels liet neerkomen op onze hoofden. Die met rubberkogels schoten op een woedende menigte, die hun democratisch recht uit wilden oefenen. Die in heel Catalonië mensen uit stemlokalen sleepten, soms aan hun haar.

1 oktober 2017, de dag van het referendum over onafhankelijkheid. Het referendum, dat volgens het Spaanse Hooggerechtshof en – regering ongrondwettelijk is, en dus ongeldig. Het referendum dat ze met alle geweld wilden voorkomen. Het referendum dat er toch kwam. Omdat wij, Catalanen, dat wilden. En juist omdat de Spanjaarden zich er zo tegen verzetten.

Mijn naam is Jordi, ik ben 31 jaar geleden geboren in Sant Guim de Freixenet, een dorp op ongeveer een uur rijden van Barcelona. Het dorp waar ook Gerard Piqué opgroeide. Net als Gerard Piqué ben ik eerst en vooral Catalaan, daarna pas Spanjaard. Net als vele Catalanen met mij wil ik alleen maar dat wij Catalaans mogen zijn, onze taal mogen spreken en over onze eigen toekomst mogen beslissen. Net als veel Catalanen zou ik tegen onafhankelijkheid hebben gestemd, omdat ik wel meer zelfstandigheid wil, maar niet los van Spanje. Dat wilde ik, totdat Rajoy 10.000 politiemensen op ons afstuurde.

Nu is alles anders. Wie eerst voor onafhankelijkheid was, is dat nu des te meer en des te vastberadener. Zij zeggen: ‘Zie je wel? We worden nog steeds onderdrukt, net als onder Franco.’ Wie tegen onafhankelijkheid was, is gaan twijfelen. Wie al twijfelde, is nu voor onafhankelijkheid. Ik kan me niet voorstellen dat Rajoy dat voor ogen had.

We zijn inmiddels ruim een maand verder. De repressie van Madrid is terug: het regionaal parlement en de deelregering zijn naar huis gestuurd, radio en tv gemuilkorfd. Artikel 155, wie had daar ooit van gehoord? Ik niet! Nu worden wij door dit artikel geketend. Puidgemont, die ons zou moeten leiden, is nu op de vlucht. Hij wil wel terugkomen, als hij een ‘eerlijk proces’ krijgt. Het zal wel.

De onafhankelijkheid is uitgeroepen, maar wordt door niemand erkend. Banken verplaatsen hun hoofdkantoor naar elders, op 21 december mogen we naar de stembus.

Wat hoopte Rajoy te bereiken? Het referendum kwam er toch, en gematigde Catalanen zoals ik werden in de armen van de separatisten gedreven. En Puidgemont? Eerst het vuur aanstoken, als het moment daar is durft hij niet. Het parlement riep de onafhankelijkheid uit, die meteen onderdrukt werd door Madrid. Dat ook nieuwe verkiezingen uitriep.

Wat zijn wij Catalanen met dit alles opgeschoten? Niets, helemaal niets.

Zijn we onafhankelijk? Nee!

Hebben we ons daar in alle vrijheid over uit kunnen spreken? Nee, ook niet.

We zijn genaaid, en niet zo’n beetje ook. Genaaid door Rajoy en Puidgemont. Beiden hebben hun eigen agenda, denken alleen aan hun eigen hachje. Het volk, de gewone man, in Madrid én in Barcelona, daar geven ze niet om.

Laat Puidgemont maar in Brussel blijven, ze mogen hem houden! Rajoy? Laat die maar in Madrid blijven.

1 oktober 2017, voor mij is het de dag dat de democratie stierf. Een langzame, pijnlijke dood.’

Een nacht om nooit te vergeten

Daar stond ik dan. Midden in het bos. Het was donker, en koud. De wind huilde door de takken, ik zag geen hand voor ogen. Mijn enige houvast: een touw, gespannen tussen de bomen die ik probeerde te ontwijken. Stapje voor stapje kwam ik vooruit, voorzichtig de grond voor me aftastend met mijn voeten. Zou ik hier ooit nog uitkomen?

Ik had het aan mezelf te wijten. Het was slecht weer, thuis was het lekker warm en knus, naast mijn vrouw op de bank. Ik had thuis kunnen blijven. Maar nee, ik moest zo nodig op pad. Je bent schrijver, of je bent het niet. Een wandeling in het bos, in het donker, wie verzint er zoiets?

Een lichte paniek maakte zich van mij meester. Het besef midden in het bos te staan drong nu echt tot me door. Zou ik in mijn eentje de weg terug nog wel kunnen vinden? Even er van uitgaande dat ik überhaupt uit dit duistere deel van het bos zou kunnen ontsnappen?

Een touw, een dun levenslijntje, was mijn enige houvast. Ik hoefde alleen maar het touw te volgen om de weg terug te vinden, zeiden ze tegen me, alvorens me het bos in te sturen. Het was aardedonker, totale duisternis heerste. Als ik het touw los zou laten, was ik reddeloos verloren.

Ineens drong het beeld van een gapende afgrond zich op, brandde zich op mijn netvlies. Wat als bij de volgende stap plots de grond onder mijn voeten verdween? Wat als ik mijn evenwicht verloor? Zou het touw me nog kunnen redden?

Nog voorzichtiger zette ik mijn voeten neer, aftastend of ik wel ondergrond kon bespeuren. Krampachtig hield ik me aan het touw vast, mijn knokkels trokken wit weg. Het zweet brak me uit, ondanks de kou.

Ik zag de krantenkoppen al voor me: ‘Man gevonden in bos’. ’Mysterieuze verdwijning eindelijk opgelost’. ‘Hij lag op enkele meters van het pad’. Ik ben het ultieme product van mijn tijd, niet meer in staat de weg te vinden zonder TomTom of Google Maps.

Even dacht ik wolvengehuil te horen. Vast het product van mijn overijverige fantasie!

Verder gaat het, stap voor stap en hand over hand. Even dreigt er weer paniek, als ik het touw even kwijt ben. Ah, het touw maakt een hoek van 90 graden. Juist ja.

Weer op weg, zigzaggend door het bos. Mijn ogen begonnen te wennen aan het donker, ik kon vage vormen herkennen. Bomen en struiken verworden al gauw tot enge monsters, het kraken van de takken maakt een onheilspellend geluid. Toch is het op de een of andere manier geruststellend, ik kan in elk geval weer iets zien.

Ik hoorde stemmen! Nee, niet in mijn hoofd. Het waren andere stemmen, van andere mensen. Het was de groep waarmee ik het bos ingegaan was, die mij ook weer terug zou leiden naar de bewoonde wereld. Ik was gered!

Het was een nacht om nooit te vergeten.

Waarom ik nooit meer zal daten

Ik ga nooit meer daten! Ik ben er he-le-maal klaar mee. Voor mij hoeft het niet meer. Waarom dan niet, zult u vragen.

Ik heb de nodige ‘first dates’ gehad. Het is altijd spannend om elkaar voor het eerst te zien, ook al heb je al gemaild of gebeld. Op een foto ziet iedereen er net anders uit dan in het echt, de vraag is sowieso of de ander in het echt net zo leuk en aantrekkelijk is als per mail of aan de telefoon.

De zenuwen beginnen al ver van te voren. Wat zal ik aan doen? Een bloes of een trui? Ik wil er niet uitzien als een degelijk mannetje. Als ik me maar niet snijdt met het scheren, dat is geen gezicht! Waar moet ik zijn? Ik moet vooral de TomTom niet vergeten!

Nog een keertje extra tanden poetsen, kijken of mijn haar wel recht zit, dan op pad. Liever te vroeg dan te laat, je weet nooit hoe druk het zal zijn onderweg!

Dan staat ze ineens voor je. Zonder het te willen, misschien zonder je er van bewust te zijn, maak je al een eerste afweging. Hmmm, die ziet er leuk uit! Of juist niet. Haar stem voor het eerst te horen, dat is ook een ‘moment’. Door de telefoon klinkt een stem toch anders, wordt die min of meer vervormd.

Haar voor het eerst te ruiken, wat voor parfum heeft ze? Misschien wel geen, is het ‘puur natuur’ wat ik ruik. De eerste aanraking, als je haar een zoen geeft ter begroeting. Op de wang uiteraard, drie stuks. Je bent Brabander, of je bent het niet!

Mijn laatste eerste afspraak is ook degene die me het meest bij zal blijven. Het verliep zo mooi, zo harmonieus. Alsof het in de sterren geschreven stond, dat het zo zou gaan. En dat we voor elkaar bestemd waren! We wilden niet zo snel al afscheid nemen. Ik bleef de eerste nacht bij haar slapen, in hetzelfde bed. Wel met de duidelijke boodschap dat ik mijn handen boven de dekens moest houden, wat ik netjes gedaan heb. Dat vond ik niet meer dan normaal.

Mijn laatste eerste afspraak bleek mijn Ware Liefde. Tot ik haar ontmoette, een vrouw die mijn unieke mix van respect en verlegenheid op waarde wist te schatten, twijfelde ik of ik het wel in me had. Om een vrouw voor me te laten vallen, haar hart te veroveren. Had ik überhaupt een vrouw wel iets te bieden? Was ik niet te lief, te respectvol en vooral te afwachtend? Misschien wel, maar het voelde voor mij niet goed om de eerste stap te zetten.

Gek genoeg deed ik dat wel toen ik mijn Ware Liefde had ontmoet. Terwijl we even gingen zitten op een bankje, vlakbij een meertje midden in het bos, kuste ik haar. Zo maar, geheel spontaan. Een beetje tegen mijn gewoonte in, maar niet tegen mijn gevoel. De kus werd overigens beantwoord! 

Was ik voorheen daadwerkelijk te lief? Was ik niet doortastend genoeg? Ach, daar zijn er al genoeg van. Als ik de geluiden zo hoor, in de krant en op de social media, zijn er genoeg mensen die denken dat als de ander nee zegt, ze (of hij) eigenlijk ja bedoelt. Of nog veel verder gaan.

Hoe leuk het ook is, die fase van aftasten, kijken, observeren en proeven, ik ben blij dat het er opzit. Ik heb de liefde gevonden, voor mij hoeft het niet meer, daten. Ik ben er klaar mee!

 

Het natuurlijke evenwicht

 

2017 is een topjaar voor eikels. Het stond in De Telegraaf, daar hebben ze verstand van eikels. Blijkbaar.

Ondanks het feit dat de omstandigheden niet perfect waren, produceren eikenbomen extra veel eikels dit jaar. Volgens experts zou dit jaar een zogenoemd ‘mastjaar’ kunnen worden. Voor degenen die geen expert zijn, zoals ik: een mastjaar is een jaar dat eiken 600 tot 1.200 kilo eikels per hectare laten vallen. Ofwel zo’n 50 kilo eikels per boom van 120 jaar oud.

Een mastjaar. Het klinkt meer als iets wat met scheepsbouw te maken heeft. Dat er een half bos moet sneuvelen om masten te maken voor zeilboten. Het Mastbos, het bekende bos ten zuiden van Breda, heet niet zo vanwege de overvloedige eikels die het produceerde.

Wie profiteert er van die eikel-bonanza? Niet de fietser of voetganger, die welhaast struikelt over de hoeveelheid eikels op straat. Niet de automobilist, die ze elke ochtend tussen zijn ruitenwisser uit mag schrapen. Niet de gemeentelijke plantsoenendiensten, die ze op mogen ruimen.

Wie wel profiteren, zijn eekhoorns en wilde zwijnen. Die lusten er wel pap van, van die eikels. Dat is goed nieuws voor een ander dier, dat lang is weggeweest maar steeds vaker te zien is in ons land. In de 19e eeuw verdween de wolf uit Nederland, nu lijkt de wolf weer op de weg terug. Volgens vereniging ‘Wolven in Nederland’ is het een kwestie van tijd voordat de wolf op natuurlijke wijze terugkeert. Natuurmonumenten vindt dat een goede zaak, omdat momenteel een toproofdier ontbreekt. Dan zijn ze zeker nooit een jager tegengekomen.

Wolven in Nederland, zitten we daar wel op te wachten? Het lijkt geen prettige gedachte, dat een natuur- of wandelliefhebber opeens oog in oog komt te staan met een wolf en moet rennen voor zijn of haar leven.

Volgens Natuurmonumenten zal het zo’n vaart niet lopen. Wolven zijn schuwe dieren en zullen mensen uit de weg gaan. Eeuwen van meedogenloze bestrijding heeft de wolf nóg schuwer gemaakt. Bovendien is de mens geen natuurlijke prooi van de wolf. Hopelijk weten de wolven dat zelf óók! Ik vind het mooi om wolven in het wild te zien. Op tv, in een of andere natuurdocumentaire, ergens in Alaska of zo.

Schapenhouders en veetelers hoeven zich geen zorgen te maken, volgens Natuurmonumenten. Honden worden gezien als soortgenoten door de wolf. De natuurlijke prooi van wolven zijn reeën, edelherten en wilde zwijnen. Minder dan 1% van het dieet van de wolf bestaat uit ‘gehouden dieren’, zo is op de website van Natuurmonumenten te lezen. Al zullen schapenhouders en veetelers wel maatregelen moeten nemen, zoals het plaatsen van een goed geplaatst en voldoende hoog schapenraster dat onder stroom staat, eventueel aangevuld met een waakhond.

Oude tijden herleven, de terugkeer van de grote, boze wolf lijkt niet tegen te houden. Goed nieuws voor wie houdt van een gezonde natuur, slecht nieuws voor reeën, edelherten en wilde zwijnen. Maar vanwege de overvloed aan eikels zal de wilde zwijnenstand wel flink stijgen.

Het zal zijn tijd nodig hebben, alvorens natuur en mens weer een evenwicht gevonden hebben. Zolang natuurliefhebbers, wandelaars en schapenhouders en veetelers maar alvast op de hoogte zijn.

Vallende eikels en de terugkeer van de wolf, het is me wat. Heeft iemand Roodkapje al gewaarschuwd?

Ik ben boos! (op de KPN)

Ik ben boos! Piswoest! Gebelgd! Gallisch, zelfs. En nog kwaad ook. Op wie? Op de KPN!

Waarom dan wel? Dat zit zo. Wij waren tevreden klant bij OnsBrabantNet, een kleine provider voor tv, internet en telefonie in, u raadt het al, Brabant. Prettige klantenservice, problemen werden over het algemeen snel en goed opgelost. Er ging ook wel eens wat mis, maar bij elk bedrijf gaat wel iets mis.

Enkele maanden geleden kregen we een brief, OnsBrabantNet is onderdeel van KPN, ze stopten er mee en wij gingen over naar KPN. Tegen wil of dank en of we nu wilden of niet. We konden een afspraak maken met een monteur.

Zo gezegd, zo gedaan. De afspraak was snel gemaakt. De columnist in mij werd wakker, het zou nog even duren, hier móést toch wel een leuk stukje inzitten. Ik zag het al helemaal voor me: de monteur zou op de afgesproken dag niet op komen dagen, of te laat. Het installatiepretpakket zou niet of te laat bezorgd worden. De monteur had niet alle benodigdheden bij of er moest nog iets omgezet worden. De benodigde codes c.q. wachtwoorden zouden niet beschikbaar zijn. Weken zouden we verstoken zijn van tv, internet en (vaste) telefoon.

Ik was op het ergste voorbereid. Mijn pen was al in gif gedoopt en mijn handen jeukten. Helemaal toen een paar dagen voor dat wij aan de beurt waren vrienden van ons die ook overgingen naar KPN meldden dat het bij hen inderdaad was misgegaan. Ze zaten enkele dagen zonder, geen weken. Maar toch. Mijn handen jeukten nog meer, ik doopte mijn pen nog eens extra in het gif. De tekst was al half geschreven, de titel had ik nog niet. Kon ik iets met de afkorting KPN? Kolossaal Prutsers Netwerk? Dat kan beter, het zou allemaal goed komen.

12 oktober was het zover. Tussen 9.00 en 11.00 uur zou de monteur komen. Over die monteur kreeg ik ook al visioenen. Een gezette man, achter in de 40, ongeschoren en zwetend. Met een bouwvakkersdécolleté, als hij gebukt zat. Dat wij vanaf 9.00 uur braaf zaten te wachten, om 10.00 uur: niks. 11.00 uur: nog niks. 12.00 uur: maar gebeld, waar blijven jullie nou?

Wat denkt u? Om 9.30 uur gaat de bel. Ik denk: daar zul je hem hebben! Hem? Nee, haar! Er stond een vrouw voor de deur, ik schat achter in de 20. Hoezo vooroordeel? In ruim een uur was ze klaar. Nog efficiënt ook! Alles werkte naar behoren, we hadden weer internet, tv én telefoon. Geen problemen, geen gedoe, NIETS.

Ik was teleurgesteld. Daarna boos. Ik werd steeds bozer en bozer! Waar was nou mijn mooie stukje? Waarin ik in geuren en kleuren uit de doeken zou doen hoe na uren ploeteren de monteur, stamelend en rood aangelopen, moest bekennen dat hij het niet voor elkaar kreeg? Om vervolgens uitgebreid verslag te doen over hoe wij weken, of vooruit dagen, zouden moeten wachten in primitieve, mensonterende omstandigheden tot dat ene ontbrekende onderdeel of wachtwoord er zou zijn?

U begrijpt mijn onbeschrijfelijke frustratie, mijn wanhoop. Dit zou een prachtige column worden, misschien wel mijn beste ooit! Eindelijk kon ik helemaal los gaan, alle remmen los, Volle vaart vooruit, op ramkoers! Dit zou mijn ‘Buckler’ worden.

Niets van dat al. Mijn droom is mij ontnomen. Wie had verwacht dat zo’n groot bedrijf efficiënt zou werken? Ik niet. Ik ben boos!

Dennenappelgoochelaar

Ineens zag ik ze, de dennenappels. Eerst vielen ze niet op, struikelde ik er bij wijze van spreken over. Toen werd de kleine jongen in me wakker, die altijd op de loer ligt. Ik vind het niet erg, het is altijd genieten met hem. Hij fluisterde me een idee in het oor: ‘geef eens een schop tegen zo’n dennenappel!’

Ik vond het wel een goed idee. Ergens in me leeft de droom profvoetballer te worden nog steeds, hoewel ik daar veel te oud voor ben. Ja, Stanley Matthews voetbalde tot zijn 50e. Dat was dan ook een grootheid, dat was in een andere tijd.

Dromen zijn hardnekkig, ook al spreken de feiten hen tegen. Ik besloot te proberen de dennenappel à la Maradonna hoog te houden. Op de tonen van ‘Live is Life’, met een denkbeeldig vol stadion, een paar keer op de voet, eerst links en dan rechts. Dan op de schouder, op mijn heup, opvangen in de nek, de hele rataplan. Dat wil zeggen, dat was het plan.

Hoe ik het ook probeerde, hoezeer ik me concentreerde, of de dennenappel in kwestie nou groot was of klein, binnen twee tellen lag-ie op de grond, verdween tussen de struiken of onder een auto. Met een plagend tik-tak-tok schoten ze stuk voor stuk buiten mijn bereik. ‘Shit!’

Al gauw lag ook deze illusie aan diggelen, met elke droge plof op het trottoir brak een klein stukje van de droom af. Menige hartgrondige vloek ontsnapte aan mijn anders zo keurige lippen. Vloeken is niet netjes, het lucht wel op.

Misschien een andere tactiek proberen? Als hooghouden niet lukt, kun je ze ook gewoon wegschieten. Dat ging al beter, ik heb best een aardige traptechniek. Al zeg ik het zelf. Een paar keer achter het standbeen langs, dat kwam meer in de buurt. Het publiek werd wild, schreeuwde het uit van enthousiasme!

Toen werd ik wakker. Stond ik weer met beide benen op de grond, opende mijn ogen en zag ook deze dennenappel in de struiken verdwijnen.

Het is nooit echt een droom geweest om profvoetballer te worden, meer een fantasie. Fantasie kent geen leeftijd, is niet gebonden aan de realiteit. In mijn fantasie maak ik nog steeds het winnende doelpunt, vlak voor tijd. Met buitenkantje rechts stuur ik de bal naar de linkerbovenhoek, buiten bereik van de wanhopig graaiende handen van de keeper. In de finale van de Champions League natuurlijk, of van het WK. En blijf ik bescheiden in de interviews, achteraf. Uiteraard.

Fantasie overschrijdt alle grenzen, vormt de realiteit om naar je wensen. Of het nu een bal is, of een dennenappel, je kan er alles mee!

In werkelijkheid ben ik alleen in mijn fantasie een dennenappelgoochelaar

Toevallige ontmoeting

Thuis zat ik mezelf in de weg. Dat kun je zo wel eens hebben, er zit wat tegen en soms zeggen dierbaren vervelende dingen die goed bedoeld zijn, maar nog steeds hard aankomen. Er kwam niets uit mijn vingers, het lamballen was ik op een gegeven moment zat.

Dus naar buiten! Ik mag graag wandelen, het is fijn buiten te zijn en het helpt je zinnen te verzetten. Het weer was er eigenlijk niet naar, het was regenachtig. Grijze wolken hingen als een zware deken over me heen. Er stond een stevige wind, die de bladeren kietelde. Uitwaaien is fijn, laat die frisse wind maar door mijn hoofd waaien!

Het heeft iets rustgevends, als je luistert naar de wind die door de bladeren ruist. Het bleef malen in mijn hoofd, ik liep met mijn ziel onder mijn arm. Ik besloot mijn gebruikelijke route in omgekeerde volgorde te lopen, voor de afwisseling. Iets verderop zag ik een man lopen, hij kwam van rechts. Kalend hoofd, heel herkenbaar. Oordopjes in zijn oren. Ik wilde dezelfde kant op, en besloot achter hem aan te lopen. Iets verderop stopte hij, vlak voor een fietspad.

Normaal gesproken houd ik er niet van om mensen spontaan aan te spreken, ik loop liever een straatje om. In dit geval dacht ik, ik loop er gewoon langs. Op het moment dat ik hem passeerde, zei de man ‘hallo’. Ik dacht dat hij het daarbij zou laten, maar dat was niet zo.

Voor ik het wist, was ik in een fijn gesprek beland. ‘Ik zit sinds drie jaar thuis’, zei hij. ‘Ik ben bij een bedrijfsongeluk mijn wijsvinger en het topje van mijn middelvinger kwijtgeraakt’. Hij zei het met een glimlach, terwijl hij me zijn hand liet zien. Als je elektromonteur bent en het van de fijne motoriek moet hebben, en het is je dominante hand, dan kun je niet veel meer. Ik zou er mistroostig van worden, hij niet.

Hij had wel geprobeerd iets anders te vinden, bij de busmaatschappij wilden ze niet iemand met een handicap. Hij liet zich niet uit het veld slaan, en staat monter in het leven! ‘Ik heb genoeg om me bezig te houden’, zegt hij. ‘Een mens moet werken, bezig zijn. Anders gaan je hersenen kapot!’ En zo is het, het gaat er om je leven zinvol in te vullen.

We liepen samen een stukje verder, richting zijn huis. We namen afscheid, in de hoop elkaar nog eens tegen te komen. Wie weet gebeurt dat ook, ik zou het wel leuk vinden.

Ik vervolgde mijn route, merkbaar opgelucht. Het had mij goed gedaan, deze toevallige ontmoeting. Die toevallig tot stand kwam, doordat ik toevallig mijn route omgedraaid had. Toevallig? Toeval bestaat niet.

Hij zei ‘meneer’ tegen mij

Je bent zo jong als je je voelt. Ja, ja, mooie woorden. Iedere keer als ik buk om iets op te rapen en er zo’n oudemannenzucht aan mijn lippen ontglipt, zegt mijn lichaam toch iets anders. ‘Houd een ander voor de gek’!

Je weet dat je niet meer de jongste bent, als je het toenemend aantal kaarsen op je verjaardagstaart ziet. Je weet dat je niet meer de jongste bent, als je op een feestje komt en de muziek als ‘herrie’ bestempelt. Je weet dat je niet meer de jongste bent, als je je de allereerste aflevering van GTST nog kunt herinneren. Of als je weet wat Medisch Centrum West is, of wie J.R. neerschoot.

Ik heb het maar eens ‘wetenschappelijk’ aangepakt. Een zoektocht op Google leert dat naast die oudemannenzuchten genieten van kruiswoordraadsels, haar verliezen, namen vergeten, een paar van de fysieke en gedragsveranderingen zijn die erop wijzen dat je oud wordt. Of bent.

Andere voorbeelden zijn het gebruik van uitdrukkingen als ‘toen ik zo jong was als jij’ of ‘in mijn tijd’. Of standaard een zin beginnen met ‘vroeger’ of ‘ik kan me herinneren’. Het vergeten van namen, verliezen van je bril, het niet begrijpen van jongeren en de nieuwe technologie en de behoefte aan een middagdutje zijn ook signalen. Of je vindt dat dat agenten, het meisje achter de kassa bij de supermarkt en dokter er jong uitzien. Of te lang haar hebben.

Nee, je weet dat je oud aan het worden bent als je je favoriete muziek in de lift hoort, of terwijl in de wacht staat als je aan het bellen bent.

Dat de tijd ook mij in zijn grip heeft, wist ik al. Al vóór mijn dertigste was mijn haar begonnen aan een tactische terugtocht, lijf en leden hebben last van een toenemende stramheid. En ja, ik begin ook al wat rimpels te krijgen, volgens mij. Lachrimpels, dat dan weer wel.

Ik zou het kunnen ontkennen. Ik heb nog geen bril nodig, kan nog steeds zelfstandig lopen én autorijden. Sommige ‘moderne’ muziek die je op de radio hoort vind ik best leuk. Maar is radio nog wel modern? Namen onthoudt ik prima, middagdutjes doe ik niet en ik hoef niet aan de zuurstof na een partijtje badminton. Je zou zeggen, het valt best mee.

Ouder worden, je doet er niets aan. Het verstrijken van de tijd gaat alsmaar door, zonder mededogen. Is dat erg? Welnee. Het hoort erbij. Het is wel een enorme wake-up call als je over straat loopt en er een jongen van een jaar of tien langs fietst die ‘meneer’ tegen je zegt. Dan is er geen ontkomen meer aan, ontkennen heeft geen zin. Ik ben een oude lul. Tja.

 

Een onmogelijke keuze

Soms stelt het leven je voor een onmogelijke keuze, een dilemma, een Salomons oordeel. Het mijne kwam bij het verlaten van de plaatselijke supermarkt, die ik bezocht voor wat ‘last minute’ boodschappen. Ik zag ze al staan toen ik naar binnen ging. Ik wist wat me te wachten zou staan als ik weer naar buiten kwam. Er was geen ontkomen aan.

Ik had onverrichterzake huiswaarts kunnen keren. Mijn vrouw en ik hadden moeten improviseren voor het avondeten, dat is te doen. Ik liet me niet kennen, en ging naar binnen. Dat was nog een eenvoudige keuze.

Het bijeensprokkelen van de benodigdheden voor een overheerlijke, door mijzelf te bereiden maaltijd was snel voor elkaar. Ook het afrekenen bij de kassa ging sneller dan normaal. Tja. Het noodlot laat zich niet ontwijken.

Ik zuchtte eens diep, zette mijn pet stevig op mijn hoofd en waagde me naar buiten, het door de gretige schare felbegeerde kleinood in mijn linkerhand geklemd. Vrijwel meteen stortte de wachtende horde zich op me, smekend om het kostbare kleinood aan één van hen te geven. Maar aan wie?

Ik durfde niet te kijken in die bedelende ogen. Wie ik ook zou kiezen, de anderen zouden hevig teleurgesteld zijn. Dan maar, bij wijze van spreken met de ogen dicht, het kleinood in de gretige handen van de eerste de beste gedrukt, die toevallig de dichtstbijzijnde was. Vrijwel hetzelfde moment brak er een soort kinderoorlog uit. ‘Ik heb nog niets gehad!’ ‘Ik ook niet!‘ ‘Je moest netjes achter het hek blijven staan!’ En zo ging het maar door. Ik maakte me snel uit de voeten.

Soms stelt het leven je voor een onmogelijke keuze.